Nieuw-Solidaristisch Alternatief!

Het identitair en revolutionair verzet! – Weg van de Wetstraat, op naar de Volksstaat!

Archive for november, 2007

Film Jeunesses Identitaires

Posted by drietand op 29 november, 2007

Posted in Uncategorized | Getagged: , , , , | Leave a Comment »

Is Lijst Dedecker een Vlaamse propedofielenpartij?

Posted by drietand op 29 november, 2007

Enkele dagen geleden heeft het de mediatoeter van LDD, Jurgen Verstrepen, behaagd om een stukje over onze beweging te schrijven. Hij kwam al snel tot de conclusie dat we een nationaalsocialistische beweging zouden zijn. Dat was volgens hem overduidelijk af te leiden uit sommige van onze standpunten. Het N-SA is volgens mijnheer de volksvertegenwoordiger;

tegen de USA
tegen Israël
tegen kapitalisme en liberalisme
en voor het volk

Voor een gevormde politicus als Verstrepen is het natuurlijk een fluitje van een cent om daaruit af te leiden dat we naziefanaten zijn. Zijn verblijf bij het Vlaams Belang is hem duidelijk niet goed bekomen, want Jurgen ziet nu overal Nazie spoken. Nog al een geluk voor hem dat op het geld dat hij via die partij heeft verdiend geen swastika stond (je zou van minder een slag van de molen krijgen).

 

Op zijn blog kreeg Verstrepen direct bijval van ene Barth die zich blijkbaar bezighoudt met het opsporen van andersdenkenden, maar nu even zonder middelen van bestaan is wegens het wegvallen van Blokwatch. Deze Barth was vol lof over het stukje dat Verstrepen had geschreven, en beweerd dat hij de vuile praktijken van het N-SA al langer had ontdekt. Het is altijd ontroerend als twee soorten extremisten elkaar vinden, een extreem liberaal (Verstrepen) en een extreme antidemocraat (Barth van Blokwatch).

 

Een van onze N-SAstellingen dat extreemlinks en extreemkapitalisme perfect samenwerken is hiermee weer eens met behulp van beide protagonisten bewezen. De superintellectuelen van het Blok zullen mijn uitlatingen weer gewauwel noemen en een uiting van ‘Hermytisch’ zoals onze antivrijheidschrijver Barth het zo mooi wist te verwoorden op Jurgen zijn mediatoetertje. Je moet al zwaar aan het methadon zitten om mij mythische eigenschappen toe te dichten. Maar ik ben wel in staat om dezelfde dialectische en deductische methoden te gebruiken als onze Jurgen.

 

Als Verstrepen kan afleiden uit onze standpunten en acties dat we een bepaald gedachtegoed aanhangen of bepaalde dingen verdedigen, dan kan men dat ook doen ivm LDD. Wat denken jullie van deze: in 2002 ging de stichter en naamgever van Lijst Dedecker op bezoek bij de pedofiel, kinderverkrachter en moordenaar Dutroux. Geen enkel normaal mens zou het in zijn hoofd halen om deze smeerlap in zijn cel te gaan bezoeken. Laat staan een volksvertegenwoordiger die bij zijn volle verstand is. Maar Dedecker deed dat toch. Was dat uit sympathie? Had mijnheer de Depute soms begrip voor deze pedofiel? Wou hij deze pedofiel een hart onder de riem steken en hem steunen tijdens diens onmenselijke gevangenschap? Is het niet duidelijk dat een persoon (en zeker een mandataris) die pedofiele moordenaars gaat bezoeken duidelijk pro pedofilie is? Als deze volksvertegenwoordiger dan zijn eigen partij opricht (LDD), mogen we dan niet aannemen dat deze partij dan pro pedofilie is? Is LDD dus een propedopartij zoals er ook eentje in Nederland bestaat?

 

We zetten daar overal vraagtekens bij zoals mijnheer Verstrepen doet. Maar de vraag mag toch gesteld worden in een democratie, nietwaar kameraden?

 

Eddy Hermy,
N-SAcoördinator

Posted in Uncategorized | Getagged: , | Leave a Comment »

Het parlement …

Posted by drietand op 28 november, 2007

Posted in Uncategorized | Getagged: | Leave a Comment »

LDD of de overnameraid op het VB middenkader

Posted by drietand op 24 november, 2007

Het is al een tijdje zonneklaar, het door de leiding van het VB zo fel nagejaagde fata morgana van een Forza Flandria met Lijst Dedecker is aan het uitlopen op een forse overnamepoging door LDD van mandatarissen en bestuursleden van het VB. Voor het eerst reageert de voorzitter van het VB op de vijandelijke overnamepogingen in een commentaarstukje onder de titel “Eén Vlaams-nationale partij!” De voorzitter van het VB heeft nu opeens ontdekt dat zijn zo begeerde ex-Forzalief Jean-Marie niet al te zuiver in de leer is. Volgens de voorzitter van het VB is Jean- Marie geen echte separatist, neen hij is een draaikont. En met draaikonten wil het VB niks te maken hebben. Dat moet zeer verwarrend zijn voor de achterban van het VB. Vermits men daar al lang gewend is geraakt aan allerlei soorten draaikonten, of het nu Antwerpse zijn of Oostendse.

 

Na dat men al jaren Dedecker in de partij heeft opgevoerd als een echte compagnon de route inzake Vlaams onafhankelijkheid is hij dat nu plots niet meer. Na dat men het extreem ultraliberalisme van Dedecker ook in het VB is gaan promoten beroept de partij zich plots op een sociale reflex die bij LDD zou ontbreken maar hoog in het vaandel van het VB zou prijken. Nochtans is ook Dedecker sociaalvoelend want hij zegt dat hij voor het proletariaat is maar tegen het profitariaat. Met andere woorden, hij is voor het proletariaat als die braaf zijn, en hij is tegen hen als dat proletariaat de ultraliberale lusthof in vraag stelt. Is dat niet krek hetzelfde van wat het VB al jaren zegt? De voorzitter van het VB zegt dat zijn partij tegen een verdere invoer van immigranten is, en dat LDD daar een voorstander van is. Maar is het niet zo dat ook op het laatste sociaaleconomisch congres van het VB gepleit wordt om hoog opgeleide vreemdelingen in te voeren? Dat mogen er gerust enkele duizenden zijn volgens het VB, meer bepaald 10000 per jaar volgens de tekst van het congres.

 

Zeer verwarrend allemaal voor de militant en het middenkader. Kontdraaierij is een aparte discipline, en het werkt alleen maar zo lang het in donkere kamertjes gebeurt. Van zodra men die sport in het open daglicht van de politieke realiteit wil beoefenen kan het alleen maar leiden tot gewrichtsreuma. Als dan je object van je verleidingskunst (LDD) op een mooie dag besluit om er met de meubels vanonder te trekken vermits hij zo een beetje uitgekeken is op je kont dan rest je verder niks dan op de blaren te zitten. Nu je mensen oproepen om niet op de kontdraaierij van Dedecker in te gaan vermits het geen authentieke kont is maar een draaikont zal niet veel zoden aan de dijk brengen. Nu een beroep doen op de echte militanten is natuurlijk een beetje gênant, na dat de partij op vraag van onder andere Dedecker en zijn pion Jurgen eerst die echte militanten op een zijspoor heeft gezet. Heeft Dedecker niet meermaals gezegd dat hij wel een verbond met de partij of zelfs een lidmaatschap van de partij zag zitten als toch maar die kwaadaardige extremisten uitgezuiverd werden. En voor Jean-Marie zijn alle niet recupereerbare Vlaams Belangers nu extreemrechtse fascisten. Jean-Marie zijn tactiek was goed uitgekiend, er voor zorgen dat de VB-leiding zijn eigen achterban afslacht.

 

Schitterende gevechtstechniek moet ik zeggen. De leiding van het VB is zo makkelijk te manipuleren. Als links crapuul of in het geval van Dedecker extreemliberaal crapuul ergens een of andere extremist meent te weten in de partij, dan is de leiding van de partij er als de kippen bij om daar iets aan te doen. Snel, snel worden er een paar extremisten opgespoord om de linkse speurders en de liberale zeuren tevreden te stellen. Op congressen worden de eigen militanten dan nog eens fors uitgemaakt voor extremistische parasieten, ten behoeve van de verruimers en de tafelschuimers. Na 20 jaar zijn er geen extremisten meer over, maar is ook je blikje militanten opgedroogd.

 

God verhoede dat ooit de partijsubsidies verminderen door een electorale uppercut. Want veel van de vernieuwers zijn het niet gewoon om de handen uit de mouwen te steken zonder betaling.
En de oude extremisten zijn geliquideerd. Wat je overhoudt zijn mandatenzoekers, en die zijn zoals Frank Vanhecke nu moet ondervinden allesbehalve trouw. Deze mensen zijn niet op de eerste plaats Solidarist of Vlaams-nationalist, maar wel carrièrist. En als je de partijpolitiek goed bekijkt… Wie kan dan de eerste steen smijten zonder hem zelf in het oog te krijgen?

 

Eddy Hermy,
N-SAcoördinator

Posted in Uncategorized | Getagged: , , | 21 Comments »

Der Untergang

Posted by drietand op 24 november, 2007

Posted in Uncategorized | Getagged: , , | 1 Comment »

De Vlaamse Beweging en Nederland

Posted by drietand op 21 november, 2007

A. Inleiding

1. Voor Nederlanders is de Vlaamse Beweging een vreemd fenomeen. Zij hebben als volk nooit zo voor hun eigenheid en eigen taal moeten vechten als de Vlamingen. Maar ook voor de Vlaamse Bewegers is de houding tegenover Rijks-Nederland steeds ambivalent geweest. Het is mijn bedoeling om hier een korte inleiding te geven, verwacht dus niet teveel historische details en feiten. Het onderwerp beslaat namelijk zoveel: honderden kleine verenigingen en politieke partijen; duizenden personen met de meest uiteenlopende opvattingen en achtergronden. Een algemeen beeld schetsen is dus al een hele opgave. Concreet wil ik beginnen met het verduidelijken van enkele veelgebruikte termen. Daarna volgt het eigenlijke onderwerp: de geschiedenis van de Vlaamse Beweging in relatie tot Rijks-Nederland – en dit tot aan de Tweede Wereldoorlog. Dit omdat de contacten tussen beide het meest intensief waren in die periode. Speciaal zal er ook ingegaan worden op een groep van Vlamingen die tijdens het interbellum in Nederland verbleef: de zogenaamde activisten.

2. Voor alle duidelijkheid is het interessant om eerst enkele termen nader toe te lichten:

a. Ten eerste: de term “Vlaamse Beweging”. Er moet op gewezen worden dat het concept “Vlaanderen” zeer recent is. “Vlaanderen” verwees historisch namelijk naar het Graafschap Vlaanderen (nu ongeveer de provincies Zeeuws-, West- en Oost-Vlaanderen en een deel van noord-Frankrijk). Pas tegen het einde van de 19de eeuw begon men het woord “Vlaanderen” te gebruiken voor het Nederlandstalige gedeelte in België. De invoering van dit concept zorgde voor een uniformisering van de Nederlandstalige provincies binnen België. De definitie van de term “Vlaamse Beweging” is nog wat diffuser. Het is een verzamelterm geworden voor honderden verenigingen en personen in België die op een of andere manier ijveren voor de culturele of politieke eigenheid van de Vlamingen. Dit is zeer verscheiden. Hendrik Concience, de schrijver van het bekende boek ‘De leeuw van Vlaanderen’, wordt tot de Vlaamse Beweging gerekend, hoewel het eigenlijk zijn bedoeling was het Belgisch nationaal gevoel te ondersteunen. Anderen – vandaag de dag de meerderheid – ijveren kortweg voor de vorming van een onafhankelijke Vlaamse staat. Iemand als Joris van Severen dan weer, streefde – na een aantal omwegen – naar een hereniging van België, Luxemburg en Nederland. Anderen streefden naar de vereniging van een onafhankelijk Vlaanderen met Rijks-Nederland. Iemand als Guido Gezelle tenslotte, moest van de verderfelijke Nederlands-protestantse invloed niet veel weten en pleitte voor de Vlaamse culturele volkseigenheid in een onafhankelijk België!

b. Een tweede term is: “Groot Nederland” of de “Groot-Nederlandse beweging”. Aanvankelijk was dit een vaag cultureel begrip dat duidde op de samenhorigheid tussen alle Nederlandstaligen. Vanaf de Eerste Wereldoorlog, en met steun van de Duitse bezetter, kreeg de term ook een politieke invulling: de vereniging van een zelfstandig Vlaanderen met Nederland. In deze politieke visie worden de Walen en Luxemburgers niet meer beschouwd als een onderdeel van de Verenigde Nederlanden.

c. Een derde opvatting is dan weer “Heel Nederland”, Heel-Nederlanders willen een hereniging van alle oude gebieden van de historische 17 Provinciën, dus met de Walen en Luxemburgers erbij.

d. Tenslotte nog iets over het woord “Dietsland”. Taalkundig is “Diets” een van de oudste termen en betekent het “volks”. Het heeft dezelfde stam als het woord Duits. Met het woord Dietsland wordt het hele Nederlandssprekende gebied bedoeld. Het probleem – telkens opnieuw – is wat de grenzen van dit Dietsland nu eigenlijk zijn. Voor Willem van Oranje was het het gebied van Luxemburg tot Friesland. Taal is moeilijk te vatten in staatsgrenzen: Fries is geen Nederlands en bovendien ligt een gedeelte van Friesland in Duitsland. In Frans-Vlaanderen wordt nauwelijks nog Vlaams of Nederlands gesproken. Het Waals verschilt ook grondig van het Frans, hoewel het meer en meer door het Frans verdrongen werd.

3. In het verleden werden deze voornoemde termen vaak door elkaar gebruikt. Velen uit de Vlaamse Beweging noemden zichzelf Groot-Nederlander, zonder dit nader te omschrijven. Eerder als een vaag cultureel ideaal, zonder politieke gevolgen. Om te lachen zegt men dan ook wel eens dat een “Groot-Nederlander” dit ideaal kiest omdat het geen moeite kost er zich voor in te zetten, want het is toch zo goed als onbereikbaar… Ook vandaag blijft de ambiguïteit bestaan: zo werd enige tijd geleden een manifest gepubliceerd dat pleit voor het voortzetten en beter uitwerken van de BENELUXakkoorden (het samenwerkingsverband tussen België, Nederland en Luxemburg). Enige tijd later verscheen ook het manifest van de Warande Groep dat pleitte voor Vlaamse onafhankelijkheid. Een aantal mensen ondertekende beide manifesten…

B. Geschiedenis VB-Rijksnederland

1. Nu komen we aan de kern van het overzicht: een historische schets van de verhouding tussen de Vlaamse Beweging en Rijksnederland. We beginnen deze geschiedenis in het “rampzalige” jaar 1830 – de Belgische revolutie. Zoals bekend ontstond die onder aansporing van Fransgezinde burgers. Liberale en katholieke Zuid-Nederlanders sloten een monsterverbond tegen Willem I. Volgens de Nederlandse historicus, en overtuigd Groot-Nederlander lag de oorzaak van de afscheuring echter bij Holland. Hij schreef dat de geschiedenis van de Nederlanden een treurspel is, waarvan het Dietse Zuiden het slachtoffer werd. “Holland met zijn opdringen van uitgeput protestantisme en onuitputtelijke pedanterie dwong Midden-en Zuid-Nederland tot een verweer tegen de Hollandse overheersing.” Ook de Nederlander Anton Van Duinkerken legde de schuld van de verdeeldheid in de Nederlanden bij de provincie Holland. Holland eiste haar eersterangsrol op, en offerde hiermee de eenheid op. In zijn typische stijl schreef hij: “Op dit zeer kleine schiereiland, het meest bevolkte, het meest welvarende, het meest platte en het meest waterige van Europa, heeft de Noord-Nederlandse beschaving zich (…) sterk samengetrokken, ten koste van de vrije ontwikkeling der andere gewesten. [Hierdoor] zijn niet alleen de Zuidelijke provincies van Rijks-Nederland belemmerd in hun natuurlijken groei (…) maar (…) werden bovendien de karaktereigenschappen van de geboren Hollander langzamerhand typisch voor den Rijks-Nederlander uit alle gewesten. (…) Voor de oppervlakkig toeziende buitenlander zijn wij zonder uitzondering ‘Hollanders’.” Het hoeft niet gezegd dat Van Duinkerken een fiere Noord-Brabander was en ik zal jullie zijn ander anti-hollands “racisme” besparen. [citaten uit Anton Van Duinkerken. Groot Nederland en wij.]

2. In België werd deze afscheuring niet door iedereen begroet. Jan Frans Willems, de bekende taalkundige, riep wanhopig uit: “Er zal geen Nederlandse natie meer bestaan!”. Vanaf 1839 konden alle Nederlands-gezinden de hoop wel opgeven om nog tot een politieke eenheid te komen. Nederland deed dan namelijk officieel afstand van het grondgebied in het Zuiden. Het politiek activisme verandert vanaf dan in een vaag cultureel stamgevoel. In welke maatschappelijke Belgische groepen bleef men Nederlandsgezind? Ik zie twee grote groepen – en vooral de eerste groep staat aan de basis van de Vlaamse Beweging: – de taalkundigen zoals Jan Frans Willems en romantici die droomden van de herenigde Nederlanden. Vaak ging het ook om onderwijzers die in de Nederlandse scholen van Willem I lesgaven. Zoals bekend werd het Nederlandstalig onderwijs in België teruggeschroefd. Alle administratie, het leger, het onderwijs, gerecht,… werd verfranst. – De tweede groep viel soms samen met de eerste categorie: een bepaalde economische elite die door de scheiding haar macht kwijtspeelde. Vooral in industriesteden als Gent en Antwerpen was dit het geval. Het gaat hierbij niet alleen om Nederlandstaligen, ook sommige Franstaligen hadden (en hebben) heimwee naar de tijd van het Verenigd Koninkrijk. In deze groep bevonden zich tevens heel wat vrijmetselaars. Zoals bekend had de zoon van Willem I hoge functies binnen de loge en was hij stimulator van heel wat Loges in de Zuidelijke Nederlanden. Voor deze vrijmetselaars bleef Noord-Nederland, en het huis van Oranje hét ideaal van vrijheid, broederlijkheid en anti-clericalisme. Dit ging uiteraard hand in hand met het protestantisme dat vaak in deze kringen beleden werd. Tot vandaag de dag blijft deze onderstroom aanwezig. Bekende voorbeelden zijn de oud-gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen, professor Herman Balthasar, oud-minister en burgemeester van Leuven Louis Tobback en TV- orakel Siegfried Bracke.

3. In bepaalde Belgische kringen bestond dus een vaag cultureel-Nederlands gevoel. In wat uitte zich dit nu? In het begin stelde dit niet zoveel voor – ik spreek over de periode tot 1850. Het ging vooral om taalkundige discussies, zoals de vorming van een uniforme spelling. Dit verliep niet altijd van een leien dakje. Vlaamse taalkundigen zoals Leo de Foere en later Guido Gezelle bekampten de ketterse en orangistische spelling uit het noorden die in 1844 bij wet aanvaard werd als de spelling om Belgische wetten te vertalen. Culturele “Vlaamse” tijdschriften verzorgden het contact met Nederland, maar omgekeerd was de interesse niet zo groot. Dit veranderde toen in de jaren 1840 de Nederlander Alberdingk Thijm en andere Nederlandse katholieken zich meer in Vlaanderen gingen interesseren. Dit leidde tot het ontstaan van taalcongressen waaraan Vlamingen en Nederlanders deelnamen. Ze vonden heel regelmatig plaats vanaf 1849 tot 1912. Niet altijd was de overeenstemming even sterk. In de jaren 1880 was er ronduit een crisis toen de West-Vlaamse taalparticularisten, met onder meer Guido Gezelle zich afzetten tegen de zogenaamde “verhollandsing” van het Nederlands. Voor Gezelle was de strijd voor het behoud van het Vlaams, tegen het Algemeen Nederlands zelfs belangrijker dan de strijd tegen de verfransing. Deze congressen brachten geen politieke winst, maar verstevigden wel het stambesef en de persoonlijke vriendschapsbanden tussen Noord en Zuid. Dit alles werd nog eens versterkt door de oprichting in 1893 van het Algemeen Nederlands Verbond door de Vlaming Hippoliet Meert. Het verbond telde verschillende afdelingen in Noord en Zuid, waaronder ook enkele studentenafdelingen.

4. Vanuit Vlaamse hoek waren er twee moeilijkheden met betrekking tot deze ontwikkeling. Enerzijds verwachtten de Vlamingen veel van Nederland, ook op politiek vlak. Zo bv. hulp in hun strijd voor de erkenning van het Nederlands in België als volwaardige ambtstaal. Zodra ze echter in politiek vaarwater kwamen, haakten de meeste Nederlanders echter af. Anderzijds bestond er ook een groot wantrouwen vanwege de katholieke Vlaamsgezinden. Dit lag aan het feit dat het vooral liberale flaminganten actief bezig waren met deze culturele contacten tussen Zuid en Noord. De katholieken vreesden op die manier een protestantisering van het Vlaamse volk.

5. Tot aan de Eerste Wereldoorlog bleef de Vlaamse Beweging grotendeels een zuiver culturele beweging, met Orangistische wortels. Hoe kon hieruit een politieke stroming groeien? Ik verduidelijk dit aan de hand van het triumviraat van de Vlaamse Beweging: Guido Gezelle, Hugo Verriest en Albrecht Rodenbach. Gezelle was leraar van Verriest, Verriest van Rodenbach. Via leraars zoals Gezelle kregen de leerlingen hun liefde voor de moedertaal mee. Het was de generatie van priester-leraar Verriest die dit theoretisch koppelde aan de sociale onderdrukking van de Vlamingen door de Franstaligen in België. En het was Rodenbachs generatie die zich ook daadwerkelijk ging inzetten voor de verheffing van het Vlaamse volk. Ietwat smalend werden ze door Guido Gezelle de ‘ruitenbrekers’ genoemd. Jaar na jaar groeide deze zogenaamde ‘Blauwvoeterie’ aan, vooral onder de studenten.

