Nieuw-Solidaristisch Alternatief!

Het identitair en revolutionair verzet! – Weg van de Wetstraat, op naar de Volksstaat!

Van Indo-Europees tot Nederlands en Duits

Posted by drietand op 21 oktober, 2007

Ons verhaal start met het Sanskriet, een oude taal die meer dan 2000 jaar bewaard is gebleven

in het rituele taalgebruik van Indische priesters en geleerden. Het blijkt belangrijke gelijkenissen te vertonen met Grieks en Latijn. Daaruit kan men concluderen dat deze drie talen afstammen van dezelfde oertaal, namelijk het Indo-europees dat zich samen met nieuwe landbouwtechnieken verspreidde over Europa en Azië. Wetenschappelijk onderzoek waarvan de resultaten te lezen zijn in het wetenschappelijk tijdschrift ‘Nature’ van 27 november 2003 bevestigt dit: zo’n acht- tot tienduizend jaar geleden sprak de Indo-europese boerenbevolking het Hittitisch, de oudste tak van de Indo-europese talenstamboom. Het “geschreven” Hittitisch was gelukkig bewaard dankzij de archeologische vondst van zo’n tienduizend kleitabletten.

Het Indo-europees ontwikkelde zich in “satemtalen” (oostelijke groep) en “kentumtalen” (westelijke groep). “Kentum-Satem” heeft te maken met het telwoord “honderd”.

In sommige talen is het oorspronkelijke “Kentum” vervangen door “Satem”. Tot de satemtalen behoren ondermeer Balto-Slavisch, Indo-Iraans en Armeens. Tot de kentumtalen behoren Grieks, Italisch (bestaande uit het Osco-Umbrisch en het Latijn), Keltisch en de Germaanse talen. Die splitsing in de diverse taalgroepen vond dus reeds plaats lang voor onze jaartelling. Het “Oergermaans” splitste zich geleidelijk in drie groepen: het Noordgermaans (Deens, Zweeds, Noors, IJslands), het Oostgermaans (Gotisch, nu uitgestorven) en het Westgermaans (Fries, Engels en Continentaalgermaans). Ook het Continentaalgermaans splitste zich nog eens in drie groepen: 1) Middel- en Opperduits: later het Hoogduits. 2) Nedersaksisch: later het Platduits. 3) Nederfrankisch: later het Oudnederlands dat evolueerde tot Middelnederlands. Dit Middelnederlands werd “Diets” genoemd in Vlaanderen, “Duuts” genoemd in Brabant en Holland. Uit “Duuts” ontstond “Duyts” maar om verwarring met het Duits in Duitsland te vermijden werden vanaf ongeveer de 16de eeuw Nederlands en vooral Nederduits als benamingen gebruikt.

De eeuwenlange immigratie van Franken in Gallië, kende een hoogtepunt in de vijfde

eeuw NC, hetgeen leidde tot de verdringing van de Keltische cultuur en talen. In Gallia

Belgica had zich ondertussen een gemeenschappelijke “Germaanse taal” ontwikkeld,

die resulteerde in Nederfrankisch. Het Latijn bleef echter nog enkele eeuwen de (vooral geschreven) taal van de machtige clerus en het wereldse bestuur. “Gallia Belgica” was in de Romeinse tijd het hele gebied van de Lage Landen boven de Somme. Belgium is een Latijnse afleiding van deze benaming, die terug gebruikt werd door de humanisten als aanduiding voor De Nederlanden (België + Nederland). “Belgium” dat tegenwoordig op de truitjes van de Belgische nationale sportteams prijkt is dus niet van Engelse, maar van Latijnse afkomst. Omstreeks 700 NC evolueerde het Nederfrankisch geleidelijk tot “Oudnederlands”(Lingua Belgica). Het Nederlands is in feite ontstaan uit het West-Nederfrankisch, het Saksisch en het Fries, dat toen overigens gesproken werd langs de gehele Nederlandse, Vlaamse en Duitse Noordzeekust tot aan Denemarken toe. Het West-Nederfrankisch was evenwel het meest dominerende van deze drie dialecten in de vroege ontwikkeling van de Nederlandse taal, net zoals het Saksisch de dominante factor was in de ontwikkeling van het Nederduits, waarin het West-Nederfrankisch overigens nauwelijks een rol van betekenis speelde. Het Nederlands heeft zich dus uit een versmelting van de drie bovengenoemde West-Germaanse dialecten ontwikkeld.

