Vraaggesprek met Terza Posizione
Geplaatst door drietand op 16 oktober, 2007
Terza Posizione spreekt!
Vraaggesprek met Walter Spedicato en Gabriele Adinolfi oorspronkelijk verschenen in het werk “l’Editeur emprisonné”, gepubliceerd door Jean-Gilles Malliarakis (La Librairie Française, Parijs, 1985). In het boek was om veiligheidsredenen de naam van Walter Spedicato officieel vervangen door die van Roberto Fiore.
Vraag: Wanneer en door wie werd de beweging Terza Posizione [Derde Positie] gesticht?
Antwoord: Terza Posizione ontstond in januari 1978 als het logische vervolg op de groep Lotta Studentesca die wij hadden gesticht in februari 1976 en die vele tientallen middelbare scholieren en studenten verenigde. Aan het einde van een massale wervingsperiode en een vooruitgang op het nationale vlak hebben wij besloten de groep te reorganiseren door hem een naam te geven die beter ons programma en onze ambitie weerspiegelde om in andere kringen door te dringen. De gekozen benaming, Terza Posizione, is in feite van peronistische oorsprong. In onze ogen vertegenwoordigde het peronisme, vooral in zijn beginfase, een van de zeldzame naoorlogse verschijnselen die tegen de stroom ingingen, want het wist de behoefte van nationale eigenheid te verzoenen met die van sociale rechtvaardigheid. Het blijft bovendien een politiek model voor de Latijns-Amerikaanse strijd tegen het Yankee imperialisme. Buiten een na 1945 teneergeslagen Europa zagen wij in de nationaal-populaire bewegingen van Latijns Amerika de enige verzetshaarden tegen het Amerikaans-Russische condominium. De kracht van de propaganda en de logica van het systeem – die de verdeling binnen het volk onderhielden en de tegenstellingen met starre schema’s voedden – stellen Terza Posizione voor als de uiterste randgroep van uiterst rechts. Zo werd haar de enige plaats ontzegd die haar past en die haar rechtmatig toekomt: “elders”.
Vraag: Kunnen jullie enkele voorbeelden geven van de politieke strijd gevoerd door TP?
Antwoord: Van 1978 tot 1980 waren wij zeer actief in de lycea en de wijken, in het bijzonder in Rome, waar we een dagelijkse militante strijd voerden. Wij hebben ook episodisch gewerkt in het landelijke milieu. Het interessantste voorbeeld van onze actie wordt geleverd in de zeer volkse wijk van Rome, Palmarola, waar wij de strijd tegen het cliëntelisme van de communistische junta hebben ontketend. We hebben daar de leiding genomen van de volksagitatie tegen een wet die de wijkbewoners in feite het recht ontzei huizen te bouwen op terreinen die hun toebehoorden. Heel officieel links – ongerust over ons succes – heeft toen een geweldige lastercampagne tegen ons in het werk gesteld. Een van de redenen voor de repressie die wij hebben ondergaan, is zeker de reactie van de PCI [Partito Comunista Italiano] en haar satellieten tegen onze onbetwistbare deelname aan een volksopstand die zij wilden monopoliseren om hem te verraden.
Vraag: Wanneer, hoe en waarom is de repressie tegen TP ontketend?
Antwoord: De eerste repressiegolf had plaats op 28 augustus 1980: een arrestatiebevel werd uitgevaardigd tegen 28 militanten, intellectuelen enz. van radicaal rechts voor de absurde beschuldiging – die trouwens sindsdien in het water is gevallen – van medeplichtigheid aan de bomaanslag in Bologna. Op 10 september van hetzelfde jaar werd onze kameraad Francesco Mangiamelli, verantwoordelijke van TP voor Sicilië, vermoord in omstandigheden waar we later op zullen terugkomen. Die misdaad werd op dat ogenblik niet opgeëist. De tweede repressiegolf deed zich voor op 23 september 1980 en was het werk – deze keer – van de DIGOS, d.w.z. de politieke politie. Voor de stad Rome alleen tekende men tegen TP 150 huiszoekingen, 109 aanklachten en 38 arrestatiebevelen op. Allemaal op bevel van Guardata, een onderzoeksrechter bekend voor zijn sympathieën voor de communistische partij. Op 5 oktober werd onze kameraad Nanni de Angelis dood teruggevonden in een cel van de Romeinse gevangenis Rebibbia, slechts enkele uren na zijn opsluiting. De lijkschouwing onthulde sporen van slagen in het gezicht en de nek. Hoewel we aanvankelijk vastgehouden werden en beschuldigd van talloze misdrijven, zijn we maar zeer recentelijk veroordeeld: in maart 1985. De einduitspraak heeft het merendeel van de beschuldigingen nietig verklaard – in het bijzonder die van “subversieve vereniging” [cursivering van de auteur]. Talloze militanten van TP zijn vrijgesproken, maar pas na vierenhalf jaar in de gevangenis te hebben doorgebracht bij wijze van voorhechtenis. Maar ondanks dat alles zijn velen onder ons veroordeeld tot straffen van meerdere jaren voor “politieke samenzwering”(!). Het schandaligste geval is dat van Marcello de Angelis. Men heeft hem nooit vergeven dat hij hier zelfs over de hele lijn berecht en vrijgesproken is en dat het Engelse gerecht geweigerd heeft hem uit te leveren. Meer nog: men heeft hem nooit vergeven dat hij zijn aanklacht voor de moord op zijn broer Nanni niet heeft ingetrokken. Het waarom van de repressie is gemakkelijk te begrijpen. Wij hadden de PCI tegen ons wegens de actie in Palmarola en het uiterst rechts verbonden aan de loge P2 wegens onze revolutionaire rol. We brachten het monopolie in gevaar van bepaalde kringen – verbonden aan die loge – op het militante uiterst rechts. Kortom, ons veroordelen liet het systeem toe zich op te dringen als scheidsrechter, aangezien het had beslist aan het andere [politieke] uiterste Autonomia Operaia uit te schakelen.
Vraag: In Bologna vindt op dit ogenblik het proces plaats tegen de nummer twee van SISMI, generaal Musumeci, die in het bijzonder beschuldigd wordt van het maken van vals bewijsmateriaal tegen jullie, de beschuldigden van het bloedbad in Bologna. Hoe verklaren jullie die hardnekkigheid tegenover jullie?
Antwoord: Musumeci, lid van de loge P2, wou de onderzoeken die naar zijn medeplichtige Gelli leiden op een dwaalspoor brengen. Hij had dus nood aan zondebokken en in die zin zouden wij zelfs per toeval gekozen kunnen zijn. Maar zijn hardnekkigheid heeft een andere verklaring. Sinds vele jaren zijn de kringen van uiterst rechts geïnfiltreerd door agenten van de geheime diensten en de loge P2. Maar onze generatie – de grote meerderheid van de militanten van TP en radicaal rechts is geboren tussen 1950 en 1960 – is door haar originele politieke keuzen, het autonome karakter van haar structuren en haar verschillende ingesteldheid ontsnapt aan de controle van het klassieke uiterst rechts. Zeer vlug hebben de pro-Amerikaanse kringen van rechts het gevaar doorgekregen dat wij voorstelden. Als men daaraan toevoegt dat de mannen van de loge P2 aan het hoofd van de geheime diensten zijn gekozen met de goedkeuring van de communistische senator Pecchioli – “Minister van Binnenlandse Zaken” in de schaduwregering van de PCI – en dat de PCI openlijk vijandig is tegenover ons sinds wij de taboes van haar monopolie op het sociale vraagstuk hebben doorbroken, dan heeft men de elementen van het antwoord.

Vraag: De repressie in Italië is – zoals men weet – meedogenloos, dikwijls onmenselijk en houdt nauwelijks rekening met de rechten van de verdediging. Kunnen jullie ons enkele voorbeelden geven met betrekking tot dit onderwerp?
Antwoord: Wat staat in het dossier dat jullie verzameld hebben, lijkt ons voldoende om een idee te krijgen van de methoden gebruikt door de Italiaanse overheid. Wij zouden liever willen praten over de politiek-gerechtelijke tactiek van morele vernietiging die sinds enkele jaren in het werk gesteld is. Men moet om te beginnen weten dat de eindeloze voorhechtenis en de beschuldiging van “morele medewerking” minder dienen om de gevangenen te straffen, dan wel om degenen die nog in vrijheid zijn te ontmoedigen eender welke politieke activiteit voort te zetten. De niet gevangen militant wordt zo voor het volgende dilemma geplaatst: ofwel elke activiteit opgeven, ofwel tot de gewapende strijd overgaan. Een andere echt walgelijke praktijk ten tijde van de zware repressie verdient aangeklaagd te worden: vele advocaten bekend voor hun politieke engagement zijn zelf ook opgesloten. (Het meest tot voorbeeld strekkende geval is dat van Marcantonio Bezicheri: de Bolognese verdediger van rechts-radicale gevangenen. Hij heeft vroeger Freda verdedigd en zelf bijna twee jaar in de gevangenis doorgebracht.) Men heeft zo de politieke opposanten willen ontmoedigen en de beschuldigden “normale” advocaten willen opdringen die hun de politieke demobilisatie en een zuiver individuele verdediging aanraadden, zeer dikwijls ten nadele van de andere beschuldigden. Men moet ten slotte onderstrepen dat enkele belangrijke personen van de radicale oppositie tegen het systeem politiek uitgeschakeld worden en dat tegen hen alle middelen goed zijn: dat is het geval van Franco Giorgio Freda, opgesloten sinds het jaar 1971 en Clemente Graziani, de leider van de Movimento Politico Ordine Nuovo [Politieke Beweging Nieuwe Orde] die sinds jaren in ballingschap leeft. Hij is eerst veroordeeld voor “heroprichting van de ontbonden fascistische partij”, dan voor “heroprichting van de heroprichting” (sic) en ten slotte aan het einde van een echte gerechtelijke klucht bij verstek tot levenslange opsluiting. Om niet te spreken over Mario Tutti en Pierluigi Concutelli die sinds jaren opgesloten zijn in de duistere “afdelingen van de dood”, de gevangenisafdelingen voor de zwaarste gevangenen.
Vraag: Jullie spreken over repressie. Maar het is onloochenbaar dat Italië “loden jaren” gekend heeft met vele honderden doden, de gewapende strijd, het blinde terrorisme. Rechtvaardigt een uitzonderingstoestand geen uitzonderingswetgeving?
Antwoord: Dat is waar in theorie. Maar men moet verscheidene fundamentele dingen onderstrepen. In de eerste plaats heeft de politieke klasse aan de macht lange tijd met het terrorisme gewerkt. Het dacht het te kunnen gebruiken om haar eigen onderlinge gevechten te regelen: zij heeft het beschermd en gevoed tot op het ogenblik dat het met de verschijning van de “gewapende partij” van Brigate Rosse [Rode Brigaden] te sterk is geworden. In de tweede plaats is de waaier van het terrorisme het ideale alibi geworden om alle echte politieke oppositiekrachten te verstikken en te criminaliseren. Ook oppositiekrachten die niet veel te zien hadden met het terrorisme. In de derde plaats stellen wij dat heel het repressieve systeem werd uitgedacht en in het werk gesteld om de radicale opposanten het meest te verbitteren en zo bij enkelen onder hen een gewelddadige reactie uit te lokken. Hoewel de reactie het werk was van een minderheid en het gevolg van de repressie, geeft ze de indruk – voor de Fransen bijvoorbeeld – van een voorafbestaande (in werkelijkheid onbestaande) sympathie voor de gewapende strijd bij de politieke organisaties van die verbitterde militanten. Bijna heel de “terroristische” generatie van het laatste uur (1981-1982) is voortgebracht door dat manoeuvre van het systeem. Ten slotte: als het waar is dat het Italiaanse gezag enkel heeft willen reageren met uitzonderingsmaatregelen op een uitzonderingstoestand, dan zou het dat moeten bewijzen nu we zijn teruggekeerd naar de normaliteit. Het zou – zoniet de amnestie – op zijn minst belangrijke strafverminderingen moeten uitvaardigen. Welnu, men is getuige van de poging tot geleidelijke psychische en fysieke vernietiging van de politieke gevangenen en de straffen zijn nooit zo zwaar geweest als nu…
Vraag: Welke is jullie analyse van de geboorte van het terrorisme in Italië?
Antwoord: Naar onze mening heeft het terrorisme verscheidene oorzaken. Om te beginnen heeft een gehard uiterst links (clandestien werktuig van de PCI en haar structuren zoals de Gruppi di Azione Partigiana) het leven geschonken aan de Brigate Rosse: een clandestien leger ter verdediging en ten tegenaanval, ingeval er zich een reactionaire of pro-Amerikaanse staatsgreep zou hebben voorgedaan. Een hypothese die toen gegrond was. Daarna hebben de Rode Brigaden hun zelfstandigheid verworven. Ze voedden zich met allerhande mythes (de guerrillero, mei ’68, Che Guevara, de Vietcong) en werkten een strategie van opstand uit. Ten slotte hadden de PCI, de MSI en hun uitvoerenden de jongeren aangespoord tot een bloedige botsing. De mythe van de partizaan en de oude haat van de burgeroorlog werden aangewakkerd om de gistingen van de opstand beter terug te winnen ten voordele van het systeem. Jarenlang heeft het bloed alle dagen gevloeid en hebben wij in een buitengewone politieke en psychologische atmosfeer geleefd; onbegrijpelijk voor degenen die het niet gekend hebben. Om er een vaag idee van te geven aan Fransen kan men misschien de jaren van de OAS in herinnering brengen.

Vraag: Wat zijn de Gewapende Revolutionaire Kernen en wat is jullie houding tegenover hen?
Antwoord: Om te beginnen moet men zeggen dat de NAR [Nuclei Armati Rivoluzionari] nooit een gestructureerde clandestiene organisatie zijn geweest. Om het ontstaan van dat verschijnsel uit te leggen moet men weten dat in het midden van de jaren ’70 uiterst linkse paramilitaire formaties hun kandidaat-militanten onderwierpen aan een toegangsexamen dat bestond uit het gaan doden van een fascist of iemand als dusdanig beschouwd. Radicaal rechts heeft natuurlijk gereageerd door verscheidene gewelddadige acties te signeren met een spookafkorting, NAR om precies te zijn. In dezelfde tijd had de macht – om de oude strategie van de “tegengestelde opposities” te herlanceren – een rechts terrorisme nodig en het heeft alles gedaan om het te scheppen. In het begin hebben speciale secties van de politie enkele jonge militanten wapens aangeboden en doelwitten gesuggereerd, maar dat manoeuvre is mislukt. Daarna zijn ter rechterzijde de theoretici van de gewapende strijd tegen de staat verschenen. Wij zijn er gelukkig in geslaagd geen bloed te laten vloeien tijdens de “bendeoorlogen”. Wij hebben altijd die strategie afgekeurd, omdat ze ons sinister, suïcidaal en verdacht leek. We hebben geen ongelijk gekregen, aangezien vandaag enkele van de allereerste voorstanders van de gewapende strijd ter “rechterzijde” spijtoptanten zijn. Ze vertellen dat ze vertrouwenspersonen van Gelli, chef van de loge P2, geweest zijn of ze scheppen op over de moord op onze kameraad Francesco Mangiamelli. Hij stond van bij het begin vijandig tegenover hun strategie, die eruit bestond TP te desorganiseren en onze jongste militanten tot extreme daden aan te sporen. Concreet ging het dikwijls om agents provocateurs, omgekochte verraders, soms onevenwichtige figuren die in gewapende zelfverdedigingsgroepen opgenomen werden om hen suïcidale acties te laten vervullen. Die analyse betreft maar een klein aantal personen en is maar geldig tot de ontketening van de meedogenloze repressie in augustus-september 1980. Daarna hebben grootmoedige, dappere, maar verbitterde jongeren namens de NAR gehandeld. Zij hebben enkel de moord op hun kameraden door de politie willen wreken. Die jongeren hebben het groepje van de eerste NAR vervoegd en hebben niets te zien met de eerder aangeklaagde verdachte manoeuvres. Wij hebben hun reactie altijd suïcidaal gevonden, maar die jongeren hebben – moreel en existentieel – aangetoond dat het een mooie zelfmoord was. Zij hebben alléén een oorlog tegen heel de wereld gevoerd en verdienen achting en eerbied. In elk geval zou het analyseren op beknopte wijze – door iedereen over één kam te scheren – van een dergelijk complex en geworteld verschijnsel als de gewapende strijd een zeer gevaarlijke vergissing zijn. Een dergelijke analyse wordt gesuggereerd en bevorderd door de macht en aanvaard door de televisiekijkende huismussen. Ze kan alleen verworpen worden door degenen die een goede kennis van de politieke verschijnselen hebben. Men kan tot besluit zeggen dat de generatie van de jaren ’70 niet meer wou horen spreken van politieke partijen – zowel de MSI als de PCI – noch van bepaalde door de macht gemanipuleerde buitenparlementaire organisaties. Zij zagen dan ook hun troepen verminderen. Door de meest extremistische elementen van de jeugd aan te sporen tot de gewapende strijd heeft men zo de criminalisering van de “niet-omkaderde” generatie bekomen. Dat alles alvorens haar af te slachten en naar speciale gevangenissen te verbannen met natuurlijk het alibi van de noodtoestand, te wijten aan het “terroristische gevaar”.
Vraag: Wanneer jullie het terrorisme analyseren, lijken jullie te spreken over “normale” dingen, maar tientallen mensen zijn gedood: journalisten, politieagenten, industriëlen of magistraten. Dat lijkt jullie niet onder de indruk te brengen?
Antwoord: Het is zeker gruwelijk dat menselijke wezens zijn vermoord alleen wegens de functie die ze vervulden, abstract van wie ze overigens waren. Als de terroristen in het algemeen mensen getroffen hadden die zich hardnekkig hadden getoond in hun repressieve ijver, dan is het ook waar dat zij soms mensen gedood hebben wier enige schuld het was bijvoorbeeld een uniform van rijkswachter te dragen of een staatsambtenaar te zijn. In dat geval gaat het in onze ogen om zuivere waanzin, voortgebracht door een lange haatcampagne en een vergiftiging van de geesten door de ideologie. Maar wij mogen ons evenmin onder de indruk laten brengen door de retorische campagnes van de media. Het is onjuist om de slachtoffers van het terrorisme blind te idealiseren of te heiligen en de “terroristen” stelselmatig te “demoniseren”. Laat ons niet vergeten dat bijvoorbeeld een terrorist die een politieagent doodt in Italië levenslang riskeert, terwijl een politieman die een terrorist doodt een mooie promotie “riskeert”… Laat ons ten slotte niet vergeten dat buiten degenen over wie u spreekt, velen zijn gestorven in vuurgevechten in dewelke men doodt of gedood wordt. Op het politieke vlak heeft het terrorisme alleen maar ongewild de staat versterkt en letterlijk bijgedragen tot het “verbranden” van een hele generatie. Maar het proces maken van het terrorisme is ook het proces maken van degenen die het hebben uitgelokt en gevoed. De laatsten hebben – anders dan de terroristen – nooit veel geriskeerd op enkele uitzonderingen na. Wij spreken over politici die geprofiteerd hebben van de noodtoestand door politieagenten – voor enkele duiten gerekruteerd onder de werklozen – alle risico’s te laten nemen. De politici beschouwden politieagenten als kanonnenvlees. Men kan niet hetzelfde zeggen van de speciale secties die in het algemeen naargelang de politieke overtuigingen rekruteren en die het Italiaanse evenbeeld zijn van de geheime agenten en de Franse SAC.
Vraag: Jullie spreken over het terrorisme in Italië als over een beëindigd verschijnsel. Maar vorig jaar op kerstavond is er opnieuw een moordende aanslag gepleegd in een trein. Wie is verantwoordelijk voor de “strategie van de spanning”?
Antwoord: Het terrorisme begrepen als gewapende strijd gevoerd door extremistische formaties is naar onze mening overwonnen. De zeldzame geïsoleerde acties van de laatste Rode Brigaden zullen daar niets aan veranderen. De blinde bloedbaden met bommen zijn iets heel anders. Hoewel [natuurlijk] enorm, zijn de verantwoordelijkheden van de politieke klasse inzake terrorisme er niet minder indirect voor. De strategie van het bloedbad of van de spanning daarentegen is direct in het werk gesteld door de apparaten van de macht. Het is moeilijk om dat uit te leggen aan Fransen die de complexiteit niet kennen en de extreme fragmentatie van de Italiaanse macht die bestaat uit verschillende meer of minder duistere centrales in eeuwige concurrentie. De geldschieters en de uitvoerenden van de bloedbaden zijn mannen van de macht volgens het geval behorend tot de Italiaanse geheime diensten of tot bepaalde buitenlandse geheime diensten, tot de parallelle structuren van het Ministerie van Binnenlandse Zaken of het Ministerie van Landsverdediging, tot vrijmetselaarsloges als P2. De doelen van de bloedbaden zijn meervoudig en werken met meerdere registers. Het onmiddellijke effect van de bloedbaden wettigt zuiveringen en wijzigingen in de slapende staatsapparaten, met als gevolg de versterking van één machtsgroep ten nadele van een andere. De bloedbaden worden bovendien opgenomen in “hellende” strategieën: ze kunnen evengoed de weg voor een project van staatsgreep voorbereiden als hetzelfde project onschadelijk maken. Ze scheppen een noodtoestand – die eindigt door de norm te worden en laat gemakkelijker toe systeembedreigende sociale en politieke gistingen teniet te doen. Zoals het terrorisme dienden de bloedbaden om bij de publieke opinie de geleidelijke goedkeuring van volmachten en de blinde repressie te rechtvaardigen. De bloedbaden zullen misschien alleen eindigen, wanneer één machtscentrum alle andere gefagocyteerd [opgegeten] zal hebben of natuurlijk in geval van revolutie.
Vraag: Militanten die vroeger meedogenloos in de straten vochten, hebben elkaar zij aan zij teruggevonden in de gevangenis. Heeft dat bijgedragen tot het ontspannen van de toestand? Wat denken jullie nu van de uiterst linkse groepen?
Antwoord: Wij zouden u willen antwoorden met een feit dat zich onverwacht voordeed in 1984 en dat meer zegt dan een lang betoog. Tijdens een proces hebben enkele verantwoordelijken van de ontbonden [uiterst linkse] organisatie Prima Linea voor de rechtbank een verklaring voorgelezen betreffende de slechte gezondheidstoestand van Pierluigi Concutelli, de vroegere baas van de “militaire tak” van Ordine Nuovo, die veroordeeld was tot levenslange opsluiting. Enkele dagen later weigerde een groep politieke gevangenen – vermoedelijke leden van de NAR – het voedsel dat hun opgediend was om te protesteren tegen het isolement waaraan Giovani Senzani, “ideoloog” van de BR, onderworpen was. Dat is het teken van een ontwikkeling die verder kan gaan… Wat de buitenparlementaire linkse formaties betreft, hebben wij altijd beweerd dat de logica van de botsing met hen dom was en alleen voor het systeem nuttig. Maar er is in Italië een heel verstard en bekrompen links dat de PCI omvat en de partijtjes die haar het hof maken. Dat links is van geen enkel belang. Wij volgen daarentegen met aandacht de ontwikkeling van radicaal links – voortgekomen uit mei ’68 – dat de “autonome” beweging van 1977 bezielt. Dat links wist immers te vernieuwen, zowel op theoretisch als op praktisch vlak.
Vraag: Waar is Terza Posizione tegenwoordig? Wat achten jullie nu noodzakelijk te doen?
Antwoord: Terza Posizione bestaat nu niet meer als georganiseerde beweging. Maar TP bestaat nog altijd als politiek en menselijk referentiepunt, als ideële gemeenschap. Ons fundamentele doel is voortaan de vorming van een revolutionaire voorhoede. Maar wij willen ook aanwezig zijn in alle oppositionele gistingen tegen de totalitaire praktijken van het Italiaanse systeem, om uit de tunnel van de repressie te komen en ruimten voor politieke uitdrukking te bekomen. Dat is op dit ogenblik verboden voor alle krachten die niet van het systeem of zijn satellieten afhangen. Wanneer die voorwaarden verenigd zullen zijn, zal men kunnen spreken van nieuwe perspectieven. Misschien zullen revolutionaire voorwaarden verschijnen, die van een ontmoeting tussen de dynamiek van de geschiedenis en de vormende krachten die haar overstijgen. Een ontmoeting die steeds het leven geeft aan authentiek revolutionaire verschijnselen, helemaal origineel en volkomen ondenkbaar vandaag.

[Vertaald uit: ADINOLFI, Gabriele, Nos belles années de plomb. La droite radicale dans l’orage de la lutte armée et de l’exil, Parijs, L’Aencre, 2004.]

















