Nieuw-Solidaristisch Alternatief!

Het identitair en revolutionair verzet! – Weg van de Wetstraat, op naar de Volksstaat!

De Vlaamse Beweging en Nederland

Posted by drietand op 21 november, 2007

A. Inleiding

1. Voor Nederlanders is de Vlaamse Beweging een vreemd fenomeen. Zij hebben als volk nooit zo voor hun eigenheid en eigen taal moeten vechten als de Vlamingen. Maar ook voor de Vlaamse Bewegers is de houding tegenover Rijks-Nederland steeds ambivalent geweest. Het is mijn bedoeling om hier een korte inleiding te geven, verwacht dus niet teveel historische details en feiten. Het onderwerp beslaat namelijk zoveel: honderden kleine verenigingen en politieke partijen; duizenden personen met de meest uiteenlopende opvattingen en achtergronden. Een algemeen beeld schetsen is dus al een hele opgave. Concreet wil ik beginnen met het verduidelijken van enkele veelgebruikte termen. Daarna volgt het eigenlijke onderwerp: de geschiedenis van de Vlaamse Beweging in relatie tot Rijks-Nederland – en dit tot aan de Tweede Wereldoorlog. Dit omdat de contacten tussen beide het meest intensief waren in die periode. Speciaal zal er ook ingegaan worden op een groep van Vlamingen die tijdens het interbellum in Nederland verbleef: de zogenaamde activisten.

2. Voor alle duidelijkheid is het interessant om eerst enkele termen nader toe te lichten:

a. Ten eerste: de term “Vlaamse Beweging”. Er moet op gewezen worden dat het concept “Vlaanderen” zeer recent is. “Vlaanderen” verwees historisch namelijk naar het Graafschap Vlaanderen (nu ongeveer de provincies Zeeuws-, West- en Oost-Vlaanderen en een deel van noord-Frankrijk). Pas tegen het einde van de 19de eeuw begon men het woord “Vlaanderen” te gebruiken voor het Nederlandstalige gedeelte in België. De invoering van dit concept zorgde voor een uniformisering van de Nederlandstalige provincies binnen België. De definitie van de term “Vlaamse Beweging” is nog wat diffuser. Het is een verzamelterm geworden voor honderden verenigingen en personen in België die op een of andere manier ijveren voor de culturele of politieke eigenheid van de Vlamingen. Dit is zeer verscheiden. Hendrik Concience, de schrijver van het bekende boek ‘De leeuw van Vlaanderen’, wordt tot de Vlaamse Beweging gerekend, hoewel het eigenlijk zijn bedoeling was het Belgisch nationaal gevoel te ondersteunen. Anderen – vandaag de dag de meerderheid – ijveren kortweg voor de vorming van een onafhankelijke Vlaamse staat. Iemand als Joris van Severen dan weer, streefde – na een aantal omwegen – naar een hereniging van België, Luxemburg en Nederland. Anderen streefden naar de vereniging van een onafhankelijk Vlaanderen met Rijks-Nederland. Iemand als Guido Gezelle tenslotte, moest van de verderfelijke Nederlands-protestantse invloed niet veel weten en pleitte voor de Vlaamse culturele volkseigenheid in een onafhankelijk België!

b. Een tweede term is: “Groot Nederland” of de “Groot-Nederlandse beweging”. Aanvankelijk was dit een vaag cultureel begrip dat duidde op de samenhorigheid tussen alle Nederlandstaligen. Vanaf de Eerste Wereldoorlog, en met steun van de Duitse bezetter, kreeg de term ook een politieke invulling: de vereniging van een zelfstandig Vlaanderen met Nederland. In deze politieke visie worden de Walen en Luxemburgers niet meer beschouwd als een onderdeel van de Verenigde Nederlanden.

c. Een derde opvatting is dan weer “Heel Nederland”, Heel-Nederlanders willen een hereniging van alle oude gebieden van de historische 17 Provinciën, dus met de Walen en Luxemburgers erbij.

d. Tenslotte nog iets over het woord “Dietsland”. Taalkundig is “Diets” een van de oudste termen en betekent het “volks”. Het heeft dezelfde stam als het woord Duits. Met het woord Dietsland wordt het hele Nederlandssprekende gebied bedoeld. Het probleem – telkens opnieuw – is wat de grenzen van dit Dietsland nu eigenlijk zijn. Voor Willem van Oranje was het het gebied van Luxemburg tot Friesland. Taal is moeilijk te vatten in staatsgrenzen: Fries is geen Nederlands en bovendien ligt een gedeelte van Friesland in Duitsland. In Frans-Vlaanderen wordt nauwelijks nog Vlaams of Nederlands gesproken. Het Waals verschilt ook grondig van het Frans, hoewel het meer en meer door het Frans verdrongen werd.

3. In het verleden werden deze voornoemde termen vaak door elkaar gebruikt. Velen uit de Vlaamse Beweging noemden zichzelf Groot-Nederlander, zonder dit nader te omschrijven. Eerder als een vaag cultureel ideaal, zonder politieke gevolgen. Om te lachen zegt men dan ook wel eens dat een “Groot-Nederlander” dit ideaal kiest omdat het geen moeite kost er zich voor in te zetten, want het is toch zo goed als onbereikbaar… Ook vandaag blijft de ambiguïteit bestaan: zo werd enige tijd geleden een manifest gepubliceerd dat pleit voor het voortzetten en beter uitwerken van de BENELUXakkoorden (het samenwerkingsverband tussen België, Nederland en Luxemburg). Enige tijd later verscheen ook het manifest van de Warande Groep dat pleitte voor Vlaamse onafhankelijkheid. Een aantal mensen ondertekende beide manifesten…

B. Geschiedenis VB-Rijksnederland

1. Nu komen we aan de kern van het overzicht: een historische schets van de verhouding tussen de Vlaamse Beweging en Rijksnederland. We beginnen deze geschiedenis in het “rampzalige” jaar 1830 – de Belgische revolutie. Zoals bekend ontstond die onder aansporing van Fransgezinde burgers. Liberale en katholieke Zuid-Nederlanders sloten een monsterverbond tegen Willem I. Volgens de Nederlandse historicus, en overtuigd Groot-Nederlander lag de oorzaak van de afscheuring echter bij Holland. Hij schreef dat de geschiedenis van de Nederlanden een treurspel is, waarvan het Dietse Zuiden het slachtoffer werd. “Holland met zijn opdringen van uitgeput protestantisme en onuitputtelijke pedanterie dwong Midden-en Zuid-Nederland tot een verweer tegen de Hollandse overheersing.” Ook de Nederlander Anton Van Duinkerken legde de schuld van de verdeeldheid in de Nederlanden bij de provincie Holland. Holland eiste haar eersterangsrol op, en offerde hiermee de eenheid op. In zijn typische stijl schreef hij: “Op dit zeer kleine schiereiland, het meest bevolkte, het meest welvarende, het meest platte en het meest waterige van Europa, heeft de Noord-Nederlandse beschaving zich (…) sterk samengetrokken, ten koste van de vrije ontwikkeling der andere gewesten. [Hierdoor] zijn niet alleen de Zuidelijke provincies van Rijks-Nederland belemmerd in hun natuurlijken groei (…) maar (…) werden bovendien de karaktereigenschappen van de geboren Hollander langzamerhand typisch voor den Rijks-Nederlander uit alle gewesten. (…) Voor de oppervlakkig toeziende buitenlander zijn wij zonder uitzondering ‘Hollanders’.” Het hoeft niet gezegd dat Van Duinkerken een fiere Noord-Brabander was en ik zal jullie zijn ander anti-hollands “racisme” besparen. [citaten uit Anton Van Duinkerken. Groot Nederland en wij.]

2. In België werd deze afscheuring niet door iedereen begroet. Jan Frans Willems, de bekende taalkundige, riep wanhopig uit: “Er zal geen Nederlandse natie meer bestaan!”. Vanaf 1839 konden alle Nederlands-gezinden de hoop wel opgeven om nog tot een politieke eenheid te komen. Nederland deed dan namelijk officieel afstand van het grondgebied in het Zuiden. Het politiek activisme verandert vanaf dan in een vaag cultureel stamgevoel. In welke maatschappelijke Belgische groepen bleef men Nederlandsgezind? Ik zie twee grote groepen – en vooral de eerste groep staat aan de basis van de Vlaamse Beweging: – de taalkundigen zoals Jan Frans Willems en romantici die droomden van de herenigde Nederlanden. Vaak ging het ook om onderwijzers die in de Nederlandse scholen van Willem I lesgaven. Zoals bekend werd het Nederlandstalig onderwijs in België teruggeschroefd. Alle administratie, het leger, het onderwijs, gerecht,… werd verfranst. – De tweede groep viel soms samen met de eerste categorie: een bepaalde economische elite die door de scheiding haar macht kwijtspeelde. Vooral in industriesteden als Gent en Antwerpen was dit het geval. Het gaat hierbij niet alleen om Nederlandstaligen, ook sommige Franstaligen hadden (en hebben) heimwee naar de tijd van het Verenigd Koninkrijk. In deze groep bevonden zich tevens heel wat vrijmetselaars. Zoals bekend had de zoon van Willem I hoge functies binnen de loge en was hij stimulator van heel wat Loges in de Zuidelijke Nederlanden. Voor deze vrijmetselaars bleef Noord-Nederland, en het huis van Oranje hét ideaal van vrijheid, broederlijkheid en anti-clericalisme. Dit ging uiteraard hand in hand met het protestantisme dat vaak in deze kringen beleden werd. Tot vandaag de dag blijft deze onderstroom aanwezig. Bekende voorbeelden zijn de oud-gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen, professor Herman Balthasar, oud-minister en burgemeester van Leuven Louis Tobback en TV- orakel Siegfried Bracke.

3. In bepaalde Belgische kringen bestond dus een vaag cultureel-Nederlands gevoel. In wat uitte zich dit nu? In het begin stelde dit niet zoveel voor – ik spreek over de periode tot 1850. Het ging vooral om taalkundige discussies, zoals de vorming van een uniforme spelling. Dit verliep niet altijd van een leien dakje. Vlaamse taalkundigen zoals Leo de Foere en later Guido Gezelle bekampten de ketterse en orangistische spelling uit het noorden die in 1844 bij wet aanvaard werd als de spelling om Belgische wetten te vertalen. Culturele “Vlaamse” tijdschriften verzorgden het contact met Nederland, maar omgekeerd was de interesse niet zo groot. Dit veranderde toen in de jaren 1840 de Nederlander Alberdingk Thijm en andere Nederlandse katholieken zich meer in Vlaanderen gingen interesseren. Dit leidde tot het ontstaan van taalcongressen waaraan Vlamingen en Nederlanders deelnamen. Ze vonden heel regelmatig plaats vanaf 1849 tot 1912. Niet altijd was de overeenstemming even sterk. In de jaren 1880 was er ronduit een crisis toen de West-Vlaamse taalparticularisten, met onder meer Guido Gezelle zich afzetten tegen de zogenaamde “verhollandsing” van het Nederlands. Voor Gezelle was de strijd voor het behoud van het Vlaams, tegen het Algemeen Nederlands zelfs belangrijker dan de strijd tegen de verfransing. Deze congressen brachten geen politieke winst, maar verstevigden wel het stambesef en de persoonlijke vriendschapsbanden tussen Noord en Zuid. Dit alles werd nog eens versterkt door de oprichting in 1893 van het Algemeen Nederlands Verbond door de Vlaming Hippoliet Meert. Het verbond telde verschillende afdelingen in Noord en Zuid, waaronder ook enkele studentenafdelingen.

4. Vanuit Vlaamse hoek waren er twee moeilijkheden met betrekking tot deze ontwikkeling. Enerzijds verwachtten de Vlamingen veel van Nederland, ook op politiek vlak. Zo bv. hulp in hun strijd voor de erkenning van het Nederlands in België als volwaardige ambtstaal. Zodra ze echter in politiek vaarwater kwamen, haakten de meeste Nederlanders echter af. Anderzijds bestond er ook een groot wantrouwen vanwege de katholieke Vlaamsgezinden. Dit lag aan het feit dat het vooral liberale flaminganten actief bezig waren met deze culturele contacten tussen Zuid en Noord. De katholieken vreesden op die manier een protestantisering van het Vlaamse volk.