Verkort weergegeven is dit de evolutie: Indo-europees → Oergermaans → Nederfrankisch → Oudnederlands → Middelnederlands (Diets/Duuts) → Nederduits → Nederlands

In de periode van ca. 700 tot 1150 kunnen we spreken van het Oudnederlands (met o.a. poëzie van Heinric van Veldeken). Na 1150 spreken we van het Middelnederlands (met een overwicht van Vlaanderen en Brabant). Na ca. 1500 wordt dit Nederduits. Na “De Spaanse Furie” en “De val van Antwerpen”, vluchtten er meer dan 200.000 Zuid-Nederlanders naar het noorden, waardoor het Hollands dat meer en meer de toon aangaf, beïnvloed werd door het Vlaams en het Brabants. In de 19e eeuw verdween de term Nederduits geleidelijk om plaats te maken voor “Nederlands”. Dit is duidelijk te merken in de vroege Vlaamse Beweging die in heel wat gevallen nog de verdediging op zich nam van wat het noemde “Nederduits”. Dit zou mee aan de basis liggen van het feit dat Diets de politieke bijbetekenis van “Grootnederlands” krijgt.

De eerste geschreven bronnen van onze taal, of althans de oudste bewaarde verzen werden geschreven door een verliefde Vlaamse monnik in de abdij van Rochester: “Hebban olla uogala nestas bigunnan hinase hic enda thu wat unbidan we nu”, wat betekent: Alle vogels zijn aan hun nesten begonnen behalve ik en jij wel waarop wachten wij. Er zijn nog enkele oudere zinnen of teksten, maar die hebben niet het hoge poëtische gehalte van “Hebban olla uogala…” De oudste geschreven zin in het Oudnederlands staat zin in de Lex Salica. De Salische wet was in het Latijn, maar ter verduidelijking kwamen er Frankische woorden in voor en dus ook dit zinnetje in het Oudnederlands: “Maltho thi afrio lito” wat staat voor “Ik zeg je: ik maak je vrij, halfvrije”.

Om even terug te komen op de termen Diets(ch) en Duits(ch). Diets / Duits zijn Germaanse woorden die “volk” betekenen. De oudste Nederlandse (en Duitse) vorm van het woord is “diut”. Dit leidde tot “diet” en “duut”, en tot de bijvoeglijk naamwoorden “diets” en “duuts”. Het is verwant met het Gotische woord “thiuda” met dezelfde betekenis. De oervorm was waarschijnlijk zoiets als “theodisc”. Hierin herkent men ook het Indo-europese woord voor god (theo), dit houdt waarschijnlijk verband met de stamgod (hoofdgod) waar ze zich misschien naar noemden. Bij de Kelten was de stamgod Toutatis (denk aan Asterix), bij de Grieken komt het voor als theos (god) en Zeus (de nominativus, de andere naamvallen zijn iets als Dios). Bij de Germanen waren Thor en Tiwaz (tyr, ziu) belangrijke goden. In al deze namen is theo te herkennen. De Germanen hebben zichzelf altijd Duitser, Dietser, Duutser enz… genoemd. Teutoons is eigenlijk een Latijnse verbastering van Deuts en door de Romeinen werden ze Germanen genoemd. Het Engels heeft het woord “Dutch” ontleend aan het Nederlands, maar dan wel in de tijd dat wij onze taal zelf nog met Duitsch of Dietsch aanduidden. Wie Middelnederlandse teksten bekijkt, zal het woord Nederlandsch daarin niet of nauwelijks aantreffen; het gewone woord was in die tijd zoals eerder gesteld Duuts of Diets, nadien ook wel Nederduits of Nederdiets. Het waren de aanduidingen voor de volkstaal tegenover het Frans of het Latijn.

Een historisch overblijfsel van de oorspronkelijke betekenis van “Duits” om naar het Nederlandse volk te verwijzen, en niet het Duitse volk, kan nog steeds in het Wilhelmus worden gezien: “Wilhelmus van Nassouwe Ben ick van Duytschen bloet, Den vaderlant getrouwe Blijf ick tot in den doet. Een Prince van Oraengien Ben ick vrij onverveert”. Het dateert van omstreeks 1568, geschreven door Philip Marnix van St. Aldegonde. Een van de eerste grammaticaboeken over de Nederlandse taal heet bijvoorbeeld Twe-spraack van de Nederduitsche letterkunst (1584), geschreven door Hendrik Laurensz Spiegel. En de opdracht van de Staten-Generaal in 1586 om een Statenvertaling te maken van de Bijbel luidde als volgt: “tot de oversettinge van den Bibel wte Hebreeuwsche in onse gemeene Duytse sprake” (tot vertaling van de bijbel uit het Hebreeuws in onze gewone volkstaal).

Maar het Duits behield zijn andere betekenis, en werd specifiek met betrekking tot de Nederlandse taal gebruikt tot in de 19de eeuw, wanneer de stilistische en semantische differentiatie van Diets en Duits zich definitief gaat aftekenen. Duits verwijst voortaan alleen naar de taal der Duitsers, Diets wordt in verheven stijl gebruikt voor de Nederlandse taal. Dit werd versterkt toen Pruisen ophield te bestaan en het Duitse eenmakingsproces startte. Duits was nu geen neutraal woord meer en kreeg zijn huidige betekenis. Vanzelfsprekend beschreef men het Nederlands sinds die tijd niet meer met Duits. Diets werd vereenzelvigd met Nederduits of Nederdiets terwijl Duits in feite steeds meer het Hoogduits betekende en de officiële taal van Duitsland werd. Het is niet correct te beweren dat het Nederlands in feite een Nederduits dialect is of was. Het Nederlands en het Nederduits vormen een zogenaamd dialectcontinuüm. Dit wil zeggen dat alle Nederlandse en Nederduitse dialecten van Zuid-Vlaanderen in het zuidwesten tot Oost-Pruisen in het noordoosten nagenoeg naadloos in elkaar overgingen. Hoe groter de afstand tussen deze dialecten, hoe moeilijker uiteraard om elkaar te begrijpen. Er is hier dus sprake van een geleidelijke verschuiving in de uitspraak en het gebruik van bepaalde woorden.

In de Vlaamse Beweging heeft vooral tijdens de 19de eeuw en begin de 20ste eeuw een stevige stroming bestaan die de Diets / Duitse verwantschap heeft benadrukt. Een aantal voorbeelden: in 1845 werd ‘De Broederband’ uitgegeven, een tijdschrift voor “Neder- en Hoogduitse letterkunde”. Het Vlaams-Duits Zangverbond o.l.v. Prudens Van Duyse zou rond 1846 trachten het culturele leven meer op Duitsland trachten te richten. In de periode 1840-1860 was er bij de flaminganten een wijd verspreidde sympathie voor Duitsland. Het pangermanisme in de Vlaamse Beweging van de 19de eeuw concentreerde zich vooral op de tegenstellingen tussen de Germaanse en Romaanse wereld, in veel gevallen met nadruk op zedelijke (bijv. geschiedschrijver J. Kervyn de Letenhove) of raciale Germaanse superioriteit (bijv. de Brusselse groep ‘Vlamingen Vooruit’). Meestal werd nog uitgegaan van Belgische eenheid en werd ook het Franstalige zuiden tot het Germaanse kamp gerekend. De Waalse flamingant Victor Delecourt wenste een kunstmatige Nederduitse eenheidstaal die een taaleenheid zou kunnen realiseren van Duinkerke tot in het Balticum. Ook was er vanuit Duitsland zelf een zekere interesse. De Duitse filoloog en dichter Hoffmann von Fallersleben had uitgebreide aandacht voor Vlaanderen en de Vlaamse Beweging, verder waren er enkele annexionisten zoals de Duitse dichter/politicus Ernst Moritz Arndt of uitgaves zoals ‘Der Pangermane’.

De Nederduitse beweging had meestal bitter weinig te maken met pangermanisme en was eerder gekant tegen de Duitse eenmaking op politiek en taalkundig vlak. Het Nederduitse of Hoogduitse streven was eerder een gevolg van het bewustzijn van minderwaardigheid door de confrontatie met de Franse wereldtaal waardoor men zich richtte op de machtige Duitse buur eerder dan het kleine Nederlandse taalgebied. Sommigen gingen daar zeer ver in, zoals bijvoorbeeld de Oostvlaamse industrieel Pierre Vermeire als schrijver van z’n ‘Verhandeling over de Vlaemsche Beweging’ uit 1858. Daarin stelde hij dat de Vlaamse dialecten in feite Germaanse dialecten waren die niet veel verschilden van het Hoogduits. Hij noemde de Vlamingen Duitsers met taal en ziel, en stuurde aan op het invoeren van het Hoogduits in middelbaar en hoger onderwijs. Nederlands was voor Vermeire geïmporteerd vanuit het noorden, vreemd aan Vlaanderen. Bovendien bemerkten heel wat vooraanstaanden in de Vlaamse Beweging een geestelijk verval in het noorden. Dat men het Nederlands dikwijls een vreemde taal bleef vinden, leidde ondermeer ook tot het ontstaan van het Westvlaams taalparticularisme met Guido Gezelle als protagonist.