6. Uit deze ontwikkeling ontstonden in bijna alle scholen in Vlaanderen studentenbonden en een overkoepelende organisatie, het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond in 1903. We kunnen de jongeren die hierdoor beïnvloed werden sociologisch bestempelen als een “tussenelite”. Het was een generatie die van thuis uit vervuld was met een burgerlijke mentaliteit van opklimmen en emancipatie, gecombineerd met katholicisme en sociale bewogenheid. De meeste van deze jongeren stamden uit katholieke, kleinburgerlijke gezinnen. Ze liepen school in katholieke colleges waar dezelfde waarden doorgegeven werden en tevens een geest van idealisme, offervaardigheid en christelijke solidariteit heerste. Samen met de wil om in de maatschappij ‘ergens’ te geraken, heerste bij hen ook een sterk Vlaams zelfbewustzijn. Deze twee doeleinden gingen hand in hand, de messianistische strijd die zij voerden voor vervlaamsing zou er immers toe leiden dat ook zij er het eerst de vruchten van zouden plukken. Een Vlaamse elite, te onderscheiden in een hoge elite die bijvoorbeeld Vlaamse ministers en professoren kon leveren, en een lagere elite van ambtenaren, juristen, en onderwijzers,… Vanuit deze elite werden dus ook de eerste politieke eisen geformuleerd: meer rechten voor de Vlamingen. Dit proces kwam langzaam op gang en al voor de Eerste Wereldoorlog werden een aantal eisen ingewilligd.

7. De Eerste Wereldoorlog zou echter als katalysator gaan werken. Voor een groot deel van de Vlaamse studenten was de oorlog een dam: zij werden belet om aan hun carrière verder te werken en moesten bv. aan het front gaan vechten. Aan het front vormden zij een elite, de frontbeweging genoemd. De universiteitsstudenten kwamen misschien voor het eerst in aanraking met het gewone Vlaamse volk. Ze namen dan ook allerlei initiatieven om deze frontsoldaten bewust te maken van de Vlaamse eisen. Andere Vlamingen leefden onder de Duitse bezetting in België. Een deel van de jonge Vlaamse elite zag dit echter als een kans om op een versnelde wijze hun idealen te verwezenlijken. Deze ‘activisten’ grepen de door Duitsland georchestreerde kans met beide handen aan. De Duitsers speelden het spel handig: ze zorgden voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit. Ze gaven de Vlaamse activisten een eigen parlement: de Raad van Vlaanderen, echter nauwelijks democratisch gelegitimeerd. Er kwamen ook eigen Vlaamse ministeries. Vlaamsgezinde ambtenaren werden opeens op ministerposten gekatapulteerd. Gezien hun idealisme een buitenkansje en bovendien ook voor hun eigenbelang goed!

8. Ook in Nederland zorgde de Eerste Wereldoorlog voor een verandering in de houding tegenover Vlaanderen. De aanval op het neutrale België werd door de Nederlandse publieke opinie als een schande ervaren. Duizenden Belgen vluchtten naar Nederland en werden daar goed opgevangen. Afdelingen van het Algemeen Nederlands Verbond toonden zich zeer hulpbereid. Als een gevolg van de collaboratie van de activisten met de Duitse bezetter, kwamen in de Belgische pers (die nu in Frankrijk uitgegeven werd, waar ook de Belgische regering verbleef) meer en meer anti-Vlaamse tendensen op. Daarin werden alle Vlamingen afgeschilderd als pro-Duits. De naar Nederland gevluchte Vlamingen gingen hier tegenin door enkele eigen dagbladen uit te geven. Een eerste was in 1915 “De Vlaamsche Stem”, waaraan onder meer Cyriel Buysse, René De Clercq en Frans Van Cauwelaert meewerkten. Opvallend was dat men in het blad ook de collaborerende activisten veroordeelde. Langzaamaan zou het blad echter radicaliseren – bij het vernemen van de wantoestanden die aan het front heersten. Vlaamse soldaten, die 80% van het Belgische leger uitmaakten, werden er door de Franstalige officieren voortdurend vernederd. De radicalisering van de Vlaamsche Stem wordt totaal als Frans van Cauwelaert afhaakt en de historicus Gerretson erbij komt. Binnen het ANV laten ook de studentenafdelingen hun gematigdheid varen. Zo waren een aantal leden aanwezig op de opening van de vernederlandste Gentse universiteit. De in Nederland uitgegeven Vlaamse pers kwam meer en meer in activistisch vaarwater. Voorbeelden hiervan zijn “Dietsche Stemmen”, “De Toorts” en de “Dietsche Bond”. Vanuit Nederland werd de activistische hulporganisatie Volksopbeuring intensief gesteund, ook door prominenten als de aartsbisschop van Utrecht. Nederlanders toonden meer en meer begrip voor de Vlaamse Zaak, zelfs Abraham Kuyper pleitte voor meer autonomie voor de Vlamingen, binnen een federaal België. Gerretson, dominee Nieuwenhuis en anderen steunden actief de meest radicale activisten die zich verenigd hadden in “Jong Vlaanderen”.

9. Het moet gezegd worden dat de activisten door de Duitsers aan het lijntje gehouden werden. Zij hadden weinig of niets in de pap te brokken en hun Raad van Vlaanderen was een schijnvertoning. Zij werden handige marionetten in de Duitse propaganda. In deze zin probeerden de Duitsers ook de activisten te gebruiken om achter het front invloed uit te oefenen bij de Vlaamse soldaten. Heel wat leden van de frontbeweging waren ook pro-activistisch. Ook in de krijgsgevangenenkampen in Duitsland, waar Vlaamse soldaten zaten werd er activistische propaganda gevoerd. In 1918 keerden de krijgskansen. Een commissie van de Raad van Vlaanderen bereidde daarom de vlucht van de activisten naar Nederland en Duitsland voor. De Belgische regering in Frankrijk had immers met strenge straffen gedreigd voor iedereen die samenwerkte met de Duitse bezetter. In november 1918, bij het einde van de oorlog, waren de meeste activisten en hun familieleden al de grens over gevlucht. Degenen die bleven, zoals de bekende dr. August Borms, werden opgepakt. Velen werden ook door het gepeupel mishandeld, hun huizen werden geplunderd enz. Een en ander valt te vergelijken met wat na de Tweede Wereldoorlog gebeurde, zij het in ergere mate.

10. Een paar honderd activisten vluchtten naar Nederland. Er vormden zich echte activistenkolonies, bekende voorbeelden zijn Utrecht en Den Haag. Nederland was niet alleen omwille van de taal een vanzelfsprekende keuze. Zoals ik eerder gezegd heb, was het activisme in belangrijke mate ook een Nederlands product. Bovendien was de publieke opinie in Nederland relatief pro-Duits tijdens de oorlog. De Duitsers hadden met hun propaganda hier handig op ingespeeld. Zo werd de Nieuwe Rotterdamse Courant door hen gesubsidieerd. De houding van de Nederlanders tegenover de Vlaamse Beweging en de idealistische activisten zou nog verbeteren. Tijdens de vredesconferentie in Versailles eiste België – totaal absurd – namelijk de gebieden Nederlands Limburg en Zeeuws-Vlaanderen van Nederland op. Voor vele Nederlanders was het duidelijk dat België slechts een satellietstaat van Frankrijk was. Daarom werden de Vlamingen ook onderdrukt. Deze bedreiging kon ook alleen maar stoppen wanneer de Vlamingen hun recht kregen in België. Dit was onder meer de opvatting van de bekende Groot-Nederlanders Carel Gerretson en Pieter Geyl. In de eerste maanden en jaren was het de activisten er uiteraard om te doen een nieuw bestaan op te bouwen. Sommigen slaagden hier zeer goed in en kregen leidinggevende functies in het maatschappelijke leven. Een aantal werden bijvoorbeeld journalist bij belangrijke kranten. Anderen – zoals Dr. Depla met zijn vele kinderen – kwamen echter in bittere armoede terecht. De activisten probeerden elkaar onderling te steunen en daarom werd ook het Vlaams Comité opgericht, de officiële opvolger van de Raad van Vlaanderen. Ze beschouwden zichzelf dus een beetje als de uitgeweken regering van het Vlaamse volk. Het Vlaams Comité begon met het uitgeven van brochures om de houding van de activisten tijdens de oorlog te verdedigen. Het is ook in deze kringen dat er voor het eerst een hevig anti-belgicisme opkomt. Groot-Nederland werd voor de meeste activisten een politiek ideaalbeeld. Ik zeg wel ideaalbeeld, want in praktijk was men vaak voorstander van een federalistisch België (wat pas in de jaren 1970 zal verwezenlijkt worden). Het is ook niet zo dat de activisten één blok vormden. Vaak was er persoonlijke onenigheid. Mensen als Josué De Decker en priester Robrecht de Smet, met hun tijdschrift Vlaanderen waren radicaal anti-Belgisch, ook tegen een gefederaliseerd België. De groep rond het blad Vlaanderen ageerde tegen de Vlaams-nationale Frontpartij in Vlaanderen en noemde Pieter Geyl ronduit een neobelgicist.

11. Vanuit het Vlaams Comité en andere oud-activistenverenigingen werden pogingen ondernomen om invloed uit te oefenen op de Vlaamse Beweging. De beweging had zich in Vlaanderen relatief goed hersteld na de oorlog, meer nog ze was sterker geworden en vormde nu een reële politieke macht. De oud-frontsoldaten vormden een eigen partij, de Frontpartij. Ook hebben zij van in het begin het activisme verdedigd en de activisten als idealisten voorgesteld. Trouwens, een groot deel van de Vlaamse bevolking was die mening toegedaan. Het is natuurlijk goed te verstaan dat de ballingen hun greep op de Vlaamse Beweging wilden behouden. Tijdens de oorlog waren ze er de leiders van geweest. Binnen de Vlaamse Beweging was het moeilijk om tot eenheid te komen. Een van de grootste discussies draaide rond het “Godsvredeprincipe”. Dit principe ontstond aan het front. Hiermee bedoelde men dat de strijd voor Vlaamse zelfstandigheid voorging op de onderlinge tegenstelling (bijvoorbeeld tussen katholieken, liberalen en socialisten). Vanaf ongeveer 1925 kwam dit principe meer en meer onder druk te staan door de opflakkerende tegenstellingen tussen katholieken en vrijzinnigen. Velen ijverden voor een zuiver katholieke Vlaams-nationalistische partij. De Frontpartij verbrokkelde op deze manier in allerlei min of meer geografisch bepaalde fracties waarvan enkel de Antwerpse Frontpartij zich nog aan het godsvredeprincipe hield. Vooral in West-Vlaanderen, onder leiding van Joris van Severen en Jeroom Leuridan, ging men een radicalere en rechts-katholieke koers varen. Om de eenheid te herstellen werden er vanaf 1926 pogingen ondernomen om een overkoepelend, leidinggevend orgaan (Directorium) op te richten. Al van in het begin werden ook de ‘bannelingen’, die de verbrokkeling met lede ogen aanschouwd hadden, hierbij betrokken. De oud-activisten konden ook gemakkelijk invloed uitoefenen omdat ze zich in de jaren na de oorlog sterker georganiseerd hadden, onder meer in het Verbond van Vlaams-Hollandse Verenigingen. Zij verdedigden een tussenliggend standpunt: om de Antwerpse vrijzinnigen niet buiten te sluiten, moest het katholieksolidaristisch programma waarvan de andere groepen voorstander van waren zodanig geformuleerd worden dat de vrijzinnigen er geen probleem mee zouden hebben. Toch liep dit niet uit op een akkoord. Na enkele jaren onderhandelen, trokken de bannelingen zich in 1928 terug.

12. Tot hier de interne aangelegenheden van de Flaminganten. De bannelingen speelden ook een rol in de Nederlandse politiek. We hebben al gezien dat de Nederlandse opinie anti-Belgisch was, naar aanleiding van de Belgische annexatieplannen na de oorlog. Voor de bannelingen was dit uiteraard leuk. En ze deden er alles aan om nog meer olie op het vuur te gooien. Toen in 1925 het Belgisch-Nederlands Verdrag ondertekend werd, een verdrag dat het gebruik van de Schelde regelde, zorgden zij samen met de Groot-Nederlanders voor oppositie vanuit Nederland. Volgens hen zou het Verdrag de positie van Nederland verzwakken, want het liet toe dat Belgische oorlogsschepen gebruik maakten van de Schelde. En dit terwijl België militair met Frankrijk was verbonden. Dit ageren had tot gevolg dat er tot aan de Tweede Wereldoorlog geen oplossing kwam voor de kwestie. Een tweede keer veroorzaakten ze opschudding in Nederland en België door de publicatie van het zogenaamde geheim Belgisch-Frans militair akkoord van 1920. De Vlaams-nationalist Ward Hermans publiceerde dit in in 1929 in het Utrechts Dagblad. Het is eigenlijk een spannend verhaal. De documenten waren namelijk vals en maakten onderdeel uit van een val. Ze waren namelijk opgesteld door de Belgische geheime dienst om na te gaan in hoe ver de Duitse staatsveiligheid kon infiltreren. Via een vreemde weg zijn die in de handen van de al even vreemde Ward Hermans beland. publiceren in het Utrechtsch Dagblad van 23 februari 1929 (Utrechtse documenten). Toen uitkwam dat de documenten vals waren, was de verontwaardiging dan ook groot.

13. Natuurlijk wilden vele bannelingen niet eeuwig in Nederland blijven. Terugkeren naar België was echter onmogelijk, want daar waren ze bij verstek veroordeeld. Sommigen ter dood – hoewel geen enkel doodvonnis werd uitgevoerd. Anderen riskeerden tot 20 jaar gevangenisstraf. Vanaf 1926 komt een gestructureerde internationale amnestieactie op gang. Het was de oud-activist Jules Spincemaille die een petitie starte. Die zou een debat over amnestie in het Belgische parlement moeten uitlokken. Aangezien het inefficiënt zou zijn de organisatie te laten leiden door ex-activisten, dacht Spincemaille eraan die taak aan Nederlanders toe te vertrouwen. Die bleven echter terughoudend. Uiteindelijk werd beslist dat petitie door zeven ‘onbesproken’ Vlamingen aan het Belgisch parlement zou gegeven worden. Dit gebeurde op 8 februari 1928, een symbolische dag want Borms – de oud-leider van de activisten – begon die dag zijn tiende gevangenisjaar. Het manifest kreeg de steun van een 200-tal bekende internationale figuren waaronder de communist Romain Rolland, Frederik van Eeden, Jan Toorop, Dokter Vogel, William Butler Yeats enz. Het manifest had een grote weerslag in de pers, zeker in België en Nederland. Politiek leidde het tot een nieuw amnestiedebat in de kamer. Op 6 december 1928 bereikte men na een lang debat een compromis, de zogenaamde ‘uitdovingswet’. Drie dagen later kwam alles nog eens in een stroomversnelling door de Bormsverkiezing. Borms werd die dag, hoewel hij in de gevangenis zat door een overgrote meerderheid verkozen bij een verkiezing in Antwerpen. Na het van kracht worden van de uitdovingswet werden de gevangenen vrijgelaten en konden de ‘ballingen’ naar België terugkeren. Al bij al was deze ‘clementiewet’, hoewel dus geen echte ‘amnestiewet’, een opsteker voor de radicale Vlaams-nationalisten en dit werd gesymboliseerd door de vrijlating van Borms op 17 januari 1929.

14. Eenmaal terug in België, bleef men natuurlijk contacten onderhouden met Nederland. Sommige activisten wilden zelfs niet terugkeren zolang België nog bestond – en zijn dan uiteraard ook nooit teruggekeerd. Ik heb tot nu toe vooral de nadruk gelegd op de rol die de oud-activisten gespeeld hebben in de relatie tussen Nederland en de Vlaamse Beweging. Uiteraard bleven er ook rechtstreekse contacten bestaan, zoals door het Diesch Studenten Verbond (dat jarenlang studentencongressen organiseerde met Vlamingen en Nederlanders) of de Dietsche Bond. Wie de briefwisseling van Pieter Geyl en Gerretson (die is grotendeels gepubliceerd) kent, weet hoeveel contacten zij hadden met de meest uiteenlopende Vlamingen. Niet onmiddellijk door nationale motieven geïnspireerd was de belangstelling voor Vlaanderen die tot uiting kwam in de kring rondom Carlos van Sante, dominicaan en lector in Nijmegen. Studenten uit die kring traden toe tot het Verdinaso van Joris van Severen. Verwant met de integralistische katholieken uit de Van Sante-kring waren ook de medewerkers van het tijdschrift Aristo van Wouter Lutkie, een sterk Latijnsgerichte groep, die sceptisch stond tegenover de Groot-Nederlandse gedachte en de nieuwe marsrichting van het Verdinaso (het aanvaarden van de Belgische staat als een onderdeel van het Heel-Nederlands geheel) toejuichte. Duidelijker uitgesproken was de sympathie voor de Vlaamse taalstrijd in Vrijdag, het weekblad van Jan Derks. Afwijzend tegenover de nieuwe marsrichting van het Verdinaso stond Arnold Meijer, de leider van het Zwart Front/Nationaal Front.

15. Bij wijze van voorbeeld wil ik hier nog even de geschiedenis van het eerste echte Vlaams-nationalistische dagblad De Schelde vertellen.. Reeds lang circuleerden er bij de oud-activisten plannen om een eigen radicaal Vlaamse krant te stichten. De Schelde was een Vlaamse krant, uitgegeven te Antwerpen en stond op de rand van het faillissement. Eind 1928 werd in Utrecht een stichting opgericht, onder voorzitterschap van Gerretson en Van Es. Zij zamelden geld in bij de hoge financiële klasse – onder meer te situeren bij de havenbaronnen van Rotterdam. Beheerder werd de oud-activist Jules Spincemaille. Zij kochten de krant op en stelden een nieuwe redactie samen, met als hoofdredacteur Herman Vos. Vos was een gematigd Vlaams-nationalist waarin de meeste Vlaams-nationalistische groeperingen zich konden vinden. Het is veelzeggend dat het kapitaal van de krant uit Nederland kwam. Anders dan in België bestond er dus een rijke elite die voordelen zag in het propageren van Groot-Nederlandse en Vlaams-nationalistische ideeën. In 1932 kwam het blad in een financiële crisis die gepaard ging met politieke moeilijkheden. Hoofdredacteur Herman Vos stapte over naar de socialistische partij, de Belgische Werklieden Partij (BWP). Het pas opgerichte Vlaams Nationaal Verbond (VNV) poogde voortdurend meer greep op het dagblad te krijgen. Hun aanbod om de krant op te kopen werd echter afgewezen. Tenslotte kwam een van de medewerkers, Herman Van Puymbrouck met een eigen initiatief. Hij zamelde geld in en kocht de krant over – terwijl hij hoofdredacteur werd. Politiek wilde hij een democratische lijn volgen, tegen de fascistische stromingen in. Ook tegen het katholiek solidarisme zou hij zich als vrijzinnige blijven verzetten. Verder wou hij van het blad een echt leidinggevend orgaan maken. De krant zou bovendien enkel voor het Antwerpse publiek dienen. De Nederlanders gingen akkoord met het voorstel, maar trokken zich terug uit het project. De Schelde bleef niet lang haar eigen koers varen. In 1934 sloot hoofdredacteur Van Puymbrouck zich aan bij het VNV. De partij kreeg de krant volledig in handen en vormde haar in 1936 om in het partijblad Volk en Staat. De Nederlanders en oud-activisten zijn er dus niet in geslaagd om de Vlaams-nationale beweging tot eenheid te brengen, noch door de besprekingen met de verschillende groeperingen, noch door het Vlaams-nationaal dagblad.

16. Het einde van De Schelde als democratisch Vlaams-nationalistisch dagblad, was ook tekenend voor de verhoudingen tussen de Vlaamse Beweging en Nederland. Vele verenigingen in Zuid en Noord raakten in een malaise door de opkomst van het autoritaire gedachtegoed. Vele waardevolle contacten werden op die manier verbroken. In Nederland probeerde de NSB te infiltreren in de bestaande Dietse verenigingen. De meer autoritaire verenigingen probeerden de banden wel enigszins te herstellen. Zo stichtte het Verdinaso ook in Nederland afdelingen. Ook tussen VNV en NSB of Zwart Front ontstonden er contacten. Het was echter de sombere internationale toestand die België en Nederland nader tot elkaar brachten. De opzegging van het Frans-Belgisch Militair Akkoord en de zelfstandigheidspolitiek van koning Leopold III werden in het Noorden aangevoeld als een ruggensteun voor de veiligheid van Nederland. Vlaams-belgicistische kringen lanceerden het idee van een Belgisch-Nederlands defensief militair akkoord, terwijl de Verdinasoleiding pleitte voor een economische unie. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog getuigden de officiële bezoeken van Leopold III aan Nederland en van koningin Wilhelmina aan België van een groeiende vriendschap in de verhouding tussen de beide staten, zoals dat sinds 1830 nog niet het geval was geweest.

17. De Tweede Wereldoorlog maakte voorlopig een eind aan de betrekkingen tussen Vlaanderen en Nederland. Op enkele collaboratiepublicaties na kwamen nauwelijks kranten en tijdschriften van over de grens. Ook voor persoonlijke contacten bleef die hermetisch gesloten. Groot-Nederlandse politieke actie stuitte op het onverbiddelijk verzet van het Duitse bezetters. Zo is het veelzeggend dat er in Vlaanderen zoiets bestond als het Diets verzet. Het waren kleine groepjes jongeren die binnen of aan de rand van het VNV tegen de wijze van collaboreren streden. Het gaat om groepjes als Nederland Eén!, het Dietsch Eedverbond en het Dietsch Studenten Keurfront. Het VNV was met het optreden van deze groepjes niet ingenomen en infiltreerde er zelfs in met spionnen. In 1944 leidde de situatie tot openlijke dissidentie. Deze groepjes gaven enkele clandestiene pamfletten en bladen uit, en sommige leden van Nederland Eén! kregen last met de Duitse politie. Ook bestonden er echte Diets-gezinde verzetsorganisaties, waarin nogal wat oud-leden van het Verdinaso actief waren. De collaboratie van de Vlaams-nationalisten sloeg een diepe kloof tussen de Vlaamse Beweging en de openbare mening in Nederland, waar op collaboratie nog een groter taboe rust dan in Vlaanderen. De toenadering na de oorlog zou dan ook vanwege de regeringen komen. Zo kwamen er overeenkomsten over de spelling van het Nederlands, een monetair akkoord en een douaneovereenkomst. Dit leidde in 1960 tot de vorming van een economische unie.

