Nieuw-Solidaristisch Alternatief!

Het identitair en revolutionair verzet! – Weg van de Wetstraat, op naar de Volksstaat!

Toespraak van 29 december 1933 (José Antonio Primo de Rivera)

Posted by drietand op 1 november, 2007

Rede en wil

Geen inleiding met dankbetuigingen; eenvoudigweg “bedankt” zoals het de militaire bondigheid van onze stijl past. Toen in maart 1762 een verderfelijke man, J.-J. Rousseau, Le Contrat social deed verschijnen, hield de politieke waarheid op een permanente waarheid te zijn. Voordien, in meer vervlogen tijden, waren staten de uitvoerders van historische roepingen waarvan het devies luidde: “Gerechtigheid en Waarheid”. J.-J. Rousseau kwam ons zeggen dat Gerechtigheid en Waarheid geen grondstellingen van het denken waren, maar voorlopige beslissingen van de wil. J.-J. Rousseau veronderstelde dat het geheel van individuen dat een volk vormde een hogere persoonlijkheid schiep. Een persoonlijkheid met een natuur die verschilde van die van elk der individuen. Een onfeilbare persoonlijkheid die in staat is om op elk ogenblik het rechtvaardige en het onrechtvaardige, het goede en het kwade te bepalen. Die collectieve, die soevereine wil drukt zich enkel uit door de stemming – de mening van het grootste aantal zegeviert over die van een minderheid op zoek naar een hogere autoriteit. Daaruit volgt dat de stemming, die grap die erin bestaat om biljetten in een glazen urne te werpen, de macht had om op elk ogenblik te beslissen of God bestond of niet, of de Waarheid de Waarheid was of niet, of het Vaderland moest blijven of uiteenvallen.

De liberale staat

Doordat de liberale staat het slachtoffer is van die doctrine, organiseert hij zich niet tot uitvoerder van de bestemmingen van het Vaderland, maar tot toeschouwer van electorale gevechten. Voor de liberale staat is het enkel van belang dat er een bepaald aantal burgers rond de stemtafels was; dat de verkiezingen exact om 8 uur begonnen waren en om 16 uur beëindigd; dat de urnen niet gebroken werden, hoewel het breken van een urne het nobelste lot is dat men haar kan voorbehouden. Vervolgens dacht hij slechts aan het rustig eerbiedigen van de stembeslissing, alsof voor hem – de staat – de aard van die beslissing geen enkel belang had. Het is te zeggen: de liberale regeerders geloofden zelf niet aan hun eigen opdracht; zij geloofden niet dat ze een belangrijke plicht te vervullen hadden. Zij waren ervan overtuigd dat elke burger – met een politiek denken tegengesteld aan het hunne – de staat terecht of ten onrechte mocht aanvallen en dat die burger rechten had gelijk aan degene die de staatswachters hadden om hem [de staat] te verdedigen. Vandaar ontstond het democratische regime, dat vóór alles het meest bezwarende stelsel is door de verstrooiing van de energieën. Een man begaafd voor de kunst van het regeren – dat het edelste van de menselijke ambten kan zijn – moest 80, 90, 95% van zijn energie wijden aan het beantwoorden van klachtendossiers; aan het maken van verkiezingspropaganda; aan het slaapwandelen in het parlement; aan het vleien van zijn kiezers, want het is van henzelf dat hij de macht ging ontvangen; aan het ondergaan van de vernederingen en de kwellingen van hen die precies geroepen zijn om zich te onderwerpen aan dat bijna goddelijke ambt van regering. Als er na al die verloren tijd voor de bekende persoon nog enkele ochtendlijke uren of ogenblikken van een rusteloze pauze overblijven, enkel dan kan hij zich overgeven aan de wezenlijke vraagstukken van de Regering. Vervolgens kwam de verdwijning van een uniek ideaal te midden van het volk, omdat het stelsel werkte volgens de wet van het grootste aantal: degene die streefde naar de macht, moest een meerderheid van de stemmen behalen. Hij moest koste wat het kost de stemmen van de andere partijen ontfutselen. Met dat doel voor ogen aarzelde hij niet om zijn tegenstanders te belasteren, om hen met de ergste scheldwoorden te overladen, om bewust de waarheid te verbloemen, om alle soorten valse middelen te gebruiken. Hoewel “Broederlijkheid” als een van de postulaten was ingeschreven op het titelblad van het liberale Charter, waren er nooit leefgemeenschappen waar mensen – elkaar uitscheldend als vijanden – zich minder broeders voelden dan in het woelige en lastige leven van de liberale staat. Uiteindelijk brengt de liberale staat ons economische slavernij, want hij zegt de arbeiders met een tragische ironie: “U bent vrij om te werken zoals u wenst. Niemand kan u dwingen een dergelijke voorwaarde meer dan een andere te aanvaarden… maar – laten we duidelijk zijn – aangezien wij de rijken zijn, bieden wij u de voorwaarden aan die ons bevallen. U anderen, vrije burgers, indien ze u niet bevallen, bent u niet verplicht hen te aanvaarden. Maar, arme burgers, indien u de voorwaarden die wij u opleggen niet aanvaardt, bent u veroordeeld om van honger te sterven met heel de liberale waardigheid”. Zo is het u gegeven in de landen met de meest briljante Parlementen, de meest volmaakte democratische instellingen op te merken dat van zodra u zich enkele honderden meters van de luxueuze wijken verwijdert, u dadelijk weerzinwekkende krotten zult ontmoeten. Daar leven arbeiders en hun familie opeengepakt in bijna onmenselijke toestanden. U zult eveneens landarbeiders ontmoeten die heel de dag onder een loden zon hun rug bogen naar de grond en die – dankzij het vrije spel van de liberale economie – jaarlijks slechts zestig tot zeventig dagen verdienden van drie peseta.

Het socialisme

Daarom ontstond het socialisme. Het was een rechtvaardige zaak (wij schrikken niet terug voor de waarheid). De arbeiders moesten zich verdedigen tegen een regime dat – terwijl het hun rechten gaf – zich er niet om bekommerde hun een normaal leven toe te kennen. Maar dat socialisme, dat een legitieme reactie tegen de liberale slavernij was, gaat eerst afdwalen in een zuiver materiële opvatting van het leven en de geschiedenis, later in een gevoel van vergelding en uiteindelijk in de afkondiging van het klassenstrijddogma. Het socialisme, vooral datgene uitgewerkt door zijn eerste apostelen – die onverstoorbaar in de stilte van hun kamertje het geloof van de arme arbeiders hebben veroverd – is ontmaskerd door Alfonso Garcia Valdecasas. Het aldus begrepen socialisme ziet in het leven van de volkeren slechts economische drijfveren, de spiritualiteit wordt onderdrukt, de Religie is opium voor het volk, het Vaderland is een mythe om de stakkers uit te buiten. Dat is het socialisme. Er is niets meer dan economische productie en organisatie. Ook de arbeider moet zijn ziel uitpersen om er elk spoor van spiritualiteit uit te doen verdwijnen. Het socialisme streeft er niet naar een sociale rechtvaardigheid te herstellen die door het liberale regime is afgeschaft. Het verkondigt dat de klassengevechten onontbeerlijk zijn, dat zij natuurlijk zijn en dat niets hen kan bedaren. En het socialisme – gerechtvaardigde kritiek van de liberale economie – brengt ons langs een andere weg dezelfde ontbinding, dezelfde haat, dezelfde veronachtzaming van de broederlijkheid en de samenhorigheid onder de mensen.

“God! Wat een goede vazal, als hij een goede heer had”

Ook volgt daaruit dat wij, de mensen van onze generatie, wanneer wij de ogen openen slechts een moreel geruïneerde, totaal verdeelde wereld zien. En voor wat ons het nauwst aan het hart ligt, zien wij een moreel geruïneerd Spanje, een Spanje verdeeld door de haat. Daarom weenden wij in het diepste van ons hart toen wij het volk zagen van dat wondermooie Spanje, waar wij onder de eenvoudigste kledij mensen ontdekten met een rustieke elegantie, zonder overdreven gebaren of nietszeggende praatjes. Zij leven op een dorre, zichtbaar droge grond, maar een [grond] die ons verbaast door de vruchtbaarheid waarmee zij haar graangewassen voortbrengt en haar zegevierende wijnranken verheft. Toen wij die streken rondreisden en contact met die mensen zochten, wisten wij dat zij werden gekweld door plaatselijke tirannen, vergeten door alle politieke groepen, verdeeld en vergiftigd door geslepen praatjes. Het kwam ons voor de geest dat wij voor dezelfde mensen stonden die over de Cid zeiden, toen hij verdreven uit Burgos over de velden van Castilië zwierf: “God! Wat een goede vazal, als hij een goede heer had”. Dat is het doel waar wij opnieuw naar zoeken; die legitieme heer van Spanje; een meester zoals die van Sint Franciscus van Borja, die onsterfelijk is voor ons. Daarom zullen wij een leider kiezen die geen slaaf is van de belangen van een groep of een sociale klasse.

Noch rechts, noch links

Deze beweging is geen partij, maar eerder een antipartij. Een beweging – proclameren wij – die noch rechts, noch links is. Rechts streeft er eigenlijk naar een economische organisatie te behouden die zich onbekwaam heeft getoond en links streeft ernaar een economische organisatie te vernietigen, maar het vernietigt in die omverwerping de goede verwezenlijkingen die zouden kunnen worden bewaard. Zowel van de ene als van de andere kant worden die ideeën ondersteund door geestelijke overwegingen. Al degenen die ons te goeder trouw aanhoren, weten dat die geestelijke overwegingen hun plaats hebben in onze beweging, maar dat wij voor niets ter wereld ons lot zullen verbinden aan een politieke groep of een sociale klasse die zich onder de arbitraire benaming van links of rechts zou scharen. Het Vaderland is een geheel dat alle individuen van welke klasse dan ook omvat. Het Vaderland is een transcendentale synthese, een onverbrekelijke synthese die doelen moet bereiken die hem eigen zijn. Waar zoeken wij naar? Dat de huidige beweging en de Regering die ze zal scheppen een instrument wezen die een autoriteit hebben, handelend ten dienste van die onveranderlijke, die onherroepelijke eenheid die “Het Vaderland” heet.

Ons programma: over het oordeel

Door dat woord omschrijven wij volledig de drijfveer van onze toekomstige daden en van onze huidige actie, want wij zouden slechts de zoveelste partij vormen als wij een programma van concrete oplossingen aanbrachten. De programma’s hebben het voordeel van nooit uitgevoerd te worden. Ons oordeel daarentegen is voortdurend vrij tegenover de gebeurtenissen en het leven. Het geeft ons oplossingen op concrete gevallen, zoals de liefde ons aangeeft wanneer wij hardheid of zachtheid moeten tonen, zonder dat de ware liefde een programma nodig heeft om twisten en ontboezemingen te doseren. Dat is wat onze opvatting vereist van het Vaderland en van de staat die het volgt. Dat alle streken van Spanje – zo verschillend als ze wezen – zich verbonden voelen in een onherstelbaar uniek lot. Dat alle politieke partijen verdwijnen. Niemand wordt bij zijn geboorte ingeschreven voor een politieke partij, maar wij worden daarentegen allen geboren als leden van eenzelfde familie. Wij zijn allen bewoners van een gemeente, wij ontplooien allen onze activiteit in een bepaald werk. Als onze familie, onze gemeente en onze corporatie de natuurlijke sferen zijn waarin wij leven, welke behoefte is er dan aan het scheppen van dat tussenliggende en ongezonde organisme, de politieke partij, als het niet is om ons te verenigen in kunstmatige groeperingen die ons losrukken uit onze authentieke werkelijkheden? Wij willen minder liberaal gezwets en meer respect voor de individuele vrijheid, want men respecteert slechts echt de vrijheid van de mens wanneer ze gewaardeerd wordt zoals wij haar waarderen. Dat wil zeggen: als de houdster van eeuwige zaligheden, het lichamelijke omhulsel van een ziel die in staat is zich te redden of zich te verdoemen. Alleen als men de mens beschouwt in dat opzicht, kan men stellen dat men werkelijk de vrijheid respecteert. Vooral als die vrijheid gepaard gaat – zoals wij beweren – met een autoritair regime van hiërarchie en orde. Wij willen dat iedereen zich lid voelt van een ernstige en volledige maatschappij waarin de ambten talrijk zijn: zij het in de handenarbeid, zij het in de geestesarbeid, zij het in het onderricht van de gebruiken en de verfijningen van het leven. Maar in de maatschappij zoals wij haar verstaan – laten we het van nu af aan zeggen – kunnen er geen parasieten of luiaards zijn. Wij willen niet dat men in een huis van hongerlijders individuele rechten toekent die zich nooit zullen kunnen verwezenlijken. Maar wij willen dat men aan elke mens, elk lid van de politieke gemeenschap – enkel doordat hij er deel van uitmaakt – de mogelijkheid geeft om door middel van zijn werk een menselijk, rechtvaardig en waardig leven te verdienen. Wij willen dat het religieuze gevoel, basis van de mooiste bladzijden van onze geschiedenis, gerespecteerd en beschermd wordt zoals het het verdient, zonder dat de staat zich daarom inlaat met een taak die niet tot zijn bevoegdheden behoort. Noch willen we dat hij – zoals hij dat dikwijls deed met het oog op andere belangen dan die van de ware religie – taken deelt die hem eigen zijn. Wij willen dat Spanje resoluut het algemene gevoel voor zijn cultuur en zijn geschiedenis herontdekt. En wij willen om te besluiten dat – indien we niet anders dan door geweld kunnen bereiken wat we vragen – we niet ophouden voor het geweld. Want wie heeft gezegd – sprekend over “alles liever dan het geweld” – dat zachtheid de hoogste uiting van de morele waarde is? Dat we – alvorens te reageren – ons moeten verplichten om vriendelijk te zijn, terwijl men onze gevoelens beledigt? Hij zou dat zeer goed gezegd hebben als woorden [ook] het machtigste argument waren. Dat is onze opvatting van de toekomstige staat en wij moeten met enthousiasme werken aan diens oprichting.

Manier van leven

Onze beweging zou niet volledige begrepen zijn als men dacht dat ze alleen maar een denkwijze is; ze is geen manier van denken, maar een manier van leven. Wij mogen ons niet alleen de opbouw van een politiek voornemen, wij moeten in alle uitingen van ons bestaan, in al onze gebaren een vol- en diepmenselijke houding aannemen. Die houding is de geest van offer en dienst, het geestelijke en militaire levensgevoel. Dus dat niemand denkt dat wij rekruten gaan maken om ons prebenden te kunnen bieden; dat niemand denkt dat wij ons groeperen om privileges te verdedigen. Ik zou willen dat deze microfoon voor mij mijn woorden tot de verste uithoek van de arbeidershuizen meevoert om hun te zeggen: ja, wij dragen dassen; ja, u kunt zeggen van ons dat wij señoritos zijn. Maar juist daarom brengen wij een geest van strijd teweeg, precies voor wat ons niet interesseert als señoritos. Wij nemen de strijd op om velen van onze klasse zichzelf harde en zware offers op te doen leggen en wij nemen de strijd op om een totalitaire staat zijn weldaden te kunnen doen verspreiden, evenzeer over de machtigen als over de eenvoudigen. Zó zijn wij, zoals ook de señoritos van Spanje altijd waren. Zij bereikten de hiërarchie van de waarachtige heren. Zij konden immers zowel in de verre streken als op de bodem van ons Vaderland het hoofd bieden aan de dood, zich overgeven aan de meest geduchte taken voor wat hun – alleen omdat ze señoritos waren – ook niets had kunnen schelen.

Het wapen ter hand, onder de sterren

Ik geloof dat het vaandel wordt gezwaaid. Wij gaan het vrolijk, dichterlijk verdedigen. Sommigen vinden dat men om zich te verzetten tegen de opmars van een revolutie gemengde oplossingen moet voorstellen om tegengestelde wilsuitingen te groeperen. Dat men alles wat een enthousiasme in de propaganda zou kunnen opwekken moet verbergen, elk energiek en absoluut standpunt moet vermijden. Wat een vergissing! De volkeren zijn nooit méér ontroerd dan door de dichters, wee degene die geen scheppende dichtkunst tegenover een verwoestende dichtkunst zal kunnen stellen. Laten we voor ons ideaal die verlangens naar Spanje opwekken, laten we ons opofferen, laten we ons verloochenen en we zullen zegevieren. De zege (in alle oprechtheid) zullen wij niet kunnen bereiken bij de volgende verkiezingen. Stem bij de volgende verkiezingen voor wie u de minst slechte zal lijken. Ons Spanje zal niet uit die verkiezingen komen. Onze plaats is niet daar, in die troebele, zware atmosfeer zoals die van een bordeel of een kroeg na een liederlijke nacht. Ik denk dat ik kandidaat ben, maar zonder geloof of respect. Ik bevestig het van nu af aan, op het gevaar af de kiezers van mij af te houden. Dat is mij om het even. Wij gaan de resten van die verdorven banketten niet betwisten met de stamgasten; onze plaats is buiten, hoewel wij die voorlopig kunnen bijwonen. Onze plaats is in de open lucht, onder de heldere nacht, het wapen ter hand, onder de sterren. Dat de anderen hun feestmaal voortzetten. Wij blijven buiten – als standvastige en waakzame schildwachten – en voorvoelen de dageraad in de vreugde van onze harten.

José Antonio Primo de Rivera

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

 
%d bloggers liken dit: