Aan gene zijde van de mensenrechten
Geplaatst door voorhoede op 27 januari, 2008
Inleiding
Men vraagt zich wel eens af wat Europa de wereld heeft bijgebracht, wat zijn specifiek kenmerk is. En het beste antwoord op deze vraag is wellicht: het begrip objectiviteit. Al het andere vloeit daaruit voort: de idee van de persoon en van de vrijheid van de persoon; het algemeen belang in zoverre dat zich van het persoonlijk belang onderscheidt; het recht als een zoeken naar gerechtigheid (wat het tegengestelde betekent van wraak); de ethiek van de wetenschap en het respect voor de empirische gegevens; het filosofische denken voor zover het zich kan losmaken van een geloof en de filosoof in volle vrijheid laat nadenken over de wereld en de waarheid; de geest van distantie en de mogelijkheid van zelfkritiek; de bereidheid tot dialoog; en tenslotte het begrip waarheid zelf.
Het universalisme is een corruptie van de objectiviteit. Daar waar de objectiviteit wordt bereikt vanuit het particuliere, beweert het universalisme de particulariteit te definiëren vanuit een arbitrair geponeerd abstract begrip. In plaats van het ‘behoren’, het ‘moeten zijn’ af te leiden uit het zijn, gaat het omgekeerd te werk. Het universalisme vertrekt niet vanuit een objectieve benadering van de dingen, maar vanuit een wankele abstractie waaruit een kennis van de natuur van de dingen zou volgen. Het is de omgekeerd symmetrische denkfout van de metafysica van de subjectiviteit, die het goede herleidt tot ‘wat goed is voor mij’ of ‘goed is voor ons’, en het ware tot het innerlijke. De Europese traditie heeft altijd de noodzaak beklemtoond voor de mens om tegen de onmiddellijke subjectiviteit te vechten. Heel de geschiedenis van de moderniteit, zegt Heidegger, is de geschiedenis van de ontplooiing van de metafysica van de subjectiviteit.
Het subjectivisme leidt noodzakelijkerwijs naar het relativisme (alles is even goed), en sluit aldus aan bij de egalitaire conclusie van het universalisme (allen zijn even goed). Het relativisme kan slechts de bovenhand halen door het arbitraire van het ik (of van het wij): mijn gezichtspunt is het belangrijkst omdat dat het mijne is (of het onze). De begrippen recht en gemeenschappelijk belang verliezen zo elke betekenis. De ideologie van de mensenrechten is een combinatie van deze beide denkfouten. Zij is universalistisch in de mate dat ze zich overal opdringt zonder ook maar rekening te houden met tradities of context of met het feit dat de mens ergens deel van uitmaakt. Zij is subjectivistisch in de mate dat ze die rechten definieert als subjectieve attributen van het individu.
“De onschendbaarheid van de mensenrechten, schrijft Marcel Gauchet, is ongetwijfeld het belangrijkste ideologische en politieke feit van de laatste twintig jaar” (1). En hij voegt eraan toe dat de mensenrechten “het ideologisch zwaartepunt” geworden zijn van alles wat we nu beleven. Zij willen opdringerig de plaats innemen van elk politiek en sociaal discours dat voorheen steunde op begrippen die vandaag versleten of gediscrediteerd zijn (traditie, natie, vooruitgang, revolutie), ze willen het enige kompas zijn in een gedesoriënteerde tijd, een minimale moraal bieden aan een ontredderde wereld. Ze zijn “de morele horizon van onze tijd”, naar de woorden van Robert Badinter. Zij moeten “de grondslagen worden van alle samenlevingen”, voegt Kofi Annan eraan toe. Ze bevatten “in kiem het concept van een echte wereldregering”, stelt Jean Daniel vast.
Ze zijn zelfs meer dan dat. Omdat ze berusten op tot ‘evidentie’ verklaarde stellingen (“we hold these truths to be self evident” stond al in de Amerikaanse Verklaring van juli 1776), dienen ze zich aan als de nieuwe Tien Geboden. Als nieuw grondvest van de wereldorde zouden ze een onaantastbaar karakter hebben. Aldus konden de mensenrechten gedefinieerd worden als “de religie van de mensheid” (Nadine Gordimer), als “een seculiere wereldgodsdienst” (Elie Wiesel). Of zoals Régis Debray het schreef, ze zijn “de meest recente van onze burgerlijke religies, de ziel van een zielloze wereld” (2).
Een evidentie is van dezelfde orde als een dogma: daarover wordt niet gediscussieerd. Daarom lijkt het vandaag de dag even onfatsoenlijk, even heiligschennend en schandelijk om de ideologie van de mensenrechten te kritiseren als het destijds was om te twijfelen aan het bestaan van God. Zoals elke godsdienst zoekt het discours van de mensenrechten zijn dogma’s voor te stellen als zovele absoluten waarover men niet kan redetwisten zonder uitermate dom, oneerlijk, kwaadwillig te zijn. Door de mensenrechten voor te stellen als ‘menselijke’ rechten, als ‘universele’ rechten, onttrekt men ze noodzakelijkerwijs aan elke kritiek – dat wil zeggen aan het recht om ze in vraag te stellen – en tegelijkertijd plaatst men impliciet de tegenstanders ervan buiten de mensheid, vermits men, wil men zelf mens blijven, geen kritiek mag hebben op wie in naam van de mensheid spreekt. En tenslotte, zoals de gelovigen het destijds als hun plicht zagen ‘ongelovigen’ met alle middelen te bekeren, zo aanzien de aanhangers van het credo van de mensenrechten zich als legitiem bekleed met de opdracht de principes ervan op te leggen aan de hele wereld. Theoretisch gefundeerd op het principe van de verdraagzaamheid, blijkt de ideologie van de mensenrechten draagster te zijn van de meest extreme onverdraagzaamheid, de meest absolute afwijzing. De verklaringen van de mensenrechten zijn niet zozeer liefdesverklaringen als wel oorlogsverklaringen.
Vandaag de dag heeft het discours van de mensenrechten niet alleen tot doel een vervangingsideologie te leveren na het verdwijnen van de ‘grote verhalen’. Door te trachten een particuliere morele norm op te leggen aan alle volken, wil het aan het Westen zijn zuiver geweten terugschenken, door zichzelf nog maar eens als model op te werpen en door hen die dat model weigeren als ‘barbaren’ af te schilderen. In de geschiedenis zijn ‘de rechten’ maar al te vaak niets anders geweest dan hetgeen de meesters van de dominerende ideologie beslist hadden als dusdanig te definiëren. Gekoppeld aan de verspreiding van de markteconomie vormt het discours van de mensenrechten het ideologische kader van de globalisering. Het is in de eerste plaats een instrument om te domineren, en moet als dusdanig worden gezien.
Overal moeten de mensen tirannie en verdrukking bekampen. De ideologie van de mensenrechten betwisten staat allerminst gelijk met pleiten voor despotisme, maar is integendeel de beste remedie tegen despotisme. Want het betekent de vraag stellen naar de geldigheid van de grondslagen van deze theorie, naar het nomologisch statuut van deze rechten, naar de mogelijkheden tot instrumentalisering waarvan ze het voorwerp kunnen zijn. Het betekent ook een andere oplossing voorstellen.
De vrijheid is een kardinale waarde. Zij is de essentie van de waarheid. Ze moet daarom uit de valkuilen van het universalisme en van het subjectivisme worden gehaald. Het is wel geen toeval dat de mensenrechten met zoveel overtuiging geproclameerd worden in een samenleving die steeds minder menselijk wordt, waarin de mensen zelf altijd meer voorwerpen worden, waarin de tot handelswaar verworden sociale betrekkingen overal nieuwe fenomenen van vervreemding creëren. Er zijn diverse mogelijkheden om de mensen respect en solidariteit te betonen. De kwestie van de vrijheden zal niet worden opgelost in termen van recht of moraal. Dat is in de eerste plaats een politieke kwestie. En die moet politiek worden opgelost.
Dit bericht werd geplaatst op 27 januari, 2008 bij 12:09 en is ingedeeld onder boeken, frankrijk, mensenrechten, metapolitiek. Getagged: de benoist, filosofie, grece, mensenrechten, metapolitiek, rechten, vorming. Je kunt reactie's op dit bericht volgen door RSS 2.0 feed. Je kunt laat een reactie achter, of trackback van je eigen site.


