C. Besluit

1. We kunnen besluitend zeggen dat de actieve belangstelling voor de V.B. in de periode tussen de beide wereldoorlogen tot een kleine maar actieve en intellectueel hoogstaande groep beperkt gebleven is. Het bestaan echter van een volwaardige Nederlandse beschaving en het groeiende besef van de culturele eenheid van het Nederlandse taalgebied zijn voor de steeds sterker wordende V.B. en voor de ontwikkeling van het gedachtegoed een sterke steun geweest.

Edg. B. De Wolf

Posted in Uncategorized | Getagged: , , , | Leave a Comment »

Over het heidendom gesproken

Posted by drietand op 21 november, 2007

(Vraaggesprek met Alain de Benoist)

Wie bent u en hoe wenst u zichzelf te definiëren?

Het is moeilijk zichzelf te definiëren, zeker als men er niet van houdt over zichzelf te praten. Een persoonlijkheid bestaat trouwens uit heel wat tegenstellingen die hem op een min of meer gelukkige wijze tot een geheel maken. Niettemin geloof ik dat mijn levensloop een zekere continuïteit vertoont. Geboren in december 1943 (Boogschutter, ascendant Kreeft) in een familie afkomstig uit het noordwesten van Frankrijk en nog verder teruggaande uit België en de Lage Landen, besteed ik reeds meer dan een derde van deze eeuw in hoofdzaak aan lezen, schrijven en nadenken . Als intellectueel verwerp ik mijn kaste zeker niet ook al heb ik mij steeds ver gehouden van alle modeverschijnselen en het mondaine leven. Ik hou daar niet van. Laten we maar zeggen dat ik schrijver ben uit roeping en journalist uit verplichting. Het resultaat van dit alles? Ik heb tot op heden een dertigtal boeken gepubliceerd en om en bij vierduizend artikels. Niets van dit alles lijkt me echter zo belangrijk als datgene wat ik nog hoop te publiceren. Wat mijn “morele” houding betreft, houd ik voor alles van nuances, het geven van mezelf en de edelmoedigheid. Niets verfoei ik meer dan de rechtlijnigheid van geest, het ressentiment en het najagen van persoonlijk belang. “De armoede gemeten aan de behoeften van onze natuur is een grote rijkdom”, zegde reeds Epikuros. Ik geloof wat mij betreft (in ieder geval hoop ik het) dat ik steeds een vrij denken naar voor heb gebracht vanuit een tragische ziel en een rebels hart.

Wat maakt voor u uw spirituele en intellectuele levensloop uit? Wat zijn voor u de grote werken op het gebied van filosofie? Wat waren voor u uw grote ontmoetingen?

Ik geloof niet dat ik ooit de leerling ben geweest van wie dan ook. Ik ben wat dat betreft te zeer gehecht aan een transversaal denken. Mijn spirituele en intellectuele levensloop werd in de eerste plaats geleid door mijn nieuwsgierigheid. Van mijn kinderjaren af ben ik de meest diverse auteurs gaan lezen zonder me te laten beïnvloeden of zonder me te laten tegenhouden door vooroordelen, door waarschuwingen of door modeverschijnselen. Wat dat betreft is voor mij het gebrek aan nieuwsgierigheid van zovele tijdgenoten, ook van hen wiens taak het is zich te bevragen omtrent de aard der dingen en omtrent het tijdperk waarin we leven, een doorlopende bron van verbazing. Verder geloof ik dat een vruchtbare lectuur slechts kan plaats hebben onder twee voorwaarden. De eerste is dat zij moet gebeuren op het juiste ogenblik, zodat zij valt in een hart dat voorbereid is. De tweede is dat zij een scheut kritiek met zich moet meebrengen want enkel een kritische lectuur kan er toe bijdragen tot een persoonlijke gedachte te komen. Wat de materie betreft is het duidelijk dat men steeds met stappen voorwaarts moet gaan. Op het filosofisch vlak heeft voor mij zoals voor velen, de eerste stap waarschijnlijk bestaan in een aandachtige, vrolijke en zelfs bevrijdende lezing van het werk van Nietzsche. Als opgroeiende jongeling leek mij dit werk een zo goed als niet te overstijgen horizont. Intussen heb ik in het begin van de zestiger jaren kennis gemaakt met het werk van Louis Rougier dat mij parallel daarmee binnengeleid heeft in een gans andere wereld van denken. Als man met een buitengewone kennis en een innemende vriendelijkheid, vertegenwoordigde Rougier voor mij op intellectueel gebied een enigszins paradoxaal geval. Politiek als “ rechts ” geklasseerd, verafschuwde hij de reactionaire en klerikale middens tengevolge van zijn kritische opinies omtrent het christendom. (Hij heeft in de loop der twintiger jaren verschillende werken gepubliceerd die vernietigend waren voor de scholastiek, terwijl hij ook nog een verzameling dirigeerde onder de benaming: De meesterdenkers van het antichristendom, uitgegeven door A. Delpeuch, NVDR.) Tevens was hij een onvoorwaardelijke bewonderaar van de Grieks-Latijnse oudheid, verdedigde in zijn werken over economie een gematigd liberalisme en leunde op filosofisch gebied aan bij het logisch empirisme van de Weense kring opgericht door Moritz Schlik. Nietzsche en Rougier stemden overeen in hun uitdrukkelijke afwijzing van het christendom. Het is zonder twijfel deze bijzonderheid die in beginsel het meest mijn aandacht heeft getrokken. Maar hun antichristendom bevatte duidelijk niet dezelfde inhoud. Gedurende bepaalde tijd nochtans beriep ik mij zowel op de ene als op de andere, dat is te zeggen zowel op de filosoof “van het leven”, als op een zeker positivisme dat mij verlokte door zijn radicaliteit, PVV. door te verklaren dat de proposities van de metafysica “ontdaan zijn van elke zin”. Parallel daarmee interesseerde ik mij voor de epistemologen die, zo leek het mij, zich min of meer tussen deze beide polen bewogen, zoals onder meer Ludwig von Bertalanffy, vader van de “algemene theorie der systemen”. In het begin van de jaren zeventig begonnen mijn inzichten te evolueren. Enerzijds was er mijn kritiek op het liberalisme die ik vanaf dat ogenblik begon te ontwikkelen en die mij er al snel toe bracht de filosofische vooronderstellingen daarvan te ontmantelen. Deze vooronderstellingen, het positivisme en het sciëntisme, waarvan ik elke vorm verwierp komen voort uit de verlichting waaraan Rougier zijn ganse leven schatplichtig is gebleven. Anderzijds was er de lectuur van Heidegger die mij er toe bracht het denken van Nietzsche sterk te gaan herwaarderen. Ook vandaag nog lijken mij sommige van Nietzsches inzichten, de sferische conceptie van de geschiedenis en zijn notie omtrent de “grote dageraad”, zeer waardevol. Maar anderzijds lijken mij zijn ideeën omtrent de “hogere mens” en vooral zijn “wil tot de macht ” eerder dubieus. Dit laatste wordt door Heidegger zeer geïnterpreteerd als “de wil tot het willen”, wat een gedachte inhoudt die aansluit bij de metafysica van de subjectiviteit en dus bij een der pijlers van het modernisme . Ik moet er nog aan toevoegen dat de lectuur van Heidegger, die mij geleerd heeft mij ver te houden van elk “prometheïsme”, mij eveneens heeft bijgebracht om metafysica en ontologie niet met elkaar te verwarren. Van dat ogenblik af leek het mij dat het heidendom kon doorgaan als een zuivere fenomenologische vraagstelling omtrent het Zijnde en omtrent dat wat op een uitdrukkelijke wijze al datgene verbindt wat de wereld vorm geeft. Dit voor wat de hoofdzaak betreft. Voor de rest spreekt het vanzelf dat ik, voor de vele inzichten omtrent het denken, heel wat verschuldigd ben aan een ganse reeks auteurs van wie het wellicht overdreven zou zijn al hun namen te noemen. Zo heeft bv. Arthur Koestler, die mij de laatste jaren van zijn leven meermaals in Londen ontvangen heeft, mij geleerd elke vorm van reductionisme aan een grondige kritiek te onderwerpen. Stéphane Lupesco heeft mij binnengeleid in het gebied van de microfysica, voorbij de logica van de “derde uitgeslotene”. Walter F. Otto, Mircea Eliade, Gilbert Durand, Claude Lévi-Strauss en Georges Dumézil hebben mij, elk op hun wijze, door de mythes van de religies gevoerd. Maar ik mag ook niet de grote grondleggers van de Duitse sociologie onvermeld laten: Max Weber, Simmel, Tönnies, Sombart, benevens bepaalde theoretici van de Conservatieve Revolutie. Evenmin als bepaalde katholieke auteurs zoals Péguy, Bernanos, Mounier en ook schrijvers van joodse oorsprong zoals Hannah Arend, Leo Strauss, Martin Buber. Ook ben ik tenslotte schatplichtig aan bepaalde Amerikaanse “communautaristen” zoals Charles Taylor en Michael Sandel en aan de eigentijdse Fransen zoals Louis Dumont, alain Caillé, Jean Pierre Dupuy, Michael Maffesoli, enz.

Het is nu meer dan twintig jaar geleden dat uw boek Comment peut-on etre païen verschenen is. Het is een werk dat in het domein van de francofonie historisch kan genoemd worden en dat de bevestiging inhield van de wedergeboorte van de heidense stroming. Hoe staat u thans tegenover de inhoud van dit boek?

Verschenen in 1981 bij Albin Michel, beantwoordt Comment peut-on etre païen [1] inderdaad aan een tijdwende. Niet dat er aan dit boek geen voorafgaanden zijn geweest. Het heidendom heeft in de loop der tijden niet opgehouden “herboren” te worden. Maar men kende toen nog niet de opbloei van de vele “nieuwheidense” groepen die men vandaag overal kan ontmoeten. Het is echter zonder twijfel zo dat het lang geleden was dat er nog een werk verscheen dat zich bevestigend uitsprak op dit terrein en dan nog wel bij een der grote Parijse uitgevers. Nochtans loste dit boek slechts een gedeelte van zijn verwachtingen in. Het objectief ervan beantwoordde inderdaad niet volledig aan de vraag die in de titel werd gesteld. Het was veleer de bedoeling om duidelijk de essentiële punten van tegenstelling tussen heidendom en christendom bloot te leggen. Wat de hoofdzaak betreft geloof ik dat de tekst van dit boek ook vandaag nog zijn volle waarde behouden heeft. De enkele pagina’s die ik op heden zou willen herzien zijn deze waarvan ik meen dat zij in een te uitgesproken nietzscheaanse zin zijn opgesteld. Het werk dat ik vijf jaar later met Thomas Molnar bij de uitgeverij Table Ronde heb gepubliceerd onder de titel L’éclipse du Sacré lijkt mij wat dat betreft, meer voldoening te schenken.

Goed, maar hoe kan men heiden worden? Hoe kan men dagelijks leven als heiden?

Zoals de meeste Fransen van mijn generatie werd ik, zeggen wij maar, katholiek grootgebracht. Dit zonder in extremen te vervallen, alhoewel mijn grootmoeder langs vaders kant, een overdreven romantische maar talentvolle persoonlijkheid (zij is de privé-secretaresse van Gustave Le Bon geweest), op het einde van haar leven wel erg kwezelachtig werd. Hoe ben ik er toe gekomen mij tegenover het katholicisme af te zetten, dat ik in mijn jeugdjaren nochtans zeer ernstig had genomen? Allereerst en ongetwijfeld juist omdat ik het toen zo ernstig had genomen, maar ook omdat de katholieke theologie op vragen die ik mij stelde, een antwoord gaf dat mij op intellectueel gebied geen voldoening schonk. Er bestaat trouwens in het denken van het christendom een algemene “kleuring”, ik zou haast zeggen een “ landschap”, waartegen ik mij instinctief heb afgezet. In tegenstelling hiermee voelde ik mij zeer sterk aangetrokken tot de spirituele wereld van mythen en legenden die mij in hun denkbeelden andere vormen van het ongrijpbare bijbrachten en die mij naar wel duizend plaatsen voerden. Dit was mijlenver van de armzalige inhoud van het christendom met zijn heilsgeschiedenis, zijn moreel lijden, veroorzaakt door erfzonde, zijn boetedoeningen, zijn “verlossingsgedachte”, zijn verachting omtrent de dingen van de wereld, enz. Als kind en in tegenstelling met de kameraden van mijn leeftijd las ik amper Alexandre Dumas, Jack London of Jules Verne. Veeleer haalde ik mijn honing bij de sprookjes van Grimm en Andersen, bij de Ilias en de Odysseus. Men mag veronderstellen dat dit mij in de richting dreef waarin ik mij later engageerde. Het overige was een kwestie van lectuur en vooral van nadenken. Het is niet gemakkelijk om te antwoorden op de vraag hoe men in het dagelijkse leven “heiden” kan zijn. Om eerlijk te zijn deze vraag naar het onderzoek van het geweten, lijkt mij te wijzen op een verwantschap met het christendom. Het lijkt mij dat iedereen die een sterke overtuiging heeft, welke deze ook is, zal trachten in overeenstemming daarmee te leven. Maar ik meen ook, wat dit betreft, dan men niet naar een eenvormig model moet streven. Iedereen zal zijn overtuiging belijden volgens eigen temperament. Wat mij betreft, ik zie in het heidendom geen aaneengesloten kader voor de interpretatie der dingen (in dit geval zou het niet meer zijn dan een wereldbeschouwing naast de vele andere), maar een zorg voor de erkenning van de eenheid en schoonheid van de wereld. Het in de praktijk brengen daarvan kan niet anders dan onverbreekbaar verbonden zijn met een onbuigzaam intellectueel en moreel verlangen. Vanuit intellectueel standpunt komt het er nu op aan juist te antwoorden op de vraag: “het heidendom wat is dat?” Een vraag zo lijkt het mij waarop men maar al te dikwijls antwoordt met al te vage of simpele noties, of door beroep te doen op dubbelzinnige begrippen zoals “de natuur ” of “het leven”. Vanuit moreel standpunt is het aangewezen een spirituele en mentale houding te definiëren zowel tegenover de mens als tegenover de dingen, die zich laat vertalen in ethische vorderingen (tegenover de wereld een houding aannemen van vriendelijke verstandhouding, de “eerbaarheid” cultiveren en trachten om het beste van zichzelf te verwezenlijken), die echter niet mogen geconcentreerd zijn op het voortbrengen van een of andere overdreven karaktertrek waarvan de heidenen zoals vanzelf spreekt, niet het monopolie mogen bezitten. Ik weet dat voor anderen het “beleefde heidendom” voornamelijk bestaat uit ceremonieën en rites. Dit kan aanleiding geven tot initiatieven die ook ik sympathiek of zelfs respectabel kan vinden, zonder dat ik ook maar de minste behoefte gevoel daaraan deel te nemen. Ik zie al te veel allerlei uitgevonden rituelen opduiken, te veel verhullingen, te veel op zijn kop gezet christendom. Een der gevaren die ik het neopaganisme vandaag zie bedreigen is het risico in een parodie terecht te komen, in esoterisme en prollerige “magische” rommel, sektaire goeroederivaten, contrakerken en witte vrijmetselarij, beschermend moralisme of dwaasheden van New Age, ceremonieën die tezelfdertijd doen denken aan protesterende kerkdiensten of aan gemaskerde bals. Ik vrees dat dit alles niets met de wedergeboorte van het heidendom te maken heeft, maar veeleer verbonden is met wat Spengler een “secundaire religie” noemde die hij terecht overal zag ontstaan waar het verval in verschijning trad.

Welke inzichten hebt u op vandaag omtrent het christendom?

Ik zal hier slechts over West-Europa spreken. Het christendom bevindt zich hier in een paradoxale situatie. Enerzijds blijft het aantal gelovigen, vooral dan de praktiserende gelovigen, verminderen en anderzijds moet men ontegensprekelijk de wederkeer van het “vuur ” binnen een harde kern, behorend tot een charismatische organisatie of tot traditionele groepen van verschillende strekking. Tenslotte moeten we vaststellen dat de uitgesproken oppositie tegenover het christendom slechts een kleine groep omvat die bezig is te verdwijnen. Dit houdt in dat de christelijke dogma’s blijkbaar niet langer een twistpunt uitmaken voor het grootste gedeelte der “christenen” ‘die er toe overgaan een soort “ religie à la carte” voor zichzelf uit te bouwen), noch voor de niet-christenen voor wie deze dogma’s niets te betekenen hebben. Wel ontmoeten de enen en de anderen elkaar bij gelegenheid als het er om gaat “ reactionaire” stellingnamen van de Paus te betreuren en in verband met de moraal. Hoofdzaak echter is dat het christendom, teruggeworpen in de private sfeer door een dominante ideologie die zich wat de waarden betreft neutraal opstelt, niets anders meer is dan een mening onder andere meningen, waardoor het haar onmogelijk geworden is de maatschappij te organiseren en te informeren zoals zij vroeger de gewoonte had te doen. Men zou zich wat dat betreft geluk kunnen wensen, maar tezelfdertijd moet men durven bekennen dat ditzelfde praktisch materialisme dat veel meer dan het atheïstisch rationalisme de voornaamste oorzaak blijkt te zijn voor de achteruitgang van het christelijk geloof evenzeer een bedreiging inhoudt voor iedere vorm van geloof of van overtuiging, omdat het zich uit in een destructieve onverschilligheid tegenover welke vorm van denken ook. Het christendom heeft uiteindelijk het fruit geoogst van het zaad dat het nochtans gezaaid had ter eigen verdediging. Toen de wereld nog heidens was ontplooide de menselijke activiteit zich volgens de regels van de fysisch, dat is te zeggen door zich te erkennen in de klaarheid en de waarheid van de mythe als “poièsis ” en als “ techné” . Van het ogenblik dat de mens gezien werd als een onvolmaakt wezen, geschapen door een God die als eerste oorzaak van het Zijnde, buiten hem stond, werd ook de menselijke activiteit op zijn beurt nog slechts gezien als “geschapen”. Het primaatschap toegewezen aan de rede, het afglijden van de christelijke waarden naar de profane sfeer (het hiernamaals vervangen door de toekomst en de “redding” door het geluk), en tenslotte de ontketening van de techniek als essentie van een gerealiseerde metafysica, hebben uiteindelijk geleid tot een controle over de wereld en tot de vernietiging van elke zingeving aan het menselijk bestaan. Dat is ook wat Kostas Axelos vaststelt als hij schrijft: “De goddelijke Griekse fysis is dood, gedood door de joods-christelijke God. Maar die God is nu ook zelf gestorven, dat is te zeggen, hij heeft zich teruggetrokken, gedood door de mens die de leeggekomen plaats nu zelf wil gaan bekleden en zich wil uitroepen tot meester. De mens zelf als zegevierend sujet, centrum en zin van alles wat is, begint nu ook te sterven. Hij voelt zich onzeker worden, heeft geen grondvesten meer: de subjectiviteit kan zich wel socialiseren, maar zij drijft voort in een volledig niets”. De hele vraag is nu of het heidendom anders zal kunnen herleven dan op een min of meer getheatraliseerde wijze van bepaalde van zijn oude vormen. Dat is te zeggen of het opnieuw zal kunnen aanknopen bij zijn bronnen om aan de leegte te ontsnappen. Wat dat betreft lijkt het mij dat het denken van Heidegger een weg opent naar een “heidense” reflectie met perspectieven die heel wat stimulerender zijn dan de “gesimuleerde” affecties van de vele sectaire groepjes. Wat het christendom betreft zou ik nog drie dingen willen zeggen. Om te beginnen doen wij er goed aan niet te vergeten dat het als historisch fenomeen een dubbele inhoud heeft. Het “zuivere” christendom, voor zover men dat historisch kan opvolgen, heeft slechts een zeer korte tijd bestaan. Van zodra het in Europa vaste voet heeft kunnen krijgen is het verplicht geweest het op een akkoordje te gooien om zich te kunnen handhaven. Het is bijna overbodig eraan te herinneren hoe het christendom de oude cultische plaatsen heeft weten in te palmen, hoe de liturgische kalender van het christendom niets anders is dan een afgietsel van de heidense jaarindeling waarin de Mariaverering en de cultus der heiligen in het katholicisme niets anders zijn dan een nooit toegegeven aanknoping bij het heidens polytheïsme. Het is overigens duidelijk dat de uitdrukkingen van het christendom oneindig gevarieerd zijn zo dat het praktisch onmogelijk is ze onder te brengen in een eenvormig beoordelingskader. Wat is er nog gemeenschappelijk aan het Essenisme waartoe Jeschova de Nazarener (= Jezus) schijnt behoord te hebben en het pantokratisch christendom dat in het Byzantijnse rijk opgang heeft gemaakt? De moraal van Torquemado vertoont maar weinig gelijkenis met die van Franciscus van Assisië. Het zou overigens fout zijn om hieruit argumenten te ontwikkelen om tot een syncretisme te komen. Een dergelijke fout wordt overigens door die christenen begaan die vooropstelden dat het christendom het beste heeft overgenomen van wat in het heidendom aanwezig was. Dezelfde fout begaan die heidenen die uitgaande van de samengestelde erfenis van het heidendom, weigerden het christendom in zijn geheel te verwerpen. In de beide gevallen komt dit neer op dezelfde onmogelijkheid om een onderscheid te maken tussen de letter en de geest, op het onvermogen te bevatten waarin de beslissende punten van tegenstelling bestaan. Immers, men mag ook niet vergeten, en dat is mijn tweede punt van reflectie, dat er tussen het heidendom en het christendom stromen van bloed liggen. Ik zeg dat niet uit een overdreven zorg voor de herinnering, noch om de martelaren van de ene kant tegenover de martelaren van de andere kant te stellen. Ik zeg dit enkel om te herinneren aan het belang van de inzet die voor het christendom de vernietiging van het heidendom betekende. Dat deze uitroeiing niet volledig was en dat zij niet kon uitgevoerd worden tenzij dan ten koste van de denaturalisatie met betrekking tot de oorspronkelijke christelijke bezieling, doet niets af aan de grond van de zaak. Men moet zich tezelfdertijd ook van bewust zijn dat het christendom en het heidendom, hoe zeer zij ook in oppositie met elkaar stonden, toch in zekere zin een paar vormden. Indien het christendom enkel maar trouw kon blijven aan zijn roeping door te trachten het heidendom te vernietigen, zo voelde dit laatste niet de minste behoefte om een andere religie op te doeken, ook al stond deze in verzet tegenover haar. Er stond tegenover de onverdraagzaamheid van het christendom geen tegengestelde onverdraagzaamheid. Het heidendom wilde vooral geen tegengesteld christendom zijn in de zin zoals Marx dat meende te moeten uitdrukken tegenover de “afwijkende” opvattingen van Hegel of Nietzsche tegenover deze van Plato. Immers, elke tegenstelling blijft per definitie verbonden met datgene wat zij wil tegenspreken. Dit punt lijkt mij bijzonder belangrijk omdat de mate waarin wij uitdrukkingen gebruiken en de wijze waarop wij denken in vele opzichten doordrongen blijven van het christelijke denken (zoals ook globaal genomen de maatschappij waarin wij leven onderworpen blijft aan bepaalde geseculariseerde “evangelische” of “Bijbelse” waarden, zelfs al heeft men daarbij elk geloof verloren. Het heidendom kan en mag geen omgekeerd christendom zijn. Weliswaar is het in zijn wezen niet anti-christelijk, maar echter wel a-christelijk. Het is daarom van essentieel belang voor de heiden niet “ tegen” het christendom te denken. Immers dit zou er op neerkomen zichzelf daartegenover negatief te definiëren en dus tot op zekere hoogte in het christendom gevangen te blijven. Wij moeten bijgevolg buiten het christendom leren denken, buiten de grondbeginselen die het heeft geschapen en waaraan men verschuldigd blijft als men zich tevreden stelt met ze enkel maar om te keren.

In uw boek L’Empire intérieur « Fata Morgana, 1995 » hebt u het voor alle Europeanen fundamentele probleem aangesneden van wat u noemt het “Europese Rijk”. Kan men in dit geval spreken van een “politiek heidendom”?

De uitdrukking “politiek heidendom” staat mij niet erg aan. Al te dikwijls moet dit de lading dekken van een politiek extremisme, overtrokken met een heidens sausje. Wat echter in verband daarmee een werkelijk probleem oproept is de vraag te weten of het heidendom zich moet beperken tot wat het vandaag slechts is, met name een meningsuiting of een optie tussen de vele andere opties. Ook hier zoals in vele andere gevallen is elk parallellisme tussen het heidendom en het christendom erg misleidend. Het gehele christelijk systeem is gebaseerd op de neiging tot een dualistische interpretatie van het geschapenen en het niet geschapenen, van God en de mens, van de mens en de rest van de wereld, van de ziel en het lichaam, van het “vlees ” en de geest. In een dergelijk perspectief en zelfs indien het niet altijd zo geweest is, kunnen het temporele en het spirituele wel zeer duidelijk van elkaar onderscheiden worden. Voor het heidendom is dit nooit zo geweest. Daar waar het christendom scheidingen heeft ingesteld, heeft het heidendom steeds getracht zoveel mogelijk bruggen te bouwen (of er zelfs in het leven te roepen). Ook al heeft het dan zeer duidelijk getracht om een volledige samenleving te organiseren, toch is het steeds drager gebleven van een fundamenteel individualistische conceptie omtrent het geloof: weliswaar heeft de mens de mogelijkheid om binnen een gemeenschap te leven, maar het is slechts door zijn afzondering dat hij zijn heil zal kunnen bewerkstelligen. In het heidendom daarentegen is het lot van de enkeling zowel in zijn tegenwoordige leven als in zijn collectief geheugen, onverbrekelijk verbonden met het leven van de gemeenschap of de samenleving waarvan hij deel uitmaakt. Om deze beide redenen lijkt me een zogenaamd “paganisme der catacomben” een volkomen vergissing te zijn: het komt neer op de activiteit van kleine groepen in afgezonderde gemeenschappen, levend in een hen spiritueel vijandige omgeving. Hoe kunnen we uit dit dilemma geraken als we er ons bovendien nog van bewust zijn dat wij ons van het heilige weliswaar een voorstelling kunnen maken, maar dat dit zich nooit zal laten opdringen? In 1966, in zijn laatste uiteenzetting, heeft Heidegger het over, “enkel een god die ons kan verlossen”. Junger van zijn kant kondigt “de terugkeer der goden” aan, na “het tijdperk der titanen”. En in tegenstelling van wat men over André Malraux beweert, heeft deze nooit gezegd dat de volgende eeuw religieus zal zijn of niet zal zijn. Wel heeft hij gezegd dat “geconfronteerd met de schrikkelijkste bedreiging die de mensheid ooit gekend heeft, de taak van de volgende eeuw erin zal bestaan de goden te herintegreren”. Wat mij betreft, is dat alles duidelijk genoeg.

Wat beschouwt u als uw favoriete mythe en waarom?

Eerder dan over een mythe te spreken zou ik het willen hebben over mythische onderwerpen. Een van deze onderwerpen die mij altijd gefascineerd heeft, is dat van het labyrint. Ik hoop overigens, als ik er ooit de tijd voor vind, daar eerst eens een boek aan te wijden. Het gaat hier om een onderwerp waarvan het moeilijk is de oorsprong te achterhalen, maar dat wel een grote verbreiding heeft gekend. Men vindt het immers onder een of andere vorm zowel in de mediterrane wereld terug, als ook sinds het bronzen tijdperk of zelfs eerder in de Noordse landen. De weg die het labyrint gevolgd heeft in de moderne tijd en die nooit opgehouden heeft schrijvers en andere kunstenaars te inspireren is trouwens veel te ingewikkeld om te veronderstellen dat het hier om een toeval zou gaan. Het is zo goed als zeker dat het hier om een gemeenschappelijke erfenis gaat die terug te voeren is op de kosmische religie van onze verste voorouders. De kern van deze mythe schijnt verband te houden met de terugkeer van de zon na een lange periode van afwezigheid (de “winterse duisternis”). Direct geassocieerd met dit thema is de bevrijding van de solaire bruid door de held, komende uit de duistere krachten van de nacht. Van dit thema vindt men een echo terug in de handelingen van Siegfried en Brunhilde, alsook in de mythe van Theseus en Ariadne, in de geschiedenis van Doornroosje en zonder twijfel eveneens ook in het verhaal van de Trojaanse oorlog (de bevrijding van de mooie Helena die gevangen gehouden wordt in een stad die omringd is met labyrintische muren). Vanuit dit oogpunt lijkt het mij dat wij het thema van het labyrint als een echt voorbeeld moeten zien, als een beeld zelfs van wat een doorleefd leven dient in te houden. Op het symbolische vlak kan men het labyrint ook zien als een tegenhanger van de piramide: tegenover de eenduidige hiërarchieën die in potentie steeds een totalitaire inhoud hebben, bestaat er een model van verwarrende en in de war brengende kronkelingen, het model van een warrelende draaikolk die enkel zijn doel kan bereiken na vele en lange omwegen.

Welke rol zou volgens u de Hindoe-traditie kunnen vervullen bij een eventuele spirituele wedergeboorte?

Ik ben niet zo erg vertrouwd met de Hindoe- (of Indische) traditie, maar ik geloof dat zij een bijzondere betekenis zou kunnen hebben-, in die mate dat zij een van de oudste getuigenissen is en tezelfdertijd een van de meest conservatieve elementen vanuit het oogpunt der kosmogonie, in haar wijze van formuleringen en in haar riten. Het in verbinding brengen van het geestelijk goed der Indiërs (de Indo-Ariërs) met het geestelijk goed van het oude Rome of van het oude Ierland heeft trouwens, zoals u weet, toegelaten om voor goed licht te werpen op onze kennis van een gemeenschappelijke Indo-Europese religie. In het algemeen gesproken meen ik dat er rijke lering te puren valt uit de studie van de meeste “oosterse” tradities. Dit niet enkel maar en uiteraard vanzelfsprekend uit de religie der Veda ’s, maar ook uit die van het Shintoïsme of het Zen-boeddhisme. Al deze religies hebben eenzelfde inzicht omtrent het Zijnde en het Heilige, uitgaande van een niet-duale levensinstelling. Dit in tegenstelling met het dualisme omtrent het geschapen zijnde en het niet-geschapen zijnde, dat het distinctieve kenmerkt uitmaakt van de religies die voortgekomen zijn uit de Abrahamietische openbaring.

Wat zijn uw verbindingen met Mirca Eliade en welk invloed heeft die op u gehad?

Spreken over invloed lijkt mij licht overdreven. Ik heb Mircea Eliade meermaals ontmoet bij zijn doortocht in Parijs. Hij bewoonde een klein appartement in de buurt van Montmartre. Onze gesprekken gingen vooral over de geschiedenis van de religies. Ik heb daaruit niet altijd dadelijk het voordeel gehaald dat ik eruit had kunnen halen. Eliade is een man die eerder moeilijk te benaderen is. Ondanks een veelvoud aan activiteiten beweerde hij dat hij een teruggetrokken leven leidde. Om zijn persoonlijkheid te kunnen hersamenstellen en om die te kunnen waarderen is het nodig rekening te houden met zijn in oorsprong Roemeense afkomst, evenals met zijn existentiële ondervindingen (zijn verblijf in Indië) en te weten hoe men parallel daarmee zijn essays, zijn herinneringen en zijn romans moet lezen. Slechts op die wijze kan men de legpuzzel van Eliade terug samenstellen. Ik herinner me twintig jaar geleden, dat sommige n van zijn nabestaanden hem te “universalistisch” vonden omdat hij zich bezighield met alle mogelijke soorten religies van de mensheid. Dat is een wel te eenzijdige voorstelling. Eliade houdt er in feite een meervoudige polyfone benadering van de homo religiosos op na: hij is steeds op zoek naar de krachtlijnen, door gebruik te maken van alle mogelijke hem ter beschikking staande wegen. Anderen hebben hem verweten er een axiomatische mystiek op na te houden, zeg maar “een ergernisverwekkende ontologie”. Dit is zo mogelijk en uiteraard nog absurder. Wat juist is dat is dat achter overwegingen die schijnbaar zeer academisch lijken, Eliade zich nooit heeft losgemaakt van een geloofsovertuiging die men “heidens ” kan noemen, ofschoon hij zich deze term nooit heeft toegeëigend. Hij aanriep een immanente transcendentie die in wezen een was met de vitale krachten die door de wereld stromen en die hij gelijk stelde met het Zijnde op zich. Het lijkt mij vandaag dat hij een van de weinigen is geweest die het best het radicale onderscheid gezien en gerealiseerd heeft dat er bestaat tussen de traditionele “kosmische” religies en de “historische religies” (die men ook kan zien als de eerste moderne religies). De eersten vinden hun grondslag in het circulaire verloop van de tijd, de anderen in een lineaire conceptie van de temporaliteit, waarbinnen de revolutie een niet te herstellen breuk vertegenwoordigt. De meest essentiële notie bij hel is het onderscheid tussen het heilige en het profane, een fundamenteel denkschema van waaruit de mens zijn ganse kosmologie heeft opgebouwd. Eliade beziet het heilige niet vanuit een fenomenologische hoek zoals Rudolf Otto dat doet, maar als een op zichzelf staande substantie die zich op een mysterieuze wijze manifesteert. Hij heeft niet opgehouden om er de samenhang en de stabiliteit van aan te tonen. Dit is het wat hem toelaat om in zijn La nostalgie des Origines te schrijven dat “het begrip religie” nog een nuttige uitdrukking kan zijn op voorwaarde dat men er zich van bewust is dat dit niet noodzakelijk het geloven in een God, in goden of geesten hoeft in te sluiten, maar zich beroept op de ondervindingen van wat heilig is en bijgevolg verbonden is met het denken aan het Zijnde, aan het betekenisvolle en aan de waarheid”. Ik ben nog steeds lezer van het tijdschrift History of Religions, dat hij aan de universiteit van Chicago gelanceerd heeft. Indien Frankrijk hem op het einde van de oorlog een goede ontvangst had aangeboden, zou hij niet gedwongen geweest zijn om naar de Verenigde Staten uit te wijken.

U hebt eveneens Georges Dumézil zeer goed gekend die sinds enkele jaren overleden is. Welke persoonlijke indruk heeft deze man op u gemaakt en wat denkt u over de erfenis die hij ons heeft nagelaten?

De herinneringen die ik aan deze man heb is die van een buitengewoon vriendelijke persoonlijkheid. Het was in de loop van 1969 dat ik hem leerde kennen. Dat was ter gelegenheid van de oprichting van het tijdschrift Nouvelle Ecole waarvan ik het bestuur waarnam. Ik publiceerde een vraaggesprek met hem. Ik was toen met mijn zesentwintig jaar op velerlei gebied nog een volkomen neofiet. Dumézil liet een vriendelijk geduld blijken, vermengd met een aandachtige sympathie voor het tijdschrift dat ik een jaar voordien had gelanceerd. Sindsdien zijn wij in zeer nauw contact met elkaar gebleven. Enkel zijn overlijden heeft daaraan een einde gemaakt. Dumézil was niet alleen maar een man met een immense kennis – een kennis die men zich op onze dagen niet meer kan voorstellen kan – hij bezat ook een schalkse geest en was bij dit alles steeds op zijn hoede. Niets deed hem meer plezier dan zijn tegenstrevers te kunnen antwoorden en hen op te sluiten in hun eigen tegenstellingen. Non-conformist die hij was, bleef hij op zijn hoede voor alle mogelijke modeverschijnselen en bleef hij onverschillig tegenover de hem betoonde loftuigingen. Hij wenste overigens ook geen “ leerlingen” te hebben. Toen hij mij in het begin der zestiger jaren eens vergezelde naar de deur van zijn appartement in de rue Notre Dame des Champs, zei hij: “ Iedereen wil van mij een structuralist maken, gij tenminste weet dat dit niet het geval is”. Enkele jaren later vroeg Jean Mistler, die toen vastbenoemde secretaris aan de Académie Française was, of ik aan alle leden van de Académie een nummer wilde zenden van Nouvelle Ecole dat speciaal gewijd was aan het werk van Dumézil (dit nummer is later als boek verschenen bij de uitgeverij Copernic, onder de directie van professor Jean-Claude Rivière, nvdr). De man voegde er aan toe “zij weten zo goed als niets over hem”. De verkiezing van Georges Dumézil de Académie Française was voor een groot deel te danken aan deze “campagne”, die door Jean Mistler gevoerd werd. De dag van zijn intrede in de Académie, waartoe Dumézil mij en mijn vrouw had uitgenodigd om aanwezig te zijn op de receptie die voor de gelegenheid gegeven werd op de quai Conti, nam hij mij even apart en zei hij met een fijn glimlachje: “ Ik heb de indruk dat ik mij hier nogal eens zal gaan vervelen”. Na zijn dood meenden zijn tegenstrevers vrij spel te hebben en begonnen zij met de meest dwaze beschuldigingen tegenover hem te uiten. Didier Eribon heeft in zijn boek Faut-il bruler Dumézil, « Flammarion, 1992 » stelling genomen tegen dit kwalijk spektakel. Wat zal ik zeggen in verband met zijn nalatenschap? Het is duidelijk dat het werk van Dumézil tot op heden moet beschouwd worden als een echt monument. Toch is dit monument slechts een gedeelte van het hele gebouw. Hiermee wil ik zeggen dat de Indo-Europese studies genoopt zijn om zich verder te ontwikkelen, inbegrepen hierin de richtingen die Dumézil bewust of onbewust niet onderzocht heeft. Zo bv. blijkt vandaag duidelijk dat de ideologie van de “ tripartide” waaraan Dumézil het hoofdgedeelte van zijn werk heeft gewijd, slechts een gedeelte omvat van de Indo-Europese religie en, dat daarbij nog beperkt bleef tot een aspect van een zeer korte periode, met name deze van de “heroïsche gemeenschappen” uit het tweede millennium van voor onze tijdrekening. Zonder twijfel was de Indo-Europese religie bij het begin van het neoliticum, op het einde van het paleoliticum, zeer verschillend daarvan. In zijn werk over de kosmische religie der Indo-europeanen « La religion cosmique des indo-Européens, Arché, 1987 » lijkt het mij dat Jean Haudry, wat dit punt betreft, veel verder gegaan is dan Dumézil. De enige tegenwerping die men deze laatste zou kunnen maken is dat hij bij zijn benadering van het universum der Indo-Europeanen al te weinig “historisch” te werk is gegaan. Hij heeft er zich niet om bekommerd door te dringen in omstandigheden verbonden met de diepe sociale veranderingen die zich sinds de aanvang hadden voorgedaan. En aangezien hij sinds zijn jeugd te keer is moeten gaan tegen het al te geprononceerde naturalisme van een Max Müller of een James Frazer heeft hij, op zijn beurt te geprononceerd, steeds de vrees gehad in “naturalistische” interpretaties te vervallen. Dit heeft hem, er volgens mij, toe gebracht te weinig rekening te houden met datgene wat de Indo-europese religie heeft weten te verbinden met de zonnecultussen: het bestuderen van de hemel, de tijdsindelingen, de loop der jaargetijden, enz. Tenslotte, gezien zijn zeer grote persoonlijke verwantschap met de Romeinse wereld, heeft hij zonder twijfel het belang van de Indo-europese erfenis in Griekenland sterk onderschat.

Een van uw laatste werken is getiteld Famille et société « Le Labyrinthe, 1996 ». Hierin bestudeert u het Europese familiebegrip: de oorsprong ervan, zijn mythes en zijn actuele toestand. Wat was de invloed van het christendom op het Europese familiebegrip? En, bestaat er zo iets als een heidense versie van het begrip familie?

Het christendom heeft geen invloed van enige betekenis uitgeoefend op het Europese familiebegrip tenzij dan betrekkelijk laat. Overweeg dat het haar meer dan duizend jaar gekost heeft om een theologie in verband met het huwelijk te ontwikkelen en er een sacrament van te maken. Toen de kerk begon na te denken over huwelijk en gezin stond zij vooralsnog voor een zo goed als dogmatische lege ruimte. In de evangeliën geeft Jezus nergens een positieve opinie weer omtrent de procreatie en blijft hij totaal doof over wat de “ ideale familie” zou moeten zijn. Hij beperkt er zich toe de “verstoting” te veroordelen, maar onderlijnd zeer duidelijk de voorrang van het superieure verbond der geloofsgemeenschap op de bloedverwantschap en hij laat duidelijk verstaan dat de maagdelijkheid en het celibaat waardevoller zijn dan de echtelijke vereniging. Na hem heeft de heilige Paulus de leer van de kerk verder omgebogen in de minachting voor “het vlees”: het huwelijk is voor hem niet meer dan een lapmiddel. De seksuele onthouding droeg in het bijzonder bij tot de waardigheid van de primitieve kerk, zij het onder de vorm van maagdelijkheid of celibaat, of onder de vorm van onthouding binnen het huwelijk. Het volstaat om Tertullius, Origenes, Cyprianus van Carthago, Ambrosius van Milaan of Gregorius van Nysse te lezen om te weten dat in de periode van de kerkvaders het huwelijk voor alles werd opgevat als een remedie tegen de ontucht. In beginsel schijnt het christelijke ideaal dus duidelijk bestaan te hebben in de totale verwerping van elke seksuele activiteit. Maar het is wel duidelijk dat het aanvaarden van dergelijk ideaal alleen maar de ondergang van het christendom kon betekenen. Anderzijds moest de kerk reeds zeer vroeg optreden tegen de zogenaamde “enkratische” stromingen die als ketterij verworpen werden en die in diezelfde richting nog heel wat verder wensten te gaan. Zij verwierpen niet alleen elke seksuele relatie binnen het huwelijk, maar predikten zelfs de castratie. Om een antwoord te kunnen geven aan de ketters, en om te kunnen antwoorden op de vragen van de getrouwen, kwam de kerk er uiteindelijk toe haar standpunt te bepalen. De christelijke leerstellingen omtrent het huwelijk werden tussen de IXde en de XIIde eeuw trapsgewijs vastgelegd. De grote lijnen daarvan mogen wij als bekend beschouwen. De maagdelijkheid blijft behouden als een superieure staat ten opzichte van het huwelijk, maar zij wordt niet als een verplichting opgelegd tenzij dan, tenminste theoretisch, aan priesters en kloostergemeenschappen. Tevens wordt parallel daarmee voortaan het huwelijk als deugdzaam beschouwd wanneer het voldoet aan de drie door de heilige Augustinus vooropgestelde voorwaarden: het voortbrengen van kinderen, de echtelijke trouw en de bevestiging ervan door een sacrament. Deze christelijke vorm van het huwelijk had de grootste moeite om zich te kunnen handhaven, gezien hij in velerlei opzichten in tegenspraak was met het essentiële van de heidense vormen van het familiale- en huwelijksleven. Waar volgens het Romeinse, het Keltische en het Germaanse recht onder bepaalde voorwaarden de scheiding, de terugroeping of de ontbinding mogelijk was, zo bv. bij de gebleken onvruchtbaarheid van een der echtgenoten, werd het christelijk huwelijk als onontbindbaar verklaard: het paar als een geheel had voorrang op de bloedverwantschap. Deze strekking werd nog versterkt door het belang dat de kerk hechtte aan de vrijwilligheid der persoonlijke instemming van beide echtlieden. In samenhang met het betreffende tijdperk komt deze houding erop neer dat, door een nieuwe vorm van autonomie te scheppen voor het individu, de belangen van de familie en van de stam in verband met de overdracht van de erfenis naar het tweede plan verwezen werden. Door een autonome vorm van samenleven in te stellen ten nadele van meer uitgebreide vormen van geïntegreerd zijn en van solidariteit (gemeenschap, familie, afstamming), heeft het christelijk huwelijk een lang proces van individualisatie ingeleid dat uiteindelijk uitgemond is in het moderne “huwelijk uit liefde” (en dat op vandaag de voornaamste oorzaak van de echtscheidingen uitmaakt). Anderzijds werd gedurende de ganse middeleeuwen de kerk geobsedeerd door de strijd tegen incest. Tot in 1215 was het aan nichten en neven tot in de zevende graad verboden om met elkaar in het huwelijk te treden! In tegenstelling hiermee berustte sinds onheuglijke tijden het Indo-europese systeem van de bloedverwantschap op een vorm van inteelt: de gekruiste koppeling tussen neven en nichten. De verwerping van een huwelijk, zelfs tussen ver uit elkaar liggende bloedverwanten, sluit op een gevoelige wijze niet alleen het aantal huwelijksmogelijkheden uit, maar gaat op een directe wijze in tegen een traditionele logica die karakteristiek is voor de aristocratische huwelijken, of ook nog tegen de aanspraak op het behoud en de restructurering van het patrimonium of de domeinen, die samengaat met de noodzaak van een duurzame verbintenis tussen de geslachten. Tenslotte schrijft de kerk voor dat elke vorm van seksualiteit beperkt moet blijven binnen de grenzen van het huwelijk, waarbij deze activiteit tevens nog aan strenge beperkingen onderworpen wordt. Zo wordt bv. het concubinaat dat in de Oudheid algemeen verbreid was, verworpen. Dit wordt thans beschouwd als overspel, bigamie of polygamie. De huwelijksverbintenis wordt voortaan de enige legitieme mogelijkheid om op erotisch gebied actief te zijn, wat zeggen wil dat het verboden is nog langer een onderscheid te maken tussen Venus en Juno. Dit staat volledig in tegenstelling met wat Demosthenes ooit zegde: “Ziehier wat het zeggen wil gehuwd te zijn. Het betekent zonen te hebben die men aan zijn familie en buren kan voorstellen en dochters die men ten huwelijk kan aanbieden. Wij hebben courtisanen voor ons vermaak, concubines ter bevrediging van onze dagelijkse fysische noodzakelijkheden en echtgenoten om onze wettelijke kinderen te dragen en de trouwe behoedsters te zijn van onze haardsteden. ” « Tegen Neaera, 122 ». De christelijke leer gaat, wat deze punten betreft, volledig in tegen de heidense conceptie omtrent huwelijk en familie. Georges Duby noemt dit het conflict tussen “de strijdersmoraal ” en “de moraal der priesters”. Door deze beide vormen in te voeren heeft de kerk zich het exclusieve recht toegeëigend om over de matrimoniale aangelegenheden te mogen oordelen. Dit was voor haar een buitengewoon sterk middel om druk uit te kunnen oefenen op de leken. Het heeft haar tenslotte toegelaten de ganse maatschappij te hervormen en aan haar hegemonie te onderwerpen.

Wie is voor u uw beschermheilige?

Ik heb me nooit onder de bescherming geplaatst van een of andere heilige “protector ”. Een pantheon immers vormt steeds één geheel. Zo kan men evenmin de gelijkmoedigheid tegenover de passie plaatsen als, om maar een voorbeeld te noemen, Dionysos tegenover Apollo. Die zijn zoals trouwens alle goden, elkaars complement . Zeggen we maar dat in de Germaanse mythologie de godin Freya met haar door katten voortgetrokken wagen, mij met haar charmes zeer bekoort. Ik ben echter niet zeker of er in deze laatste appreciatie wel iets fundamenteel religieus aanwezig is!

Overgenomen uit Antaios.

Vert.: Luc Pauwels

[1] Nederlandse uitgave: Alain de Benoist, Heiden zijn vandaag de dag, Delta-Stichting, Wijnegem en Monnickendam, 1985. Te verkrijgen door storting in België op rekeningnr. 733-0062859-33 (Kredietbank) t.n.v. Delta-Stichting v.z.w. en in Nederland op rekeningnr. 63.85.52.613 (F. van Lanschot – Bankiers te Goes) t.n.v. Delta-Stichting. Prijs: € 12,5, porti: € 2,50 (binnenland)/€ 5 (buitenland).

Posted in frankrijk, traditie en revolutie, vraaggesprek | Getagged: , , , , | Leave a Comment »

De pan-Arabische Baathpartij en het nationalistisch verzet in Irak

Posted by drietand op 21 november, 2007

De Baath-partij, officieel de Socialistische Partij van de Arabische Herrijzenis, werd op 7 april 1947 in Damascus gesticht, toen een basistekst werd aangenomen en een uitvoerend comité van de partij werd aangesteld. De stichters van de Baath – namelijk Michel Aflaq (een Grieks Orthodox-christen), Salah al-Din Bitar (een soennitische moslim) en Saki Arsuzi (een sji’itische moslim)- waren in de jaren ’30 westers geschoold. De basis van de Baath werd gelegd in de vroege jaren ’40 in Damascus in en rond de beweging van Aflaq en Salah die demonstraties organiseerden tegen de Britse aanwezigheid in Irak en voor de steun aan de regering van Rashid Ali al-Kailani. De belangrijkste leider werd evenwel Aflaq. De Baath-partij streeft sinds haar oprichting naar een nationale Arabische Staat, steunt vrijheidstrijd tegen kolonialisme en zionisme, en op economisch vlak verdedigt de partij een niet-marxistisch socialisme. Vooral het verzet tegen het kolonialisme, gebaseerd op een regeneratie van het gemeenschappelijk Arabisch erfgoed, bepaalde het wezen van de Baath. De Baath zou haar verspreiding buiten Syrië pas in 1948 kennen, na de stichting van Israël op Palestijns grondgebied. De Baath trok/trekt vooral mensen uit de religieuze minderheden aan, omdat de partij seculier is. Alhoewel Aflaq en Bitar het communisme verwierpen, aanvaardden ze wel het Leninistisch principe van organisatie via een voorhoede-elite. Toelating van lidmaatschap van de Baath-partij gebeurde uiterst selectief, vooral op hoger niveau. Kandidaten moesten worden voorgesteld door een lid en slagen in een rigoureuze initiatieperiode van minstens twee jaar alvorens lid te kunnen worden. De Baath-partij heeft steeds getracht het lidmaatschap te beperken tot de ideologisch gevormden en overtuigden.

Lees de rest van dit artikel »

Posted in arabië, geopolitiek | Getagged: , , , , , , , , , , , , , , | 3 Comments »

Solidariteitspact?

Posted by drietand op 19 november, 2007

 

“Als Solidaristische partij keert de VNP zich tegen het liberalistisch uitbuitingskapitaal evengoed als tegen de marxistische en collectivistische wereldbeschouwing. Het is de plicht van een solidaristische partij de uitwassen van de prestatiemaatschappij te beteugelen. Tegen neerdrukkend en verdrukkend marxisme en collectivisme in, tegen individualisme en egoïstisch liberalisme in, verwerpt de VNP alle klassenstrijd en alle uitbuiting. Gemeenschap en enkeling kunnen enkel baat hebben bij een dienende samenwerking van allen.”

De erfgenamen van de VNP moeten misschien eerst eens goed nadenken voor ze organisaties zoals het VOKA (Vlaams netwerk van ondernemingen) steunen. In de geest van deze bovenstaande tekst kan men toch moeilijk de agenda van VOKA plaatsen die een pact hebben gesloten met de UWE (de vereniging van Waalse ondernemingen) en het BECI-VOB (het verbond van ondernemingen in Brussel). Met andere woorden, het VOKA heeft een verbond gesloten met de andere regio’s en noemen dat dan een solidariteitspact. Maar dat pact is geen interregionaal pact dat meer autonomie geeft aan de regio’s. Het gaat hier veeleer om een pact afgesloten tussen de Belgische economische kaste en heeft alleen tot doel om solidair te zijn in het streven naar de winstmaximalisatie van deze kaste. Die objectieven kunnen maar gerealiseerd worden door de werk- en arbeidsvoorwaarden drastisch aan te passen aan de mondiale supranationale kapitalistische agenda die werkvoorwaarden en lonen wil harmoniseren. Deze harmonisatie kan alleen maar een neerwaartse zijn, gezien de concurrentiepositie van (de elkaar beconcurrerende) bedrijven op wereldvlak. VOKA en de andere Belgische patroons willen bij een komende neerwaartse conjunctuur er voor zorgen dat er voldoende arbeidsaanbod is dat zeer flexibel kan ingezet worden en liefst aan zo voordelig mogelijke voorwaarden.

De Belgische kapitalisten zien een wereldwijde economische recessie aankomen en gaan nu de regionalistische tour op. Zij willen de regio’s tot meer verantwoordelijkheid inzake tewerkstelling en inzake bedrijfbelasting aansporen. Dat is (in tegenstelling tot wat veel nationalisten denken) totaal geen uiting van meer autonomiedrift bij de bedrijven, maar is integendeel ingegeven door het besef dat de regio’s over steeds meer geld beschikken en dus interessante partners zijn geworden om bedrijfswinsten binnen te halen of te stabiliseren.

De Belgische kapitalisten zijn het van oudsher gewoon om, als het minder gaat op de internationale en nationale markt, maar te gaan aankloppen bij de overheid. De Belgische overheid was altijd al gul om de economische kaste gemeenschapsmiddelen toe te stoppen als het even iets minder gaat op de markt. Daarom ondersteunt die kaste ook de Belgische constructie al meer dan 175 jaar.

Maar nu zijn veel van die financiële middelen in handen van de regionale Belgische kaste, met name in de handen van de deelparlementen. De tactiek moet dus aangepast. Men gaat nu proberen om de regio’s uit te melken, men noemt dat dan solidariteit. Voor het bedrijfsleven geldt maar een axioma, je moet daar gaan waar het geld zit. En de Vlaamse deelregering heeft weinig macht maar wel veel geld.

De regio’s moeten instaan voor voldoende zuurstof voor onze bedrijven zegt VOKA. Ze hebben daaraan twee voorwaarden gekoppeld:

 

Elke regio moet met zijn respectievelijke deelregeringen een concreet toekomstplan uitwerken om het doel te bereiken.

De regio’s moeten de noodzakelijke hefbomen en bevoegdheden krijgen om die doelstellingen te realiseren.

Onze prioriteiten zijn daarbij bekend zegt VOKA, we vragen homogene bevoegdheden met betrekking tot de arbeidsmarkt en het arbeidsmarktbeleid, en we vragen de gedeeltelijke regionalisering van de vennootschapsbelasting. VOKA en andere belangengroepen gaan ervan uit dat Vlaamse autonomie betekend dat we de Belgische opbodpolitiek en belangenbehartiging van deelgroepen zo maar moeten transplanteren naar een toekomstige onafhankelijke staat Vlaanderen.

Voor de Belgische kaste is het gewoon een kleine situatieverandering die eigenlijk ten gronde niets veranderd aan de bestaande structuren en slechte gewoonten van hun voormalige habitat, de Belgische. Dat men dan die nieuwe Vlaamse habitat een ultraliberale en antisociale agenda opdringt is voor de arrogante Belgische kapitaalkaste zo evident als ware ze nog steeds in het goede oude België. Dat is het hem juist, die Belgische kaste denkt en ageert nog altijd Belgisch. Komt daar nog bij dat men de verkiezingsuitslagen in Vlaanderen als rechts en pro-autonomie percipieert, de kapitaalbezitters leiden daar uit af dat men in Vlaanderen af wil van het sociale bescherming en verzorgingsmodel. Maar de Vlamingen hebben eerder rechts gestemd voor wat betreft vraagstukken van veiligheid, immigratie en, in het algemeen, de meer morele vraagstukken die zich stellen. De Vlamingen hebben echter niet antiverzorgingsstaat gestemd.

Dat is de analyse die de pronationalistische, maar ultraliberale, partijen hebben gemaakt. Ze menen daaruit te kunnen afleiden dat men van Vlaanderen een USA aan de Noordzee kan maken.

Wij, Solidaristen, willen van een (op de USA gebaseerde) maatschappij niet weten. Voor ons is meer Vlaamse autonomie, meer Vlaamse volkswelvaart. Wij zijn voor staatsinterventie zoals de patroons nu zelf vragen (de wereld op zijn kop) maar dat kan maar gegeven worden in ruil voor de verdeling van meer macht en medebezit in de economische ruimte aan brede volksgroepen in onze samenleving. Het opstarten van een Vlaamse tweede en derde pensioenpeiler kan daarvoor een belangrijke hefboom worden. De miljarden Euro’s die in deze fondsen zullen gestopt worden kunnen dienen om het volk mede-eigenaar te laten worden van een deel van onze economie.

Nieuw-Solidarisme moet het werkelijke doel zijn van elke nationalist. Het volk is de staat, en de staat participeert in zijn economische hefbomen. Dat is het enige en echte solidariteitspact dat ooit kan gesloten worden tussen industrie en staat. De rest is alleen maar solidariteit van de arme met de rijke, en daarvan hebben we genoeg gehad!

Posted in Uncategorized | Getagged: , , , , , , | 1 Comment »

De wortels van het Solidarisme

Posted by drietand op 16 november, 2007

Inleiding

“Ik ben solidarist”. (Eerste minister Leo Tindemans, 13 december 1977, in de Kamer van volksvertegenwoordigers)

Aan het begin van de 21ste eeuw merken we meer en meer een diepgaande crisis in de Europese samenlevingen die overgeleverd worden aan een wild turbokapitalisme. Liberaliseringen, globalisering, herstructureringen, outsourcing, vrije handel, te hoge loonkosten, flexibiliteit,… Het zijn stuk voor stuk dogma’s waar de maatschappij dagelijks verder mee vergiftigd wordt tot iedereen concurrent is van iedereen, tot de happy few alle rijkdom in handen hebben ten koste van massale legers armen of werknemers die bij de minste tegenslag onder de armoedegrens tuimelen. Er is nochtans een andere weg, een alternatieve weg. Er is de weg van het solidarisme: de harmonie tussen het persoonlijke en het gemeenschappelijke.

Het solidarisme is gebaseerd op een respect voor alle levende wezens in een harmonieuze, organische inderdependentie. Dit omvat:
1. generationele solidariteit
2. streekgebonden en familiale solidariteit
3. solidariteit tussen gezonden en zieken
4. solidariteit tussen producenten en consumenten
5.solidariteit tussen werkgevers en werknemers
6. solidariteit tussen rijk en arm
7. solidariteit ten aanzien van het geheel van de biosfeer, de natuurlijke leefomgeving van het volk en de toekomstige generaties.

Solidarisme kan niet opgevat worden als een door het individu vrijwillig te aanvaarden of te kiezen houding. Dit zou in strijd zijn met de organische opvatting van de (volks-)gemeenschap en het weloverwogen evenwicht tussen individu en gemeenschap. Doel is een evenwicht tussen enerzijds de volledige ontplooiing en ontwikkeling van de individuele persoon en anderzijds de waarborg van welvaart en welzijn voor de ganse volksgemeenschap. De mens is van nature een sociaal wezen en de gemeenschap is een organisch geheel dat wortelt in die sociale natuur. In deze zin wordt het begrip solidarisme gebruikt. De delen van de kosmos moeten samenwerken en niet onderling strijden. Hierin ligt een welbegrepen interpretatie van sociaal-Darwinisme: samenwerking om tot betere resultaten te komen. De solidaire verbondenheid van mens en gemeenschap is de grondzuil van alle vormen van mens-zijn.

Adam Ferguson wees er in zijn ‘Essay on the History of Civil Society’ (1767) reeds op hoe door de differentiërende arbeidsverdeling een saamhorigheid of solidariteit tussen allen die met verschillende bekwaamheden en functies in het ene arbeidsproces betrokken zijn. De solidariteit als kernbegrip verwierf haar plaats in de sociologie door Emile Durkheim (1858-1917). Voorts is het solidariteitsbegrip schatplichtig in z’n ontwikkeling aan de socialistische theoreticus Pierre Leroux (1797-1871) die er een ethische betekenis aan meegaf. Daarnaast speelde ook de Franse economist Charles Gidé (1847-1932) een belangrijke rol omwille van zijn werk over de coöperatieve gedachte. In Frankrijk ontstond een solidaristische gemeenschapsleer, die tot aan de Eerste Wereldoorlog als het ware de mythe van de Derde Republiek is geweest, de voornaamste woordvoerder ervan was Léon Bourgeois.

Economie en gemeenschap

De feitelijke greep van grote ondernemingen op de nationale en internationale markt, de invloed van het binnenlands en het buitenlands grootkapitaal op de ontwikkeling van onze materiële welvaart valt nauwelijks te overschatten. De politieke wereld is machteloos en heeft zich sinds 30 jaar uitgeleverd aan de neoliberale ideologie en haar dogma’s. Financiële machtsconcentraties worden bevorderd of gesteund. Er is de bijna éénzijdige dienstbaarheid van de gemeenschap die het bedrijfsleven geld, infrastructuur en scholing ter beschikking stelt zonder voldoende waarborgen voor wederdiensten op lange termijn, enz… Het zijn allen aspecten van een scheef- en dooreengegroeide private economische macht en het algemeen welzijn. De staat krijgt enkel nog de taken toebedeeld die de vrije kapitalistische markt niet kan of niet wil op zich nemen, en wordt als een lastpost beschouwd. De gemeenschap wordt hier als dienstbaar gehouden aan private economische belangen. Het solidarisme stelt dat het net andersom moet zijn.

Onze materiële welvaart is uitgegroeid tot een allesoverheersende woekerplant die al het overige, het spirituele, al het menselijke dreigt te vernietigen. De voorrang van het materiële wordt daarenboven in de hand gewerkt door de feitelijke macht van kapitaal en industrie op de ontwikkeling van onze stoffelijke welvaart en zelfs op de samenstelling van ons cultuurpatroon. De staat en de politici in de liberaal-democratuur dienen in hun beleid de financiële noden van het grootkapitaal en houdt slechts in bijkomende mate (en steeds minder) rekening met sociale, culturele en ecologische waarden. Voor het solidarisme dient –vanuit een solidaristisch mensbeeld- steeds het spirituele en geestelijke voorrang te krijgen op het stoffelijke. De staat heeft als geheel van gezagsorganen een dienende rol ten aanzien van de enkeling wiens levensopgave het is zichzelf te verwezenlijken in een op de anderen gerichte solidariteit.

De rol van de staat

Welke rol speelt de staat in een solidaristische maatschappij? De staat is de ordende macht en heeft als taak het algemeen welzijn te bevorderen. Hieruit volgt logischerwijs dat de staat geen buit mag zijn die verdeeld wordt tussen machts- en belangengroepen. Om dit te verhinderen is een sterke staat nodig. Om het algemeen welzijn te bevorderen moet de staat rechtszekerheid bieden, orde en gerechtigheid doen heersen. De liberale minimale staat ( de “nachtwakersstaat”) schiet in z’n opdracht ernstig te kort omdat hij de zwakkeren en de armen in feite zonder bescherming overlevert aan de willekeur van de machtigen en de rijken. Het algemeen welzijn kan dan ook slechts bevorderd worden indien de staat over de mogelijkheden beschikt om de openbare zedelijkheid strak in de hand te houden en individuele ontsporingen krachtdadig kan bijsturen, en daarenboven een rechtvaardige verdeling van de aardse goederen nastreeft. Er is in een gemeenschap geen sprake van algemeen welzijn indien corruptie, geweld, ontucht, parasitisme, uitbuiting,… ongemoeid worden gelaten. In het begin van de 21ste eeuw zien we dat de staat en z’n macht uitgehold worden. Het recht van de sterkste neemt dan ook toe, net als de gevallen van corruptie, uitbuiting, geweld,…

De staat kan het algemeen welzijn niet bevorderen via rechtszekerheid en zedelijkheid indien er gelijktijdig geen rechtvaardige verdeling onder alle gemeenschapsleden gezorgd wordt van een zo groot mogelijke welvaart. Deze welvaart omvat veel: kennis en cultuur, openbare en particuliere gezondheid, materiële rijkdom. Materiële zorgen zijn overigens een beletsel voor deugd en cultuur. Daarom is het één van de belangrijkste taken van de overheid om het particulier initiatief op dit terrein nauwkeurig te volgen en in te grijpen telkens aan de vereisten van het algemeen welzijn in de reeds beschreven betekenis niet wordt voldaan.

De solidaristische sociale ethiek

Uitgangspunt van het solidarisme is de mens niet als een op zichzelf levend individu, geen enkeling die slechts onderdeel is van een groter geheeld, maar wel de mens als persoon die “ik” en “wij” tegelijk is en de taak heeft zichzelf te verwezenlijken in een leven dat gericht is op de vreugde en de noden van anderen. Het solidarisme tracht welvaart en échte vrijheid tot stand te brengen door een beroep te doen op de volledige mens. Daarin ligt precies de ethische waarde ervan.

Geen enkele maatschappij, en zeker niet deze van de 21ste eeuw, kan bestaan zonder een vorm van structuur en organisatie. Onderwerping aan een stel wetten en reglementen zijn noodzakelijk om een stabiel leven te kunnen leiden. Het dwingend karakter hiervan is een gevolg van de menselijke natuur die de neiging heeft het laken eerst en vooral naar zich toe te willen halen, eventueel ten koste van de rechten van anderen. Persoonlijke vrijheid wordt niet enkel begrensd door de vrijheid van anderen, ze wordt er ook door bedreigd. Een hoogontwikkelde maatschappij zoals waarin we nu leven kan niet bestaan zonder dit arsenaal aan wetten, reglementen, besluiten,… met een dwingend karakter en een Staat die ze afdwingbaar kan maken als instelling. Deze dwingende maatschappij is evenwel niet de enige oorzaak van ongenoegen, verbittering en verzet. Veel meer leed en ellende werd veroorzaakt door ideologieën die de bevolking verleidden met onrealistische of verouderde theorieën. De twee meest karakteristieke voorbeelden zijn het marxistisch collectivisme en het liberaal kapitalisme.

Marxistische regimes steunen op de tanks en bajonetten terwijl kapitalistische regimes vooral steunen op een niet licht te doorbreken traditie van de gevestigde orde (die altijd een min of meer structureel geweld inhoudt) waardoor een minderheid de gang van zaken blijft bepalen, desnoods tegen de wil in van de meerderheid. De voornaamste gelijkenis tussen het marxistische communisme en het liberale kapitalisme is de vervreemding waartoe ze burgers brengen. In het liberaal-kapitalisme vervreemdt de burger van zijn werk, hij werkt niet meer voor zichzelf noch voor de zijnen, noch voor z’n volk. Hij werkt in de eerste plaats voor het systeem en de kapitaalbezitters. Door de hiërarchische opvattingen en structuren ontstaat een apathie, hij draagt weinig verantwoordelijkheid –het wordt hem geweigerd- en uiteindelijk stelt hij er ook geen belang meer in.

Het liberaal-kapitalisme voldoet niet meer aan de sociaal-ethische eisen die aan een hoogontwikkelde maatschappij in de 21ste eeuw kunnen en moeten gesteld worden. De individualistische maatschappijopvatting die eraan ten gronde ligt moeten we afwijzen als verouderd en ethisch verwerpelijk. Het filosofisch individualisme ontkent het werkelijke bestaan en de innerlijke samenhang van de gemeenschap. De maatschappij zou dan een slechts de som zijn van enkelingen die samenwerken op grond van nuttigheidsoverwegingen. Zelfs los van ethisch-filosofische overwegingen moet men vaststellen dat het individualisme niet heeft geleid tot een evenwichtige maatschappij waarin iedereen ten volle meetelt. Zonder de correcties die de arbeidersbeweging heeft aangebracht aan het kapitalisme, zou het resultaat enkel maar een junglemaatschappij zijn geweest waar het recht van de sterkste geldt. In de praktijk zou dit betekenen dat een minderheid profiteert van de inspanningen en het leed van een meerderheid.

Op sociaal-ethische gronden moeten we de liberaal-kapitalistische weg volledig afwijzen als onbruikbaar om een rechtvaardige maatschappij tot stand te brengen. Gelijke rechten en gelijke kansen tot ontwikkeling van ieders persoonlijke mogelijkheden zijn onbestaande, evenals de gelijke toegang tot welvaart en cultuur. De 19de eeuw betekende de opkomst van het moderne industriële kapitalisme en het onstaan van de marxistische tegenreactie. De 20ste eeuw heeft het marxisme de doodsteek bezorgd en heeft via sociaal-democratische weg correcties trachten aan te brengen in het kapitalistisch systeem. Deze komen meer en meer onder druk te staan in het begin van de 21ste eeuw. Het neocorporatistisch model dat na de Tweede Wereldoorlog in West-Europa ontstond, heeft nooit kunnen verhelpen dat de sociale politiek enkel op overwegingen van eigenbelang steunde. Men verleende tegemoetkomingen om de arbeiders uit de handen van de marxisten te houden. De samenwerking en het overleg was steeds duidelijk een dienst aan het wederzijds eigenbelang want steeds bleef men dezelfde vijandige broers. Het spreekt vanzelf dat dit evenmin overeenkomt met het begrip solidariteit in z’n solidaristische betekenis.

De solidariteitsgedachte is zowel in het liberaal-kapitalisme als in het marxisme een karikatuur gebleken: gegrondvest op een louter utilitaristische basis ten bate van het individu in de eerste en de ondergeschiktheid aan een verstikkend collectivisme in de tweede, kon en kan geen echte wisselwerking ontstaan tussen persoon, gemeenschap en maatschappij en kan derhalve geen ethische gemeenschap groeien. Beide stelsels voegen bij het keurslijf van een dwingende maatschappij de dwang van een niet-menselijke ideologie. Van werkelijke sociale ethiek is hier dan ook geen sprake. De solidaristische ethiek daarentegen betekent dat iedereen de gelegenheid krijgt zichzelf te verwezenlijken om als persoon tot maximale ontplooiing te komen. Hiertoe is het subsidiariteistbeginsel noodzakelijk. Het solidarisme is gebaseerd op een ethisch gemeenschapsstreven, dat niet op eigen voordeel uit is, maar ontstaat uit bezorgdheid om het welzijn van de anderen in het kader van het algemeen belang.

Wat betekent dit algemeen belang? Het gaat hier in de eerste plaats om een algemeen welzijn, die dus ruimer is dan de materiële welvaart. Het is een samenspel van materiële, culturele en ethische waarden, die door wederzijdse hulp van allen tot stand moet komen en die de persoonlijke vervolmaking van iedereen moeglijk moeten maken, waarbij individuele personen niet als geïsoleerde wezens maar wel als eng verbonden met de volksgemeenschap beschouwd dienen te worden. Dit moet uitmonden in een ethisch gemeenschapsgevoel, dat zal ontstaan wanneer iedereen zichzelf als persoon wil verwezenlijken in een leven voor de anderen. Dat een sterke staat hierbij ontsporingen vanwege de menselijke natuur bij individuen moet kunnen bijsturen is evident. Het hogere heeft evenwel steeds een aanvullende rol ten overstaan van het hiërarchisch ondergeschikte. Wat een persoon tot stand kan brengen, hoeft de gemeenschap niet in zijn plaats te doen.

Solidarisme en het katholiek sociaal gedachtengoed

We zullen ons hier beperken tot een toelichting over Heinrich Pesch en de encyclieken Rerum Novarum (1891), Quadragesima Anno (1931), de encyclieken Mater et Magistra (1961) en Populorum Progressio (1967) zijn van minder belang. De twee eerst genoemde zijn belangrijk geweest voor de ontwikkeling van het katholiek sociaal denken en voor de katholieke arbeidersbeweging. Ook priester Daens deed bijvoorbeeld beroep op Rerum Novarum. Het solidarisme tussen de twee wereldoorlogen was christelijk geïnspireerd. Het christelijke solidarisme start in 1854 met de sociale theorie die ontwikkeld werd door de jezuïet Heinrich Pesch, weergegeven in zijn werk ‘Liberalismus, Sozialismus und christliche Gesellschaftsordnung’ (Freiburg, 1896-1899,2dl). Z’n belangrijkste werk was ‘Lehrbuch der Nationalökonomie’ (Freiburg, 1905-1923, 5dl). Daarin brengt hij een afgeronde economische theorie, gebaseerd op een thomistische wijsbegeerte. Hij overleed in 1926 te Valkenburg, de nationaal-socialisten vernietigden zijn graf en z’n bibliotheek / archief. Hij had een zeer grote invloed op de pauselijke verklaringen omtrent de sociale kwesties alsook op de praktische programma’s van de West-Europese christen-democratie. Het werk van pesch werd voortgezet door de jezuïet Gustav Gundlach, die in hoog aanzien stond bij paus Pius XII en diens radiotoespraken mee beïnvloedde.

Pesch lag aan de basis van wat we een solidaristische school kunnen noemen die een sterke invloed had op de ontwikkeling van de kerkelijke sociale leer. In Duitsland behoorden tot de school oa: Oswald von Nell-Breuning, Gustav Gundlach, Wilhelm Schwer, Theodor Brauer, Goetz Briefs, Mgr. Joseph van der Velden, Paul Jostock,… In Vlaanderen was er een belangrijke invloed van het denken van Pesch te merken. Op de ACV-congressen in de jaren ’20 en ’30 werd meermaals naar Pesch verwezen alsook naar het Quadragesimo Anno, hoewel men aan katholieke zijde niet snel geneigd was het solidarisme te koppelen aan het corporatisme. Aan Vlaams-nationalistische zijde daarentegen werd het solidarisme wel gekoppeld aan corporatisme alhoewel klemtonen konden verschillen naargelang personen en organisaties. Het Verdinaso noemde zich uitdrukkelijk nationaal-solidaristisch, het VNV sprak van organisch-solidarisme en soms ook nationaal-solidarisme. Daarnaast verdedigden tal van bladen solidaristische visies en standpunten, waaronder het weekblad ‘Jong Dietsland’ met oa Victor Leemans, Odiel Spruytte, Ernest van der Hallen en het magazine ‘Dietbrand’ van Wies Moens.

De gelijkstelling solidarisme – corporatisme – fascisme zou na de Tweede Wereldoorlog een belangrijke hindernis zijn voor een heropleving van de solidaristische visie. Maar het gebeurde toch. In 1947 richtten Herman Todts en Frans van Mechelen (later BGJG-voorzitter) de Solidaristische Beweging op met als blad ‘Branding’, waaraan Manu Ruys meewerkte. In de allereerste Volksunie was er een stevige solidaristische inslag via mensen als Jules de Clercq, Wim Jorissen en Herman Todts. In 1967 stichtte het latere VU-parlementslid Joos Somers de Actiegroepen voor Democratisch Solidarisme, met als orgaan ‘De Nieuwe Weg’. Voorts bleven oud-Dinaso’s actief en als enigen bleven zij na 1945 vasthouden aan de corporatistische verbinding, bijvoorbeeld in de kring rond Maarten van Nierop die sinds 1969 het blad ‘Vrij Dietsland’ uitgaf, drie jaar later vervangen door ‘Speerpunt’. In 1970 had van Nierop de Dietse Solidaristische Beweging gesticht en korte tijd later ook het Verbond van Solidaristische Militanten.

De leer over privé-eigendom ontstond in de negentiende eeuw die werd gekenmerkt door zowel proletarische ellende als kapitalistische verwording. De katholieke kerk trachtte deze te overwinnen vanuit motieven als zielszorg, zelfbehoud en verantwoordelijkheidsbesef. In Rerum Novarum wordt door paus Leo XIII een pleidooi gevoerd voor een rechtvaardig arbeidersloon en wordt het eigendomsrecht verdedigd. Privé-eigendom is een natuurrecht, en wel om de volgende vier redenen: ten eerste omwille van de redelijke natuur van de mens (waardoor denken aan de toekomst mogelijk is), ten tweede door het recht op de vruchten van zijn arbeid, ten derde wordt verwezen naar het feit dat alle volkeren dit recht kennen en tenslotte is het voor het gezinshoofd belangrijk om zijn familie te kunnen voeden en om zijn kinderen iets te kunnen nalaten.

In het Quadragesimo Anno van paus Pius XI komen twee stellingen terug die betrekking hebben op de eigendomsleer.
* Over het dubbel karakter van het eigendomsrecht: deze is verschillend naar gelang het gaat om individuele belangen (het recht verbonden aan het zorgen voor zichzelf en het gezin) dan wel het algemeen belang (met betrekking tot de goederen die “door de Schepper” voor de gehele mensheid zijn bestemd).
* Over de bevoegdheid van de overheid inzake het particulier eigendom: in het kader van het privé-eigendom moet dus rekening gewonden met het eigen en het algemeen belang. Het is de staat die bevoegd is om in te grijpen om dit algemeen belang te garanderen alsook om te omschrijven wat de verplichtingen zijn t.a.v. het algemeen belang. De staat mag echter niet willekeurig te werk gaan en zijn bevoegdheid wordt beperkt door de natuurlijke rechten op privé-eigendom.

Verlossing uit het proletariaat

De katholieke sociale gedachte heeft in de slagzin ‘verlossing uit het proletariaat’ duidelijk weten te maken dat het haar niet ontbreekt aan menselijke bewogenheid en sociaal pathos. Na 1891 veranderde er veel, zowel in de structuur van de westerse maatschappij als in de positie van het proletariaat. Deze ontwikkeling werkte door in de katholieke leer.In de tijd dat Quadragesimo Anno verscheen (1931), werd de situatie van het proletariaat door het volgende gekenmerkt:

à Objectieve kenmerken:
* De bezitsloosheid en het geringe inkomen waardoor de arbeider gedwongen werd om op de arbeidsmarkt per contract zijn arbeidskracht te verkopen, wat hem in een situatie van aanhoudende dreiging van bestaansonzekerheid dwingt.
* De afhankelijkheid van de arbeider als gevolg van de bezitsloosheid en de positie op de arbeidsmarkt, zowel met betrekking tot aanneming en ontslag alsook binnen het bedrijf in verband met arbeidsdeling, mechanisatie en rationalisatie.

Quadragesimo Anno ziet een aantal mogelijke oplossingen voor deze problemen:
* Bestaanszekerheid door aandeel in het bezit. De arbeider moet een eigen huis, een spaarbankboekje en een aandeel in de bedrijfswinst met op termijn aandeelhoudersrechten hebben, om zijn gezin te kunnen onderhouden en zijn kinderen iets te kunnen nalaten.
* Bestrijding van de armoede door werkloosheid via verschaffen van werkgelegenheid.
* Ontwikkeling van het arbeidsrecht om zekerheid te verschaffen met een arbeidscontract (op collectieve basis).
* Medezeggenschap in de bedrijven (dit als praktische eis en principiële beschouwingswijze: arbeid niet als doel maar als middel in de eeuwige bestemming).
* Uitbouw van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie.

à Subjectieve kenmerken:
* Het proletarische ressentiment: wrok tegenover zijn maatschappelijke situatie van afhankelijkheid, bestaansonzekerheid en onmondigheid, tegenover het als minderwaardig beschouwd worden alsook tegenover het als nummer behandeld worden.
* Het bewustzijn van de arbeiders: de wrok omgezet in een strijdbare wil om de eigen situatie en de maatschappij waar zij een gevolg van was te veranderen (de christelijke sociale leer moet deze strijdbaarheid leiding geven).

Hier ziet het Quadragesimo Anno de oplossing in sociaal-pedagogische en culturele arbeid: de arbeider moet deel krijgen aan de cultuur.

N.b. het uitgangspunt dat geldt voor alle sociale, politieke en culturele problemen is vanuit godsdienstig gezichtspunt: de mens is een schepsel Gods, dus tot persoonlijk leven geschapen. Zijn bestemming ligt in de bovennatuur (de hemelse zaligheid) en heel het aardse natuurlijke leven wordt geleid door die bovennatuur.

Het solidarisme heeft in het kader van de katholieke sociale leer een metafysisch-religieuze oorsprong en achtergrond. In dit kader wordt gesproken van een solidaristische wereldbeschouwing, in die zin dat het niet zozeer op subjectieve gevoelens berust, maar een objectief stelsel wil zijn dat niet alleen voor katholieke maar voor alle mensen met gezond verstand aanvaardbaar wordt geacht. In de encyclieken wordt niet zozeer over solidarisme gesproken, maar wel over de verhouding tussen kapitaal en arbeid.

Volgens paus Leo XIII (Rerum Novarum) komt de rijkdom der staten uit niets anders voort dan uit de werkzaamheid der arbeiders. De voorwaarden voor alle goederenproduktie zijn de natuur met haar schatten en het natuurrecht van het privé-eigendom. Hieruit zou kunnen volgen dat arbeidsloos inkomen (rentenieren) moreel veroordeeld moet worden, maar dit vindt de paus niet. Integendeel, de arbeidsprestatie van de een en het kapitaal van de ander moeten samenwerken. Deze samenwerking moet onder de norm der sociale rechtvaardigheid verlopen, en niet alleen tussen individuen plaatsvinden maar vooral tussen sociale groepen. Dit houdt dus niet zozeer een afwijzing van het kapitalistische stelsel in, maar wel een afwijzing van zijn uitwassen. Uit het aansporen tot samenwerking tussen kapitaal en arbeid volgt ook een expliciete afwijzing van de klassenstrijd.

De verhouding solidarisme – corporatisme

De ervaring heeft geleerd dat zowel voor- als tegenstanders nood hebben aan enige klaarheid omtrent de verhouding solidarisme – corporatisme. Het corporatisme is een bijzondere vorm van het subsidiarisme, maar het is er niet de enige vorm van. Solidarisme veronderstelt geenszins dus automatisch ook corporatisme. Men kan het subsidiariteitsbeginsel ook onder andere vormen ten uitvoer brengen. Zie hierover: Georg Wildmann, ‘Personalismus, Solidarismus und Gesellschaft’, p.127 alsook Anton Rauscher, ‘Subsidiaritätsprinzip und berufsständische Ordnung’, p.139 Quadragessimo Anno sprak zich uitdrukkelijk uit pro corporatisme. Ook Pesch maakte die verbinding, maar dat is zeker niet noodzakelijk om van solidarisme te kunnen spreken.

Corporatieve ordening

Quadragesimo Anno stelt dat het principe van corporatieve ordening moet worden uitgewerkt in een maatschappelijke organisatie die de klassenstrijd uitschakelt. De corporaties worden bedoeld als bedrijfs- en beroepsgroepen, waarbij mensen niet ingedeeld worden volgens de plaats die zij op de arbeidsmarkt innemen, maar volgens de verschillende functies die ze verrichten. Een corporatie is een gemeenschap: een organisatie op basis van onderlinge verbondenheid of gemeenschapsgevoel en de leden behoren het belang van de gehele bedrijfstak voor ogen te houden. (Aanvankelijk was er onder de katholieken een vrij sterke stroming die deze corporatieve ordening niet alleen op het economisch leven maar ook op het politieke leven wou toepassen.)

Daarnaast hangt de katholieke kerk ook het beginsel der subsidiariteit aan: datgene wat door lagere gemeenschappen van ondergeschikte rang kan worden verricht moet aan hun worden toegekend; het staatsgezag moet datgene op zich nemen wat deze kleineren niet kunnen en de staat waakt in het algemeen belang voor ontoelaatbare grensoverschrijding van de lagere gemeenschappen.

In Mater et Magistra wordt ook aandacht geschonken aan de socialisering van het privé-eigendom: privé-eigendom als aspect van persoonlijke ontplooiing maar ook als aspect van een goed geordende samenleving. Daarnaast moet er in het kader van het eisen van een rechtvaardig loon aandacht worden geschonken aan betaling naar behoefte en prestatie maar ook aan de nationale economie. Nieuw in deze encycliek is vooral dat er wordt ingegaan op vraagstukken m.b.t. de verhouding tussen productiesectoren (denk aan het afnemend belang van de landbouw) en de problemen van de ontwikkelingslanden. In deze encycliek wordt ook staatstussenkomst met sociale en economische zaken verdedigd alsook wordt er met nadruk gepleit voor een samenwerking op velerlei gebied tussen katholieken en niet-katholieken.

Eigendom

De solidaristische visie op eigendom vindt haar oorsprong in de visie op de totale mens en het natuurrecht. Ook hier geldt dat de mens als levenstaak heeft zichzelf te verwezenlijken in een bestaan dat gericht is op de noden van anderen. Het solidarisme verdedigt dan ook zeer duidelijk het recht op private eigendom voor zowel verbruiksgoederen als productiegoederen. Dit recht op privaat bezit stamt uit het natuurrecht. Elke mens is gerechtigd om aardse goederen in volle persoonlijke eigendom te verwerven. Welke concrete vormen dit eigendomsrecht in de praktijk aanneemt, is van secundair belang. Van wezenlijk belang is, dat het persoonlijk recht om eigendom te verwerven en te behouden onaantastbaar is. Het eigendomsrecht bevat naast het recht op verbruiksgoederen dus ook het recht om productiegoederen in eigen bezit te hebben. Dit draagt bij aan de waarborg van recht op bestaanszekerheid alsook het recht op arbeid.

Recht op private eigendom is evenwel geen absoluut of onbelast recht. Vanuit solidaristisch oogpunt bestaat er immers geen absoluut en plichten-vrij eigendomsrecht. Bezit is nooit en nergens het hoogste doel van de mens. Niet enkel is eigendom geen doel op zichzelf, het mag ook geen middel zijn tot uitsluitend persoonlijke voldoening. Heinrich Pesch verwoordde private eigendom als volgt: “(…)in wezen een middel om op geordende wijze en in dienst van het individueel, het familiaal en het nationaal welzijn, het bestaan van de mensen veilig te stellen.” Dit stelt dus grenzen aan het verwerven en gebruiken van eigendom. Rechten en plichten maken hier een onscheidbaar geheel. De solidariteitsgedachte leert dat niemand eigendom uitsluitend voor zichzelf kan hebben, vooral niet wanneer hij over meer beschikt dan strikt gesproken noodzakelijk is voor hemzelf en de zijnen. Zoals iedereen tot plicht heeft zichzelf en zijn talenten ten dienste van anderen te stellen, zo ook rust op iedereen de sociale plicht om zijn bezit zoveel mogelijk als gemeenschapsgoed te beschouwen. Zodoende zal bezit niet verworden tot macht over anderen, maar strekken tot hulp en bijstand, tot aanvulling van wat anderen niet hebben. Eigendom is dienst! Dienst aan elke mens afzonderlijk, dienst aan de gemeenschap in haar geheel.

De bedrijfsgemeenschap

Werknemers staan ongeveer de helft van hun bewust-beleefde uren af aan hun werkgever. De avonduren, weekends (of vervangdagen) hebben ze voor zichzelf. Voor de rest zijn ze werknemer waarbij hij/zij in afhankelijkheid leeft van derden. Uiteraard beschermd door allerlei wetten en reglementen, maar nog steeds in afhankelijkheid. Werkgevers kopen tegen een bepaald bedrag per uur / maand de lichamelijke en/of intellectuele bekwaamheden van hun personeel. Het arbeidscontract is dan ook in wezen een koopcontract. De mens staat NIET in het contract, aan de ene kant staat de koper en aan de andere kant de dagloner, poetsvrouw, leraar, ingenieur, metselaar, chauffeur,… Dit soort arbeidscontract wordt vanuit een solidaristische opvatting over de mens als persoon onvoorwaardelijk verworpen!

De beginselen waarop hedendaagse arbeidscontracten steunen, stammen uit het verleden, uit de vorige eeuw. Het verkeerde eraan is dat men menselijke arbeid rangschikt onder de louter economische objecten die bijgevolg onderwerp kunnen zijn van louter koop- of huurcontracten. Dergelijke contracten bestaan uit een partij die het kapitaal aanbrengt en een andere partij die handen- en/of geestesarbeid aanbrengt. Het tot stand komen van deze transacties zijn gebaseerd op vraag en aanbod, de kopende partij tracht dan ook de laagst mogelijke prijs te bekomen waartegen het goed op de markt te verkrijgen is. De werkgever wordt steeds beschouwd als de koper of huurder en hij bepaalt dus wat hij wil hebben en geven. De partijen zijn in realiteit dus niet gelijk. Voorts wordt die ongelijkheid nog versterkt door het economisch overwicht van de werkgever. Doorheen de decennia in de 20ste eeuw werd voor de werknemers heel wat ten gunste gewijzigd, maar de grondhouding is nog steeds dezelfde zoals eerder geschetst. En net die grondhouding is vanuit solidaristische oogpunt verwerpelijk. Hierin is het solidarisme zondermeer revolutionair.

Er dient te worden uitgegaan van de volledige mens, de unieke vervlechting van geest en stof, van ik-gerichtheid en wij-gerichtheid. “Zijn” en “handelen” zijn in elke menselijke activiteit onafscheidelijk! Menselijke arbeid is nooit los te maken van de menselijke persoon en blijft daarom steeds delen in de waardigheid die aan de menselijke persoon eigen is. Menselijke arbeid kan nooit koopwaar zijn omdat hij als onafscheidelijk verbonden met de menselijke persoon steeds van hogere orde blijft! Het arbeidscontract dient dan ook een contract te zijn met een heel eigen karakter, op menselijk niveau en niet louter uit de economische sfeer. Het resultaat van deze moet het samengaan en samenwerken zijn van gelijkwaardige partners in het bedrijf, dat zodoende een werkelijke “bedrijfsgemeenschap” zal kunnen zijn. De solidaristische bedrijfsgemeenschap is onverenigbaar met de “dienstverhuring” van werknemer tegenover werkgever. Deze dienstverhuring belet immers dat een bedrijf wordt wat het zou moeten zijn: een menselijke gemeenschap waarin de arbeid bijdraagt én tot de verrijking van iedere persoonlijkheid én tot de bloei van de hele onderneming als onderdeel van de volksnationale economie. Dit betekent geenszins dat iedereen in een onderneming elkaars gelijken zouden zijn, het is en blijft een organisatie en dus is een hiërarchische structuur nodig om efficiënt te kunnen werken.