Vanaf 1860 kende de Aldietse Beweging van Constant J. Hansen een opgang. Zij verdedigde de eenheid van de Nederduitse taal en het geloof in de Nederduitse volksgemeenschap. De Nederlanden werden daarbij als “West-Dietsland” beschouwd en het Platduitse gebied werd “Oost-Dietsland” genoemd. Voorts hield de AB goede contacten met de Nederduitse dichter Klaus Groth die een belagrijke bijdrage leverde aan de Nederduitse literatuur, en wou Hansen een eenheidsspelling voor het Nederduitse taalgebied. Maar er was weinig aanhang en enthousiasme in de Vlaamse Beweging, en de Duitse eenmaking maakte de voorstellen van Hansen en zijn AB steeds meer achterhaald of irreëel. De AB evolueerde naar een Heelnederlandse gedachte die hoogstens nog een taalkundige eenheid met Nederduitsland benadrukte. Vanaf ongeveer 1885 onderging Vlaanderen opnieuw verhoogde invloed op wetenschappelijk en cultureel vlak vanuit Duitsland. Het Duitse socialisme sijpelde door, Lodewijk de Raet werd beïnvloed door de toestand van de Duitse economie, Van Cauwelaert werd beïnvloed door Duitse nationalistische literatuur, de Duitse studentenbeweging legde in belangrijke mate de basis van het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond en de Blauwvoeterie van Rodenbach werd er door beïnvloed.

Zelfs raciaal pangermanisme dook terug op met ondermeer de kleine Vlaamse Volkspartij die in haar publicatie ‘Vlaamsch en Vrij’ ondermeer de Duitse antropoloog Otto Georg Amon aanhaalde die stelde dat er in België twee mensenrassen bestonden. In 1886 schreef de Duitser Graevell in dat zelfde tijdschrift dat de Vlamingen maar beter gans België konden veroveren en het Duits als centrale bestuurstaal invoeren, om een met Duitsland verbonden België te stichten. De meerderheid in de Vlaamse Beweging wees dit alles als té verregaand af. Zelfs de meest radicale vleugel in de Vlaamse Beweging die ondermeer onder auspiciën van Cyriel Verschaeve tot stand kwam keurde dit af omdat ze de Vlamingen wel als Germanen aanzag, maar niet als Duitsers. Eind 1898 verscheen het tijdschrift ‘Germania’ als een nieuwe poging tot Duits-Vlaamse toenadering. Hoewel het geen annexatie van Vlaanderen voorzag noch de Nederlandse taal wenste af te schaffen, verdedigde het toch het Alldeutscher Verband. Men wou beletten dat Neder- en Hoogduitsers opgeslorpt werden in andere volkeren en benadrukte de gelijkenissen op basis van ras en afstamming. Vlamingen werd gevraagd zich te richten op het Nederduits en samenwerking met het Duitse Rijk na te streven. Kort na de eeuwwisseling deemsterde ‘Germania’ weg, maar het ideeëngoed dat erin werd weergegeven beïnvloedde wel sommige activistische groepen in de Eerste Wereldoorlog.

Met deze oorlog was het politiek Vlaams-nationalisme definitief gevestigd, sloeg het een uitdrukkelijk anti-Belgische weg in en het pangermanisme zou pas met het nationaal-socialisme opnieuw opduiken. Vanaf oktober 1940 verscheen het oorspronkelijk Nederlands tijdschrift ‘Hamer’, in samenwerking met de Volksche Werkgemeenschap. Het was een völkisch, volkskundig maandblad dat het Germaans bewustzijn bij de lezers in het Nederlandse taalgebied wou aanscherpen. De discussie Diets – Duits leidde tijdens de Tweede Wereldoorlog tot heftige discussies binnen collaboratiekringen, waarbij de enen de uitdrukkelijke opname van Vlaanderen in het nationaal-socialistische Germaanse Rijk nastreefden (de DeVlag) terwijl anderen als Nieuwe Orde bewegingen de Vlaamse en Dietse eigenheid wensten te benadrukken t.a.v. de Duitsers (o.a. het VNV).

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

 
%d bloggers liken dit: