Pim Fortuyn, een volgeling van de Derde Weg?
Geplaatst door drietand op 5 oktober, 2007
De Nederlandse auteur en socioloog Dick Pels heeft een boeiende visie op de vermoorde Nederlandse politicus Pim Fortuyn. In zijn boek ‘De geest van Pim’ vergelijkt Pels het gedachtegoed van Pim Fortuyn met het fascisme (in brede betekenis), maar op een andere wijze dan gebruikelijk. De weergave van het gedachtegoed van Fortuyn is redelijk gelukt, hoewel de vooringenomenheid van de auteur zo nu en dan overduidelijk is. Al meer dan twintig jaar behoort Pels tot een groep auteurs die in het fascisme voor alles een «derde weg» tussen liberalisme en socialisme zien. Zij beschouwen het als een vorm van verzet tegen het materialisme dat zo kernmerkend is voor deze twee ideologieën, en als een extreme consequentie van het streven naar volledige democratisering van de samenleving. Tien jaar geleden schreef Pels reeds een boek over de Nederlandse socialistische politicus Jacques de Kadt, getiteld: ‘Het democratisch verschil: Jacques de Kadt en de nieuwe elite’. Net zo min als Hendrik de Man, Georges Sorel en Benito Mussolini was Jacques de Kadt te vangen in het klassieke links-rechts-schema. Allen bevonden zij zich in een merkwaardig overgangsgebied, waarin zowel linkse als rechtse ideeën opgeld deden, maar dat ook weer niet als het politieke centrum kan worden aangeduid, omdat er een duidelijk radicale en revolutionaire mentaliteit heerste. In zijn boek ‘De geest van Pim’ plaatst Pels Fortuyn in deze traditie. Bovendien maakte Pim Fortuyn op briljante wijze gebruik van de mogelijkheden die de moderne massamedia bieden, en kon hij zich ontwikkelen tot een “SBS6-versie van de vooroorlogse, radicale Jacques de Kadt”.
Fortuyn was van links naar rechts verhuisd, en alleen tijdelijk was hij iets gematigder geworden. Hij was een tijdje sociaal-democraat maar tegelijkertijd werd hij door zijn revolutionaire temperament naar beneden getrokken. Hij zou altijd blijven beweren dat de crisis nabij was, dat het vijf voor twaalf was. Dat had met zijn karakter te maken, niet met een sociologische analyse. Als men geen rekening houdt met deze temperamentverschillen, dan is men nooit in staat te begrijpen waar het populisme thuishoort. Op het oude links-rechts-model kun je dergelijke standpunten nooit plaatsen. Pels is terecht van mening dat politieke partijen achterhaalde instituties zijn. In zijn boek breekt hij een lans voor een “personendemocratie”, waarin politieke personen met behulp van de massamedia mensen mobiliseren voor hun ideeën, en waarin de representatieve democratie wordt gewijzigd door veel meer politieke functies rechtstreeks te kiezen. Klassieke politicologen en opiniemakers zien daar absoluut niets in: “Je beweegt je dan op een hellend vlak, in de richting van het extremisme” zo beweren ze maar al te vaak. Het is gewoon de logica van het populisme, waarbij iemand als Fortuyn het volk meent te vertegenwoordigen. Ook hij zag zichzelf als de belichaming van het volk waar een homogene identiteit geldt, ook hij maakte op geniale wijze gebruik van de massamedia, ook hij onttrok zich aan die oude links-rechts-tegenstelling en gebruikte alles wat in zijn politieke strijd te pas kwam. Pels ontkent de overeenkomsten tussen Fortuyn en het fascisme niet. In zijn boek benadrukt hij ze zelfs. Hij weigert alleen om Fortuyn op grond hiervan op de vuilnisbelt der geschiedenis te gooien. Volgens hem bleek nergens uit dat Fortuyn tegen de democratie was, hij wilde het bestaande stelsel echter aanvullen met meer directe vormen van democratie.