De bestaande ondernemingsstructuur wordt niet enkel verworpen omwille van het solidaristisch mensbeeld maar ook vanwege de solidaristische visie op eigendom. Eigendom is zoals eerder gesteld geen absoluut en onbelast recht. Niemand kan eigendom uitsluitend voor zichzelf hebben. Wat men is, is men immers ook voor de anderen. Wat men kan, kan men ook voor de anderen. Wat men heeft, heeft men ook voor de anderen. Op iedereen rust de sociale plicht zijn bezit, waar mogelijk, als gemeenschapsgoed te aanzien. Deze plicht geldt ook voor de eigenaars van de ondernemingen. Zij moeten hun eigendommen zodanig aanwenden dat dat de algemene welvaart van de volksgemeenschap, én bovendien hun eigendommen zodanig beheren dat de persoonlijkheid van de werknemers er tot ontplooiing in kan komen. En dat kan enkel als arbeid en kapitaal beschouwd worden als de gezamenlijke inbreng in iets –het bedrijf- dat dus ook gezamenlijk dient beheerd en uitgebouwd te worden! Eigendom en kapitaal-bezit is geen rechtvaardigingsgrond voor macht over anderen, er is geen enkele grond aanwezig om te stellen dat kapitaal macht zou geven over wie slechts z’n arbeid inbrengt. Rijkdom verwerven op basis van andermans inspanningen heeft nooit een rechtvaardigingsgrond. Deze visie brent evenwel op geen enkel moment in het gedrang dat een rechtvaardige vergoeding voor genomen risico’s nodig is.

Economische planning: een noodzaak!

We leven in een vanuit industrieel en commercieel oogpunt hoogontwikkelde maatschappij. De materiële kanten van onze welvaart overwoekeren de geestelijke inhoud ervan. De materiële welvaart is uitgegroeid tot een alles overheersende woekerplant die al het overige, al het geestelijke en menselijke dreigt te verstikken. De voorrang van het materiële wordt versterkt door de macht van kapitaal en industrie op de ontwikkeling van onze stoffelijke welvaart en zelfs de samenstelling van ons cultuurpatroon. De hedendaagse overheid richt haar beleid in de liberale maatschappij dan ook op de financiële noden van het grootkapitaal en houdt slechts in bijkomende en beperkte mate rekening met sociale en culturele waarden. Dit is in absolute tegenspraak met de solidaristische visie die een voorrang wil zien van het geestelijke en het menselijke op het stoffelijke en het bijkomstige. De wildgroei van de roofdierkapitalistische economie buiten de controle van de overheid moet dan ook vervangen worden door een gepland economisch beleid als onderdeel van het algemeen politiek beleid van de gemeenschap in de haar toegeëigende organen.

De vraag is dan: welke planeconomie willen we? We verwerpen de kapitalistische uitbuitingseconomie maar evenzeer de centraal-geleide planeconomie naar marxistisch model. De planning moet aan een aantal voorwaarden voldoen:

1. Het plan moet imperatief zijn, d.w.z. bindend voor alle personen, ondernemingen, overheidsinstellingen,… die erbij betrokken zijn.
2. De vastgelegde opties en beleidskeuzes in het plan moeten het weten en willen weerspiegelen van minstens een meerderheid van alle betrokkenen. De besluitvorming moet gebeuren via inspraak en raadpleging van iedereen die nadien betrokken is bij de uitvoering van de genomen beslissingen of er de gevolgen van zal ondergaan.
3. De keuzes en opties in het plan mogen niet in tegenspraak zijn met andere, meer fundamentele beginselen van het solidarisme en de gemeenschapsopbouw: geen bedreiging van de privé-eigendom, eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel.
4. Een planning moet steeds het algemeen belang dienen. Meer welvaart vandaag en morgen voor iedereen. De overheid moet het evenwicht tussen de pressie- en belangengroepen garanderen.

In dezelfde geest moeten we benadrukken dat het aan de gemeenschap toekomt om de elementaire nutsvoorzieningen te verschaffen aan de bevolking. Het kan geenszins de bedoeling zijn om private winst na te streven op de gas- en electricteitsvoorziening, op de drinkwaterverdeling,… Nationalisatie van deze bedrijven dringt zich dan ook op. De staat moet hier via een verstandig beleid een financiële break-even situatie nastreven waarbij de dienstlevering aan de bevolking steeds op de eerste plaats komt. Het is ondertussen voldoende gebleken dat liberalisering en “ont-staatsen” van de nutssectoren geenszins leidt tot betere en goedkopere dienstverlening, wel integendeel.

Leon Bourgeois

“(…) la notion d’un devoir à observer par tout homme vis-à-vis de ses semblables”.

Eén van de belangrijkste theoretici van het solidarisme was ongetwijfeld de Franse politicus, vrijmetselaar en nobelprijswinnaar Leon Bourgeois. In 1896 publiceerde hij een reeks artikels in ‘La Nouvelle Revue’ die hij nadien bundelde in zijn werk ‘La Solidarité’. Hij volmaakte dit werk in 1902-1903 met ‘Esquisse d’une philosophie de la solidarité’ en ‘Applications sociales de la solidarité’ (een oeuvre van debatverslagen aan de School voor Hogere Sociale Studies). Deze drie werken vormen de basis van zijn visie op solidarisme. Bourgeois ging ervan uit dat er onvermijdelijke en noodzakelijke solidariteiten bestaan als gevolg van de arbeidsdeling, erfelijkheid, geschiedenis, wat ertoe leidt dat iedereen afhankelijk is van anderen zowel in het verleden als in het heden en meer in het algemeen van de maatschappij die ze vormen. Hij zei daarover: “L’homme ne devient pas seulement au cours de sa vie débiteur de ses contemporains ; dès sa naissance, il est un obligé. L’homme naît débiteur de l’association humaine.” Dit idee van de “sociale schuld” maakte de hoeksteen uit van zijn solidarisme. Bijgevolg moesten op sociaal vlak allerlei initiatieven dit idee van de “sociale schuld” weerspiegelen, oa via gratis onderwijs in alle graden en niveaus omdat kennis een collectief geod is waar iedereen toegang tot verdient, voorts een bestaansminimum voor iedereen en een bescherming tegen risisco’s in het leven op basis van werderkerigheid. Voor Bourgeois werd dit alles in een gelaïciseerde moraal geplaatst die de vrijheid voor alle personen moest garanderen die de nationale gemeenschap vormden.

Het denken van Bourgeois, en dus ook zijn visie op solidarisme, was uitdrukkelijk rationalistisch, positivistisch, wetenschappelijk getint en kadert eveneens in de rijke Franse socialistische traditie waar het marxisme niet steeds zondermeer aanvaard werd. Leon Bourgeois schreef : “Le bonheur, le mieux-être ne seront pas réalisés par les lois mais par la science, c’est d’elle qu’il faut attendre et espérer l’accroissement du bonheur ; C’est elle la grande révolutionnaire dont la marche est si ardue et si rapide que l’utopie d’aujourd’hui sera la réalité de demain.” Voor hem was de sociale kwestie een mogelijk onderwerp voor wetenschap, zonder er het denken en de Wil van een persoon te willen ontkennen of onderschatten. Bourgeois vond het individualisme voorbijgestreefd en nefast. Tegenover de leer van Rousseau (contrat social) stelt Bourgeois een organische visie, de “achteraf gesloten overeenkomst” tussen de mensen, daar waar ze spontaan met elkaar in relatie treden of samenwerken, zonder dat vooraf de “voorwaarden” werden overeengekomen. Die “voorwaarden” zijn immers in cultuur en gebruiken impliciet aanwezige afspraken.

Ondanks de biologische structuur van de maatschappij, speelt de Wil een fundamentele en essentiële rol. Zo ontstaat er een wisselwerking tussen de mens en zijn milieu waarbij de ene de andere limiteert. Bourgeois verklaart: “j’ai dit et répété assez souvent que je ne prétends point niveler les conditions. Je me borne à réclamer la suppression de l’inégalité et de l’injustice d’autant qu’elles sont l’œuvre des hommes eux-mêmes. Les inégalités fatales de la nature suffiront toujours à rendre impossible le nivellement que certains redoutent” (Essai p.92). In een ander werk stelt hij: “Il est vrai de dire que les lois morales qui s’imposent à l’individu ne peuvent être recherchées en dehors des conditions générales de la vie en société. Elles ne peuvent se découvrir par l’étude de la personne humaine considérée dans son isolement physique, mais dans la réalité de ses rapports avec son milieu, son temps, la race d’où elle sort et la postérité qui sortira d’elle..”. (Solidarité p.83). De opdracht van de mens en zijn Wil ligt hierin, bij te sturen wat bestaat. “Le propre de l’homme, c’est non pas de se révolter contre les lois de la nature mais de s’en servir, de les plier à son usage, de choisir parmi les moyens ceux qui le mèneront à ces fins. Il asservit les lois, la nature et par-là conquiert sa propre liberté… ” schreef Bourgeois (Essai p. 10). Kortom, de kennis van het determinisme is het fundament van de persoonlijke vrijheid en zijn handelingsmogelijkheden. Vrijheid betekent: worden wat je bent. Op sociaal vlak betekent dit: onrechtvaardigheid wegwerken.

Voor Bourgeois was de solidariteit (in z’n solidaristische betekenis) enerzijds een fundering van een sociale filosofie en anderzijds een visie en strategie op zowel nationaal als internationaal vlak. Solidariteit karakteriseerde volgens hem als feit het menselijke leven. Aan de basis daarvan ligt een organische visie op het leven: het levende wezen is bepaald door de solidariteit van biologische functies die verschillende delen van één lichaam aan elkaar linkt. Dit is een idee die teruggaat tot de Oudheid. Het evenwicht dat een permanent en levend wezen bereikt komt er door de vereniging van alle delen en functies in één gemeenschappelijke inspanning, het is deze vereniging die de succesvoorwaarde vormt in de strijd om leven en bestaan (Essai p.3). Dit fenomeen wordt op het sociale leven toegepast, waarbij solidariteit bestaat in tijd en ruimte. De arbeidsverdeling en de coördinatie van arbeidsinspanningen zijn uitingen van die solidariteit via diensten die men aan elkaar verleent in eenzelfde tijdperk alsook tussen verschillende tijdperken. Bourgeois schrijft daarover: “Celui qui a inventé la charrue, laboure invisible à côté du laboureur … ” L’objet de la science sociale est précisément de constater cette solidarité entre les générations (Essai p. 7).

Slotbeschouwing

Zowel de pauselijke encyclieken als de visie van Leon Bourgeois kunnen in de 21ste eeuw niet meer als basis dienen voor een volledig uitgewerkt en praktisch toepasbaar solidarisme. Het zijn hoogstens waardevolle historische feiten. Enkele kenmerken kunnen behouden blijven en zullen altijd de kern van het solidarisme blijven uitmaken, maar het solidarisme van Bourgeois heeft bijvoorbeeld haar eigen meester nauwelijks of niet overleefd. Uit het komen en gaan van de verschillende soorten en invullingen van het solidarisme doorheen de tijden, alsook dat het nog nooit in de praktijk werd gebracht, hebben sommigen (niet in het minst tegenstanders van liberale en marxistische signatuur) verkeerdelijk de conclusie getrokken dat solidarisme niet meer kan bestaan. Tijdens het interbellum was het solidarisme ontegensprekelijk christelijk geïnspireerd. Dit neemt niet weg dat het solidarisme voor zowel gelovigen als ongelovigen, zowel voor christenen, heidenen als atheïsten een stelsel en een visie kan betekenen waarin men zich kan thuisvoelen. Solidarisme kan ook op niet-religieuze gronden berusten. Het was geenszins de bedoeling om de lezer een kant-en-klare doctrine of een afgerond denkkader aan te bieden. Het solidarisme past immers niet in de modernistische ideologieën met hun gesloten systemen en dogma’s. Veeleer gaat het om de schets van een levenshouding, waarbij een historische achtergrond wordt geboden alsook een aantal principes uit het solidarisme die ontegensprekelijk er kerngedachten in vormen. De vaagheid omtrent solidarisme zorgt er spijtiggenoeg voor dat sommigen die zich solidarist noemen zelfs deze kerngedachten overboord gooien, wat nooit de bedoeling kan zijn voor wie het solidarisme écht genegen is.

Otto Ruwaerd

Bronnen:

(aut. onbekend), Dietsland-Europa aug. 1975, pp.22-25 (biografie Pesch)
Bourgeois, L., ’Essai d’une philosophie de la solidarité’. Uitg. Alcan, Paris, 1902
Cobbaut, W., “De onderneming: een werkgemeenschap”. In: Dietsland-Europa , juli 1973, pp.18-21
Cobbaut, W., ‘Het solidaristische alternatief’. Uitgave van de werkgemeenschap Alternatief VZW, 1978
Cobbaut, W., ‘Werkgevers en werknemers – Verouderde begrippen’. In: Dietsland-Europa , juni 1973, pp.17-19
De Bruyne, A., ‘Joris Van Severen – Droom en daad’. Uitg. Oranje, Zulte, 1965
Delvo, E., ‘Democratie in stormtij. Democratisch socialisme in de jaren dertig’, Uitg. De Nederlandse Boekhandel, Kapellen, 1983
Delvo, E., ‘Sociale collaboratie – Pleidooi voor een volksnationale sociale politiek’, Uitg. De Nederlandse Boekhandel, Antwerpen – Amsterdam, 1975
Lambert, P., De coöperatieve doctrine. 1971
Rauscher, A., ‘Subsidiaritätsprinzip und berufsständische Ordnung in “Quadragesimo Anno”’, Aschendorffsche Verlangsbuchhandlung, Münster i. Westfalen, 1958
Utz, A. F., ‘Zwischen Neoliberalismus und Neomarxismus – Die Philosophie des dritten Weges’. Uitg. P. Hanstein , Köln, 1975
Van Gestel, C., ‘Kerk en sociale orde’, Leuven 1956, editie 2
Wildmann, G., ‘Personalismus, Solidarismus und Gesellschaft. Der ethische und ontologische Grundcharakter der Gesellschaftslehre der Kirche.’ Uitg. Herder, Wien, 1961

Posted in Uncategorized | Getagged: , , , , , , , , , , , , | Leave a Comment »

Voorwaarts naar revolutie!

Posted by drietand op 16 november, 2007

Het heersende systeem

De systeemdienaren, de bekende personen van het openbare leven (media, politiek, economie,…) zijn een product van hun eigen ideologie. Dit is enerzijds de vrije markteconomie en anderzijds het politieke liberalisme. Beide behoren tot het materialisme. Materialisme wijst erop dat de materie, geld en goederen dus, van beslissend belang is. Het kapitalisme, de succesvolle variant van het materialisme, beroept zich op het principe van de begeerte en de hebzucht. Begeerte naar materiële zaken en naar winstmaximalisatie.

Deze niet te bevredigen hebzucht naar steeds meer is de oorzaak van de huidige groei en toename, van het succes van het kapitalisme. Maar het is een natuurwet dat elke groei eenmaal ophouden moet. Tegen dat de kapitalistische grootheidswaanzin haar natuurlijke grenzen bereikt, zijn de planeet en de mensheid geruïneerd. Laten we het kapitalisme op dit punt eens van naderbij bekijken. Deze economische vorm beroept zich op het axioma van winstmaximalisatie. Concreet betekent dit dat elk die geld investeert, mogelijks veel wil verdienen. Om meer te verdienen moet hij meer verkopen. Om goedkoper te produceren (en hierdoor meer te verdienen), is het noodzakelijk waar mogelijk om grote oplages en aantallen van de producten te fabriceren. De aantallen zijn evenwel enkel aan de man te brengen indien de markt voldoende groot is en de consumenten voldoende koopkracht bezitten.

Hoe groter de gemeenschappelijke markt is, hoe groter de winsten voor de kapitalisten. De Vlaamse markt is bescheiden maar de Groot-Nederlandse toch betrekkelijk, de Europese markt is groter en de wereldmarkt nog veel groter. In een geglobaliseerde wereldmarkt die zo weinig mogelijk door de politiek gecontroleerd wordt (of kan gecontroleerd worden tenzij door een wereldstaat) zou de winst van de kapitalisten maximaal kunnen zijn en hun hebzucht het meest bevredigd. Het is echter onvoldoende om een reusachtige markt te bezitten, de consumenten in deze markt moeten ook dezelfde voorkeuren en interessen hebben.

Zolang er evenwel verschillende volkeren, stammen, rassen, tradities, culturen, mentaliteiten, talen,… bestaan, zijn kapitalisten gedwongen verschillende en onderscheiden producten aan te bieden. Dit vergt hogere investeringen en dus hogere kosten, bijgevolg minder winsten. De hebzucht van kapitalisten kan niet ten volle bevredigd worden, tenzij men er zich toe beweegt alle identitaire verschillen inzake culturen, rassen, volkeren,… te laten verdwijnen en vervangen door een eenheidsmens van gelijkgeschakelde consumptie-idioten.

Hierin bestaat een basisovereenstemming tussen de gevestigde politieke krachten, of ze nu liberaal zijn dan wel socialistisch. Ook de machthebbers hebben er het grootste belang bij dat hun onderdanen geen eigen normen, volgroeide structuren en tradities bezitten en bijgevolg niet tot collectief verzet kunnen overgaan. De multiculturele wereldstaat die vanuit het westen wordt gepropageerd en in de loop der tijd onvermijdelijk in een monoculturele wereldstaat moet uitmonden, is de ideale voedingsbodem voor het ontstaan van een parasitaire klasse. De onvoorwaardelijke, tot massa-mens gereduceerde persoon is opnieuw het ideale object voor uitbuiting, verdomming en manipulatie door deze parasitaire klasse.

Bijgevolg kan voor ons een deelname aan de macht, waarbij men zelf deel van de heersende klasse wordt, tot zolang niet in overweging gebracht worden, zolang de heersende klasse haar macht niet ontnomen wordt en haar schragende ideologie niet voor eens en voor altijd uitgespeeld is.

“Revolutionair” links als onderdeel van het systeem

Lang genoeg kon extreem-links zich als een “revolutionair” alternatief voorstellen voor het liberaalkapitalisme. Zelfs na de grandioze mislukkingen van de reëel bestaande marxistisch-socialistische systemen zijn er nog steeds warhoofden die het marxistisch socialisme als een revolutionaire ideologie aanzien. Ter rechtvaardiging van hun volksvijandelijke wereldbeschouwing wijzen ze bij hedendaags extreem-links op een ontaardde bureaucratie die het echte socialisme reeds van in den beginne zou verstoord hebben. Als men evenwel de doelstellingen van extreem-links wat naderbij bekijkt, ziet men al snel dat er geen revolutionaire inhoud is, maar dat het eerder als onzinnig tot zelfs karikaturaal kan bestempeld worden. In de geschiedenis van het ideeëngoed heeft de weinig succesvolle marxistische tweelingbroer van het kapitalisme uiteindelijk ook dezelfde doelstellingen als de kapitalistische concurrent. Wat betreft de vreemdelingenpolitiek werpt extreem-links de burgerlijke staat steeds voor dat het gemeenschappelijke doel van de wereldstaat niet snel en consequent genoeg nagestreefd wordt (“open grenzen voor iedereen”).

Deze kritiek is in zoverre gerechtvaardigd omdat de kapitalistische staat niet zo doelgericht naar de wereldstaat streeft zoals de links-extremisten op z’n minst theoretisch doen. Veeleer volgt het kapitalisme ook in deze de marktwetten, waarbij het grotere weerstanden tracht te omzeilen, zich soms tactisch terugtrekt en blootgestelde posities opgeeft. Zo wordt bruut geweld vanwege extreem-links vermeden en is het des te succesvoller. Marxistisch links is slechts de extremere en militantere uitdager van het liberaalkapitalisme, maar zeker niet de revolutionaire tegenkracht. Waarbij extreem-links dus uiteindelijk de onbewuste handlanger van het systeem is.

Revolutie in plaats van hervorming

Samengevat kunnen we stellen dat het de doelstelling is van de heersende klasse en haar dragende ideologie om een wereldomvattende kapitalistische multiculturele staat te scheppen. Juist daarom is het er de heersende klasse in Vlaanderen niet enkel om te doen om de volksnationale identiteit van de Vlamingen maar ook van die van de vreemdelingen te vernietigen. Daarom houden ze fanatiek vast aan dwingende “integratie” of assimilatie. Een systeem dat reeds duizenden plant- en diersoorten heeft uitgeroeid, zal zeker niet stoppen bij de volkeren. En de schijnbaar revolutionaire extreem-linksen zijn daarbij niks meer dan een verachtelijke nageboorte van de kapitalistische hoofdvijand.

Revolutionair is een ideologische en niet een gewapende strijd. Vooropstelling voor het bewandelen van de revolutionaire weg is een aangescherpt politiek bewustzijn van onze medestanders en militanten. Dit betekent de erkenning en het inzicht dat het systeem, ondanks een paar geneugtes die het biedt, principieel slecht is. De consequentie hieruit is logischerwijs dat men dit systeem niet kan hervormen maar moet opruimen en door iets nieuws vervangen. Een dergelijke visie noemt men gewoonlijk revolutionair. Eens dit bewustzijn bij de nationalistische kameraden aanwezig is, komt het erop aan het bewustzijn bij zoveel mogelijk mensen in die richting aan te scherpen. In relatie tot de toenemende sociale kwestie wordt een revolutie waarschijnlijk en kan het succes van revolutionaire strijdbewegingen en –partijen toenemen. Dan wordt het georganiseerde nationalisme van object tot subject van de politiek, van verdediger tot aanvaller!

(Met dank aan de Junge Nationaldemokraten, Berlijn, januari 2006)

Posted in duitsland, vorming | Getagged: , , , , , , , , | Leave a Comment »

Verkiezingsfraude

Posted by drietand op 16 november, 2007

Het wordt steeds duidelijker dat zich overal ter wereld bij verkiezingen “onregelmatigheden” voordoen. Noem het maar fraude. Hoe kan het dat ook in Europa — de bakermat van deze vorm van zogenaamde democratie — zo’n fraude heerst? Het is een mythe dat enkel “bananenrepublieken” vatbaar zouden zijn voor grootschalige stemvervalsing. Integendeel: verkiezingsfraude is ook in de Westerse landen een systematisch gegeven. De vervalsing gebeurt niet sporadisch of lokaal. Niet enkele geïsoleerde individuen of gecorrumpeerde politieke partijen zijn ervoor verantwoordelijk. Het gaat om een interne uitholling van de waarden die ten grondslag liggen aan dit systeem. De Amerikaanse inlichtingendienst CIA heeft zelfs een afdeling die zich uitsluitend bezig houdt met het “bevorderen van democratische kandidaten en organisaties” in verkiezingen, vooral actief in Latijns-Amerika en Oost-Europa. Ex-CIA agent Philip Agee publiceerde hier reeds over, en haalde als voorbeelden ondermeer de inmenging in de Venezolaanse verkiezingen aan, ten nadele van de anti-Amerikaanse president Chavez.

Verkiezingsfraude werd tussen 2004 en 2006 vastgesteld bij gemeenteraadsverkiezingen in het Engelse Lancashire, Birmingham, Bristol en diverse andere Engelse steden en dorpen. Naar het voorbeeld van de memorabele Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2000, blijken ook in Engeland stemmen via de post potentiëel het meest frauduleus te zijn. Meer daarover blijkt uit dit onderzoek van het Brits Hooggerechtshof — er wordt gesproken van genoeg fraude om een volledige verkiezing ‘te stelen’. Dat schijnt ook tot delen van de Britse regering door te dringen. Door de mazen van het medianet sijpelden namelijk ook berichten dat er fraude was gebeurd bij gemeenteraadsverkiezingen in Nederland. Vervalsingen spreiden als een plaag over heel het Europees continent. In 2004 spraken Roemeense NGO’s van een potentieel massieve verkiezingsfraude. Fraude in Europa bij verkiezingen blijkt systematisch te gebeuren. Iedereen herinnert zich nog het débacle in de Italiaanse parlementsverkiezingen van 2006, toen ongetelde stembiljetten bij het vuilnis belandden. Voormalig premier Berlusconi had toen stevig de teugels van de binnenlandse diensten in handen.

Net zoals in de Verenigde Staten stemmen ook de Vlamingen voornamelijk via computerstemmachines. De burgers krijgen magnetische kaarten die in de gleuf van de stemmachine moeten worden gestoken. De kaarten registreren de stemkeuze van de burger, die vervolgens de kaart weer uit de machine haalt en hem terugbrengt naar de lokale stembureaucomputer, die alle kaarten inslikt en schijnbaar hun resultaten op een floppy disk registreert. Na sluiting van het stembureau worden alle floppy disks van alle stembureaus dan gecentraliseerd in het lokale gemeentehuis om er achter gesloten gordijnen te worden ‘geprocedeerd’.

In de kleinere, landelijke streken waar met papier gestemd wordt, moeten stemresultaten per telefoon naar de (partijdige) centrale provinciegouverneur worden meegedeeld, die dan hun “correctheid verifieert” en het uiteindelijke resultaat aan de partijleden meedeelt. De keten van de stemoptelling is zo geperforeerd en ontransparant dat fraude simpelweg één van de onderdelen moet binnensijpelen om succesvol te zijn. België, kortom, is allerminst immuun voor stemvervalsing. De introductie van het automatisch stemmen doet daar weinig goed aan. Wat in het Belgisch stemhokje gebeurt is onomwonden boerenbedrog: het afdrukken van een individueel confirmatiebiljet met je stem op laat wellicht een sussende bedoeling achter bij de stemmer, maar is totaal irrelevant op controlegebied. Want het hart van de fraude gebeurt vermoedelijk daarna, op een andere plaats: daar waar de stemmen uit de stemcomputers verzameld, daadwerkelijk opgeteld en vervolgens meegedeeld worden (gewoonlijk in het gemeentehuis). Dit optelsysteem is opvallend vatbaar voor inmenging. Omdat dat systeem volledig losstaat van de eigenlijke stemcomputers: het speelt zich af achter gesloten schermen, buiten enige parlementaire controle.

Bij koninklijk besluit wordt de hele Belgische stemketen gecontroleerd door een bepaalde dienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Onder het mom van “veiligheid” wordt de stemoptelling helemaal onttrokken van extern, parlementair overzicht. Het totale gebrek aan transparantie, alsmede de partijdigheid van de verantwoordelijken van dat optelprocédé, kan men persoonlijk gewaarworden als toezichter tijdens de verkiezingen. Partijafgevaardigden worden soms niet toegelaten de telling te observeren: het was strikt verboden de kamers te betreden waar zich het telproces afspeelde. Waarom? Partijleden moesten op sommige plaatsen simpelweg wachten op een blad papier met de vermoedelijke resultaten op.

De aanwezige administratie, waaronder niet op zijn minst de hoofden van de telbureaus, zijn vaak om te beginnen zo ver verwijderd van enige neutraliteit als maar kan. Soms kraaien ze zelfs victorie bij het lezen van de resultaten van de partij van hun voorkeur. Soms ziet men partijsympathisanten als “neutrale” tellers aan het werk in het tellen van de stemmen. Zogenaamde telgetuigen, officieel door een partij afgevaardigd, blijken in de praktijk gewoon mee te werken in het tellen van de vele stembrieven! Een laatste hoop voor een partijgetuige om enige impact te hebben op het stemsysteem is dat hij zijn opmerkingen kan laten noteren in een officieel document dat door de partij, indien gewenst, kan gebruikt worden om protest aan te tekenen en een hertelling te vragen. Dit officiële document is het zogenaamde Proces-Verbaal. Het is reeds gebeurd dat de verantwoordelijke in een telbureau weigerde om het document op te maken, soms vanwege de druk door tellers die zo snel mogelijk naar huis willen. Deze verbazende weigeringen om het Proces-Verbaal op te stellen zijn niet enkel in overtreding met de correcte verkiezingsprocedure, het is kortweg frauduleus. Het PV is een fundamentele vereiste om de verkiezingsdag te legitimeren. Zonder het door de partijgetuige ondertekende document kan een politieke partij onregelmatigheden in de verkiezingsprocedure niet aanvechten.

Verkiezingen: oubollig en vals!

Het organiseren van verkiezingen (stemplicht of stemrecht speelt daarbij geen rol) wordt maar al te vaak voorgesteld als een noodzakelijke voorwaarde voor een democratie. Fout! Verkiezingen zijn net als het parlementarisme niets meer of minder dan een middel, een ideologisch gekleurd middel. Democratie moet losgekoppeld worden van begrippen als verkiezingen, parlement,… Regelmatig duikt het pleidooi op ter afschaffing van de stem- of opkomstplicht en de invoering van stemrecht. Hierdoor hoopt men alle zogenaamde proteststemmers en niet-geïnteresseerden weg te houden van de stembussen. Opnieuw moeten we er op wijzen dat dit geenszins een verbetering van democratie inhoudt.

Meningen zijn niet gelijk of gelijkwaardig! De mening van een persoon die enkel begaan is met zijn eigen materiële welvaart en rijkdom, desnoods ten koste van anderen, maar niks inhoudelijks van politiek afweet; wordt in het verkiezingssysteem als gelijkwaardig beoordeeld aan de mening van een persoon die aandacht heeft voor het algemeen belang en inhoudelijk politieke en sociaal-economische problematiek kent. Reeds bij het Verdinaso wees men op dit onzinnig karakter van stemrecht in de liberaal-democratie. Het verouderd taalgebruik verandert niks aan de waarde van de inhoud(*):

“Wat is die democratie, wat hebben wij daaraan? Wij hebben vooreerst en aan de basis: het politiek algemeen stemrecht. Zijt gij met mij akkoord dat dit onzedelijk is?

Onzedelijk:
dat de stem, dat de politieke waarde even groot is van den domme als van den wijze, van den jonggezel als van den man met vrouw en zeven kinderen, van den portier als van den man die goederen beheert en honderden te werk stelt, van den moreel hoogstaande als van den man aan lager wal?! Zijt gij met mij akkoord dat dit onzinnig is?

(…)

En dat spel dat men de goede lieden dus laat spelen, noemt men dan: het uiten van den wil des volks! Zijt gij het eens met mij, dat ge, om te willen, moet weten wàt, dat ge moet kennen, dat ge moet kunnen onderscheiden, vergelijken en oordeelen? Wat liggen de bedriegers dan in dit geval nog van een wil te praten??

(…)

Maar wacht, ze maken het nóg bonter! Zij spreken van een souvereinen wil. En dat wordt al een in-gemeene grap. Een souverein die niet weet waar hij staat, wat hij kan, wat hij mag, een souverein waarmee men draait als een tol! Ik kan er niet aan doen, maar telkenmale ik aan het spektakel denk van de gewetenlooze politiekers die daar het wierookvat van den souverein voor uwen gevel zwaaien, rijst mij het beeld voor de oogen van den zwakzinnige wien een troep verwatenen met plechtig misbaar van den “Keizer” geven…
Zoo hoonend, zoo bloedig beleedigend is per slot dat spel, dat men met u, gewaande, bespogen en bedrogen souvereinen speelt!

En wie mij dan nog tegensputtert:
Jamaar, wij geven onze souvereiniteit in vertrouwen af, aan bepaalde vertegenwoordigers, dien antwoord ik: men geeft niet wat men niet heeft.

(…)

En dan dit parlement!
Mij begeeft bijna de moed over dit kakelende en palaverende negerdorp, uit te weiden… De harde karwei van dit betoog noopt er mij nochtans toe een paar elementaire constataties te doen.
Ten eerste: Ondeskundige lieden zijn verplicht, deskundige deputé’s te kiezen.
Gevolg: in den regel stellen de ondeskundigen, ondeskundigen aan om deskundig te doen: dat gaat niet;
per malheur stellen de ondeskundigen toch een deskundige aan om deskundig te doen: maar die mag dan niet of hij wordt door zijn peters niet begrepen en er de eerstvolgende maal uitgeworpen. Triestig, hopeloos geval!
Ten tweede: En deze verzameling nu, vormt, wijzigt of ontbindt de regeeringsploeg: het uitvoerend gezag. En waar men u naar Gheel verwijzen zou, moest gij ter wille van den goeden gang van zaken beweren dat een schoolklas elke 6 maand van meester moet veranderen, een onderneming elke 5 maand van bestuurder en een legereenheid elke 4 maand van overste; daar wijzigt men per seizoen een ministeriebezetting hier of een ministeriebezetting daar, of gewoon de heele zaak “en bloc”. En wie vandaag begenadigd is de boeren uit hun nood te helpen, moet morgen maar begenadigd zijn de zwarten te beschaven. Allertriestigst, allerhopeloost geval!!
Ten derde: Eén beroep is werkelijk en wettelijk georganiseerd: de corporatie van de parlementariërs, die zelf haar eigen rechten en privilegieën heeft geschapen en verbeten met alle middelen des regimes verdedigt.
Ziedaar de Staat:
een collectiviteit van: ter zake veelal onbevoegden, van onverantwoordelijken, van alle waar gezag verbeurenden, van alle natuurlijke rechten aan de familiale en corporatieve gemeenschappen ontkennenden: de brutale, onwaardige, volksvernietigende dictatuur der souvereine parlementariërs. Catastrofaal geval!

(…)

En de wil van het volk?
Die verandert niet naar kleur of partij. Die spreekt niet uit een vierljaarlijksch stembiljet. Die is, die leeft over alle geslachten en alle eeuwen, éénig, één. En die luidt: arbeiden, menschwaardig arbeiden, menschwaardig leven, in rechtvaardigheid, in veiligheid, in grootheid, in sterke, natuurlijke, in eigen grond en wezen gewortelde ORDE!”

(* Uit: LE ROY, P., Orde in België. Uitgave van het Verbond van Dinaso-Corporaties, 48p.)

Posted in Uncategorized | Getagged: , , , , | Leave a Comment »

17-11-07 : Geschiedkundige boekenboers

Posted by drietand op 15 november, 2007

Posted in kalender | Getagged: , , | Leave a Comment »

Nationaal-socialisme hier, daar en overal …

Posted by drietand op 15 november, 2007

Eens te meer maakt de regimepers misbruik van het gebrek aan kennis bij het brede publiek om haar rol als steunpilaar van het systeem ten volle uit te spelen. Objectieve informatie en (pogingen tot) neutrale berichtgeving passen uiteraard niet in die rol. Maar al te vaak tracht men N-SA (verdoken) nationaal-socialistische sympathieën of standpunten toe te wrijven. Ofwel weet men dat men hierin fout is, en heeft men dus propagandistisch-politieke bijbedoelingen (het beschadigen van N-SA, N-SA in verband willen brengen met politieke partijen zoals het Vlaams Belang om deze laatste te beschadigen,…); ofwel heeft men gewoon een gebrek aan kennis van zaken. Laten we dus zelf duidelijk zijn: N-SA is niet nationaal-socialistisch! N-SA bekent zich wel tot de identitaire en nationaal-revolutionaire stroming.

Het nationaal-socialisme is een modernistische ideologie die sinds 1945 grotendeels uitgestorven is. Deze ideologie was deels gebaseerd op een – toenmalig wetenschappelijk onderbouwde – rassenkunde die ondertussen door nieuwe wetenschappelijke bevindingen achterhaald werd. Hetgeen geenszins een ontkenning van het bestaan van mensenrassen mag inhouden. De nationaal-socialistische ideologie kan onmogelijk los gezien worden van haar eigen tijdperk, de jaren ‘20 en ’30 van de 20ste eeuw. Deze ideologie bouwde voort op evoluties uit de 19de eeuw (de Romantiek en Sturm und Drang-periode, de toenmalige antropologie en wetenschappelijke bevindingen, het antisemitisme in het toenmalige Europa) en kan evenmin los gezien worden van de afloop van de Eerste Wereldoorlog en de crisis van de Weimarrepubliek. Dit maakt van de nationaal-socialistische ideologie in de 21ste eeuw een dode ideologie. Reactionaire en nostalgische visies kunnen evenwel geen oplossingen bieden voor de problemen van vandaag.

Nationaal-revolutionair, maar dan wel hedendaags …

Lees de rest van dit artikel »

Posted in Uncategorized | Getagged: , , , , , , , , , , , | 3 Comments »

Hoe komen we tot een Vlaamse staat?

Posted by drietand op 15 november, 2007

Om op deze vraag een antwoord te vinden moeten we eigenlijk eerst een analyse maken van wat de Belgische staat eigenlijk is. De klassieke Vlaams nationalistische benadering is de volgende:

1. De Belgische staat is een soort monoliet die beheerst en beheerd word door de Walen.
2. Het koningshuis is de emanatie van deze staat.
3. Vlamingen zijn lijdend voorwerp in deze staat, zij ontberen rechten.
4. Om deze rechten te verwerven moeten wij onafhankelijker worden of totale onafhankelijk nastreven.

Deze analyse is volgens mij niet correct. De Belgische staat is voor mij geen klassieke staat die geleid word door een minderheid (de Walen) die de meerderheid (de Vlamingen) onderdrukt. Het is wel juist dat er allerlei mechanismen aanwezig zijn die de grootste groep van de bevolking meer discrimineert dan de minderheidsgroepen. Het zal wel uniek zijn in de wereld dat de meerderheid van een volk juist een verminderde macht heeft in zijn land ten voordele van een minderheid. Toch is er geen sprake van een overheersing door die minderheid (of beter gezegd het zijn niet de Walen als zodanig die als minderheid de Vlamingen uitbuiten en onderdrukken). Met andere woorden, het is niet een volk dat ons, Vlamingen (en Walen), onderdrukt. Neen, het is een bevolkingskaste die alle macht in handen heeft, namelijk de Belgische kaste.

Wij worden letterlijk onderdrukt door een kaste die, om zich veilig te stellen en om zich te verzekeren van een wettelijk kader, de staat België als een omhulsel gebruikt. Om dit in te zien moet men louter naar de realiteit kijken. Dit Belgische omhulsel is gevuld en word in stand gehouden door een mix van mensen die zich niets gelegen laten aan wat voor etnische afkomst dan ook. Hiermee bedoelen we dat zij geen onderscheid maken tussen Walen en Vlamingen (en inwoners van allochtone afkomst). Neen, het is juist een multiculturele bovenlaag die deze staat beheerst en beheerd. Deze staat België is een onderneming, het is een Naamloze Vennootschap, dat geleid word door deze kaste. Zowel Vlamingen als Walen maken er deel van uit en sinds enkele jaren ook Belgen van vreemde afkomst (daarom is het ook zo gemakkelijk om Belg te worden). Je wordt namelijk geen lid van een volk, maar eerder aandeelhouder van een onderneming. Dit verklaard ook waarom de multiculturele samenlevingsvorm als dominante levensvorm wordt opgedrongen door de kaste.

Wie zijn dan deze leden van de Belgen kaste en hoe behouden ze de macht. Deze kaste is de economische macht in dit land en ze is unitair in haar streven, denken en handelen. Ze bestaat uit de hoogste financiële kringen en omvat de economische sectoren die actief zijn in dit land. Zij omvat ook de intellectuele elite met haar universiteiten, de culturele elite, de media en de communicatie-industrie. Ze omvat alle ondersteunende elementen die hun macht bevestigen, dat gaat van ziekenfondsen tot vakbonden en van partijen tot parlementen. De politieke en sociale, maar ook de economische hulpstructuren zoals intercommunales, de nutsbedrijven, ja zelf de sociale woningbouw worden nationaal door de kaste in stand gehouden omdat ze een wezenlijk element uitmaakt van het behouden en manipuleren van de staatsmacht. En niet te vergeten, het belangrijkste argument van allemaal: het zijn stuk voor stuk bronnen van gigantische financiële kapitaalstromen. De redenen waarom de kaste niet happig is om op te treden tegen bijvoorbeeld meeruitgaven in de sociale zekerheid in Wallonië is daar een uiting van. De leiders van deze organisaties maken immers deel uit van dezelfde Belgische kaste. De formele kaste leiders zijn de Koninklijke familie (zij zijn een bindende factor in de kaste) die bij onenigheid en belangenconflicten een bemiddelende rol spelen. Vermits hun belang samenvalt met het Belgische staatsbelang zou men de indruk krijgen dat het een louter anti-Vlaamse coalitie is. Toch durven we daaraan te twijfelen.

De kaste wil ook geen Waalse onafhankelijkheid of gelijk welke andere vorm van loskoppeling aan het omhulsel België door om het even welke volksgemeenschap. Als tegenargument zou men kunnen opwerpen dat er stappen zijn ondernomen die erop wijzen dat de tegenstellingen wel degelijk Vlaams/Waalse tegenstellingen zijn, gezien het feit dat er voordurende pogingen van delen van de Vlaams, respectievelijke Waalse elite zijn om meer autonomie te verwerven. Dit is echter een schijngevecht, de uitdrukkingen van deze strijd zijn zichtbaar in de vorming en ontplooiing van de verschillende deelparlementen. Zij zijn echter geen vorm van zelfbestuur, ze zijn gewoon nieuwe Belgische instrumenten om de eenheid van de kaste te bewaren. Het mooiste bewijs van deze stelling is gelegen in het feit dat gezagsdragers van het ene niveau (het Vlaamse, of het Belgische) gewoon kunnen overspringen naar het andere. De deelstaatparlementen zijn gewoon de mandaatmachine van de kaste om zo de persoonlijke tegenstellingen onder zijn leden die te ambitieus zijn op te lossen of te bevriezen.

Verder zou men ook kunnen stellen dat het toch wel zeer ver gezocht is om de onderdrukking van Vlaanderen door Wallonië louter toe te schrijven aan de domheid, ja bijna achterlijkheid van onze Vlaamse elite. Is er nu echt iemand die nu nog kan geloven in de inferieure intelligentie van onze Vlaamse toppolitici en topindustriëlen. Zouden zij naar 175 jaar nu nog niet gezien hebben dat er iets loos is in de verhoudingen in dit land? Wie kan daar nu nog intrappen? Neen, onze elite is niet gecastreerd, ze is gewoonweg de grootste machtsgroep binnen de Belgische kaste. Wie kan geloven dat zij zich de kaas van het brood laten nemen? Voor ons is het dus duidelijk, de tegenstander is niet de Waalse bevolking, neen het is de economische kaste. Bijgevolg ligt hier een mogelijkheid om de onafhankelijkheid te verwerven. Namelijk via de sociale strijd, komen tot een nationalistische strijd, of met andere woorden, de nationale strijd is een sociale strijd en dat over de taalgrens en volksgrens heen. We moeten de tegenstellingen, die door het transnationale kapitalisme worden aangescherpt, gebruiken om de Belgische kaste van haar macht te beroven. De transnationale, of eenvoudiger uitgedrukt de internationale kapitalist zal zich veel minder of zelfs niks gelegen laten aan de verzuchtingen van de nationale kaste. Integendeel het internationale kapitalisme zal langzamerhand de kaste ondermijnen en zo de Belgische consensus verbreken (afbreken van buffers die de botsingen tussen de gemeenschappen nu opvangen) zoals de sociale transfers.

Ook in de Vlaamse regio zullen de economische tegenstellingen toenemen. Als het vroeg of laat tot een treffen komt tussen de sociale lagen van de bevolking (te vergelijken met de strijd tegen de eenheidswet) dan is er misschien een historische opportuniteit om deze strijd te laten uitvloeien tot een onafhankelijkheidsstrijd. De Walen hebben bij de strijd tegen de eenheidswet het initiatief genomen om de strijd om te vormen tot een Waalse bevrijdingsstrijd (Renard en co) maar zijn mislukt. Door massale omkoping en financiële giften heeft de Belgische kaste toen haar greep op de staat kunnen houden. De Vlamingen waren nog te verzwakt (nasleep van Wereldoorlog II) om de gelegenheid aan te grijpen een Vlaamse staat uit te roepen. Bij volgende massale sociale botsingen, die er ongetwijfeld komen, moeten de Vlamingen die kansen grijpen om, verder dan de louter economische strijd, over te gaan tot de Vlaamse strijd. Via de sociale strijd moeten we de nationale onafhankelijkheid bemachtigen.

Eddy Hermy.

Posted in Uncategorized | Getagged: , , , | Leave a Comment »