De verbazing over de politieke opkomst van Pim Fortuyn was bij velen groot. Links was opeens rechts geworden. Het is natuurlijk eerder voorgekomen dat linkse denkers de overgang naar politiek rechts hebben gemaakt. Een bekend voorbeeld is Mussolini die aanvankelijk redacteur was van het linkse blad ‘Avanti’ en uiteindelijk de weg naar het fascisme insloeg. In 2002 schreef columniste Jouke de Vries naar aanleiding van de opkomst van Fortuyn een column in de Staatscourant, getiteld ‘de kale professor’, waarin ik aangaf dat de afstand tussen links en rechts in de politiek minder groot is dan velen veronderstellen. Bas Eenhoorn, de toenmalige partijvoorzitter van de rechts-liberale VVD, maakte de vergelijking tussen Fortuyn en Mussolini meer expliciet. Jan Blokker van de Volkskrant deed het nog eens dunnetjes over. Later, door de moord op Fortuyn en de discussie over de demonisering rond zijn persoon, vonden velen de vergelijking tussen Fortuyn en Il Duce ongepast. Dat was het op dat moment ook, omdat verschillende beladen namen uit het verleden in de politieke strijd tegen Fortuyn in stelling werden gebracht. Pels formuleerde een theorie van de “politiek bohème”, een grijze zone waarin extreem links en rechts elkaar raken. Intellectuelen kunnen daarin gemakkelijk oversteken van de ene kant van het politieke spectrum naar de andere. Deze grijze zone maakt onmogelijke ideologische combinaties mogelijk. Pels noemt ook Oscar Wilde, Georges Sorel, Hendrik de Man en Martin Heidegger als voorbeelden. Volgens Pels is Mussert niet het meest aansprekende Nederlandse voorbeeld. Zijn voorkeur gaat uit naar de eerder vernoemde scherpzinnige intellectueel Jacques de Kadt. De Kadt had hogere idealen dan ieder een fatsoenlijk bestaan te bieden. Zijn uitgangspunt was: “Het bestaan zin te geven is het doel van het socialisme”. Hij voerde onder die vlag toen al wat vandaag in Nederland de discussie over normen en waarden is gaan heten; een discussie die voor velen zo moeilijk is omdat die uitstijgt boven de economische verschillen tussen liberalisme en socialisme. Ook daarmee liep De Kadt vooruit op latere denkers.
Pels stelt uitdrukkelijk dat de vergelijking van Fortuyn met Mussolini op zich niet onterecht is maar dat de media er misbruik van maken voor eigen macht. “Mensen vergeten dat Mussolini een marxist was, een verstandig en belezen marxist. Zijn fascisme kwam voort uit een beredeneerde kritiek op en afwijzing van zijn eigen voormalig marxisme” zo meent Pels. Uit die beredeneerde afwijzing volgde bij Mussolini en andere intellectuelen dan omarming van een radicaal nationalisme. Fortuyn die de slogan “woorden als wapens” hanteerde en met Voltaire vindt dat alles gezegd mag worden, trekt een traditionele grens, want als hij zelf geassocieerd wordt met het fascisme gaat dit voor hem over de schreef en noemt hij het demonisering van zijn persoon en zijn visie. Pels kwalificeert dit als merkwaardig: “Ik had een ontmoeting met Fortuyn begin jaren tachtig nadat ik een artikel had geschreven met de titel ‘De redelijkheid van het fascisme’, waarin ik suggereerde dat fascistische denkers serieus genomen moeten worden en dat het intellectuele gehalte van het fascisme moet worden bestudeerd ook om erachter te komen wat de aantrekkingskracht ervan is. Fortuyn was hierin geïnteresseerd, zijn proefschrift ging gedeeltelijk over dezelfde materie. Hij had zich erin verdiept hoe de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog behulpzaam waren geweest bij het opstellen van een centraal zorgstelsel. Dit stelsel kon in Nederland door de sociaal-democraat Drees na de oorlog min of meer intact kon worden overgenomen. Maar dat mocht natuurlijk niet worden gezegd, Drees kon die continuïteit niet toegeven. Fortuyn was er trots op dit verband ontdekt te hebben. Fortuyn was het met mij eens dat je het fascisme niet in de buitenste duisternis moet werpen maar dichter naar je toe moet halen om te zien wat de aantrekkingskracht ervan is, ook om het beter te kunnen bestrijden. Dan is het vreemd om te zien dat hij later zo’n bezwaar maakt tegen de demonisering van zijn eigen persoon. Zijn volgelingen schrokken van de demonisering: fascisme, nationaal-socialisme en de moord op de joden beschouwden zij als één onontwarbare kluwen. Ook dit is merkwaardig want in kringen van historici wordt deze zaak allang veel gedifferentieerder gezien. Maar voor het grote publiek is het één pot nat en in die zin zou het ook een zelfmoordstrategie geweest zijn als Fortuyn had gezegd dat hij een vergelijking met Mussolini wel best vond.”
De andere “derde weg” van rechts
Pels onderscheidt drie fasen in het denken van Fortuyn: een marxistische, een sociaal-liberale en een communautaristische of volksnationalistische fase. Tezamen vormen zij een drieluik. Het dialectische drieluik en de theorie van de politieke bohème zijn de meest interessante onderdelen in deze visie op Pim Fortuyn. Fortuyn heeft in zijn leven en denken een dialectische beweging gemaakt. In 1988 vertrekt hij van de universiteit van Groningen, hij is ambtenaar af en voelt zich bevrijd. Hij maakt dan de omslag van democratisch-socialisme naar neoliberalisme, naar een hard en compromisloos marktdenken. In 1995 keert hij terug naar een vorm van gemeenschapsdenken, een soort nationalisme, wat betekent dat hij een aantal thema’s van zijn vroegere (marxistische) collectivisme weer opneemt. Het is een gemeenschapsdenken dat kritisch is over zijn tweede fase, het harde calculerende burgerschap. Pels noemt het “een derde weg”. Fortuyn kan geplaatst worden in de nieuw-rechtse bewegingen in Europa van Le Pen, Haider in zijn vroege FPÖ-periode, Alessandra Mussolini, Filip Dewinter,… op grond van familiegelijkenissen. Dit rechts-populisme kan binnen de historische traditie van radicaal rechts zowel verbonden worden met het historisch fascisme als ook ervan worden afgeschermd door het te benoemen als een derde weg van rechts, een middenweg tussen het traditionele conservatisme enerzijds en het revolutionaire conservatisme van de jaren dertig anderzijds. Een andere derde weg dus, dan het klassieke revolutionaire antikapitalisme – antimarxisme. De nieuwe partijen zijn populistisch omdat ze “het volk” willen vertegenwoordigen en het willen mobiliseren tegen een regentesk establishment. Ze zijn rechts-populistisch omdat ze de nationale of etnische identiteit verdedigen tegen vreemdelingen. Interessanter nog, dan de gedachtewereld van Fortuyn, is het politiek-sociologische feit dat 1,6 miljoen kiezers in 2002 op de LPF (Lijst Pim Fortuyn) hebben gestemd. Het zijn niet alleen intellectuelen die de overstap van links naar rechts maken, maar tevens een deel van de achterban, die als stemmers op een linkse partij worden gekoesterd, maar als aanhang van een rechtse partij worden verketterd.
Democratisch populisme
Fortuyn was populist en hij was democraat. De kartelvorming van de politieke partijen keurde hij af. Hij sprak over ondoorzichtige achterkamerpolitiek, over regentenmentaliteit, over de behaaglijke consensusdeken, over Ons Soort Mensen. In zijn populistische tweedeling staat een nieuwe “meritocratische” klasse tegenover het “gewone volk”. Volgens hem leven we naar de letter in een parlementaire democratie maar zuchten we feitelijk onder de dictatuur van een professionele kaste. De “partitocratie” moet uitgeschakeld worden, directe vormen van democratie geïnstalleerd. Populisme is weliswaar een kameleontisch begrip maar heeft onmiskenbare ingrediënten. Hiertoe behoren een sterk wantrouwen jegens alle vormen van woordvoerderschap en vertegenwoordigende democratie, een cultus van de politieke persoonlijkheid en van charismatisch leiderschap, en een sterke neiging om het volk voor te beschouwen als een soevereine gemeenschap met een essentiële identiteit die wordt gevoed door een gedeeld erfgoed en een homogene cultuurbeleving. Pels voegt eraan toe dat Fortuyn geen pure populistische politiek voorstond, “hij wilde bepaalde plebiscitaire elementen inbouwen in de representatieve democratie: directe verkiezingen op alle niveaus en een directere band tussen kiezer en gekozene. Representaties worden op andere manieren geregeld en de media maken het mogelijk dat politici zich rechtstreeks zonder institutionele bemiddeling tot de kiezers richten. De traditionele kanalen van politieke communicatie zoals partijen en parlementen worden steeds meer buitenom gepasseerd door de electronische media”.
Fortuyn volgde Carl Schmitts opvatting van politiek als het aanwijzen van de vijand in een uitzonderingssituatie, een toestand van scherpe verdeeldheid in uiterst gevaar en vond dat de zelfbewuste verdediging van onze beschaving een “vitale agressie” vereiste. Over Nederland zei hij: “Het land is vol en moet stante pede op slot. We zijn een uiterst kritische grens genaderd en moeten opnieuw gaan bouwen aan het volk van Nederland. Het vormen van een nieuwe natie wordt nu belemmerd door de permanente instroom van grote aantallen nieuwkomers. Hierbij doet afkomst er niet toe maar wat we willen zijn: één volk, één land, één samenleving.” Sapere aude, heb de moed je eigen verstand te gebruiken! Dat was het devies van de Verlichting dat Fortuyn de motivatie gaf om taboes te doorbreken. Fortuyn had de verdienste het taboe van de vreemdelingenproblematiek in Nederland te doorbreken. Hij sprak over één volk en wierp zich op als vertegenwoordiger van dat volk. Tegenover het volk staat het politieke establishment enerzijds, en vreemdelingen die er beter niet waren of wier komst beter tegengehouden werd anderzijds. De paarse regering (socialisten, linksliberalen en rechtsliberalen) en de vreemdelingen waren zijn vijand. De paarse regering gedoogde de vreemdelingen, net als alle andere voorgaande regeringen. Zonder elf september zou Fortuyn misschien geen furore gemaakt hebben. Hij was radicaal over de islam met zijn “Nederland is vol, grenzen dicht”. Zijn boek ‘De islamisering van de cultuur’ heeft hem in het centrum van de discussie getrokken. Hij zocht de noodzakelijke sociale cohesie in de culturele en nationale identiteit. Het gevecht tussen gevestigden / autochtonen / Nederlanders aan de ene kant en buitenstaanders / allochtonen / vreemdelingen aan de andere kant, kreeg steeds meer de trekken van een wereldhistorische “botsing der beschavingen” waarbij men zich moet wapenen tegen de aanstormende vloedgolf van de volksvreemde islam.
Het gedachtegoed van Fortuyn zorgde op veel fronten voor een spectaculaire omkeer. In 1998 waren vijf op de tien burgers van Nederland de mening toegedaan dat leden van etnische minderheden vaker misdaden plegen dan autochtonen, enkele jaren later zijn dat er zeven op de tien. De verbinding van criminaliteit met allochtonen is niet langer taboe. In 1998 waren politieke partijen nog eensgezind dat “racisme en discriminatie” de oorzaak zijn van de achterstandpositie van personen behorend tot de culturele minderheden. In 2003 is deze mening honderdtachtig graden gedraaid en zijn de partijen bijna net zo eensgezind in het toeschrijven van de achterstand aan het gebrek aan inspanning van allochtonen om te integreren. Aan de dogma’s en fundamenten die de basis van het multiculturalisme vormen, werd en wordt steeds meer getwijfeld. Een verklaring voor de ommekeer in Nederland wordt gezien in elf september en het optreden van Fortuyn. Pels’ denkbiografie maakt duidelijk hoe het optreden van Fortuyn zoveel effect kon bewerkstelligen.
Dit bericht werd geplaatst op 5 oktober, 2007 bij 8:19 en is ingedeeld onder Uncategorized. Getagged: fortuyn, liberalisme, socialisme, vorming. Je kunt reactie's op dit bericht volgen door RSS 2.0 feed. Je kunt laat een reactie achter, of trackback van je eigen site.

