5. Tot aan de Eerste Wereldoorlog bleef de Vlaamse Beweging grotendeels een zuiver culturele beweging, met Orangistische wortels. Hoe kon hieruit een politieke stroming groeien? Ik verduidelijk dit aan de hand van het triumviraat van de Vlaamse Beweging: Guido Gezelle, Hugo Verriest en Albrecht Rodenbach. Gezelle was leraar van Verriest, Verriest van Rodenbach. Via leraars zoals Gezelle kregen de leerlingen hun liefde voor de moedertaal mee. Het was de generatie van priester-leraar Verriest die dit theoretisch koppelde aan de sociale onderdrukking van de Vlamingen door de Franstaligen in België. En het was Rodenbachs generatie die zich ook daadwerkelijk ging inzetten voor de verheffing van het Vlaamse volk. Ietwat smalend werden ze door Guido Gezelle de ‘ruitenbrekers’ genoemd. Jaar na jaar groeide deze zogenaamde ‘Blauwvoeterie’ aan, vooral onder de studenten.

6. Uit deze ontwikkeling ontstonden in bijna alle scholen in Vlaanderen studentenbonden en een overkoepelende organisatie, het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond in 1903. We kunnen de jongeren die hierdoor beïnvloed werden sociologisch bestempelen als een “tussenelite”. Het was een generatie die van thuis uit vervuld was met een burgerlijke mentaliteit van opklimmen en emancipatie, gecombineerd met katholicisme en sociale bewogenheid. De meeste van deze jongeren stamden uit katholieke, kleinburgerlijke gezinnen. Ze liepen school in katholieke colleges waar dezelfde waarden doorgegeven werden en tevens een geest van idealisme, offervaardigheid en christelijke solidariteit heerste. Samen met de wil om in de maatschappij ‘ergens’ te geraken, heerste bij hen ook een sterk Vlaams zelfbewustzijn. Deze twee doeleinden gingen hand in hand, de messianistische strijd die zij voerden voor vervlaamsing zou er immers toe leiden dat ook zij er het eerst de vruchten van zouden plukken. Een Vlaamse elite, te onderscheiden in een hoge elite die bijvoorbeeld Vlaamse ministers en professoren kon leveren, en een lagere elite van ambtenaren, juristen, en onderwijzers,… Vanuit deze elite werden dus ook de eerste politieke eisen geformuleerd: meer rechten voor de Vlamingen. Dit proces kwam langzaam op gang en al voor de Eerste Wereldoorlog werden een aantal eisen ingewilligd.

7. De Eerste Wereldoorlog zou echter als katalysator gaan werken. Voor een groot deel van de Vlaamse studenten was de oorlog een dam: zij werden belet om aan hun carrière verder te werken en moesten bv. aan het front gaan vechten. Aan het front vormden zij een elite, de frontbeweging genoemd. De universiteitsstudenten kwamen misschien voor het eerst in aanraking met het gewone Vlaamse volk. Ze namen dan ook allerlei initiatieven om deze frontsoldaten bewust te maken van de Vlaamse eisen. Andere Vlamingen leefden onder de Duitse bezetting in België. Een deel van de jonge Vlaamse elite zag dit echter als een kans om op een versnelde wijze hun idealen te verwezenlijken. Deze ‘activisten’ grepen de door Duitsland georchestreerde kans met beide handen aan. De Duitsers speelden het spel handig: ze zorgden voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit. Ze gaven de Vlaamse activisten een eigen parlement: de Raad van Vlaanderen, echter nauwelijks democratisch gelegitimeerd. Er kwamen ook eigen Vlaamse ministeries. Vlaamsgezinde ambtenaren werden opeens op ministerposten gekatapulteerd. Gezien hun idealisme een buitenkansje en bovendien ook voor hun eigenbelang goed!

8. Ook in Nederland zorgde de Eerste Wereldoorlog voor een verandering in de houding tegenover Vlaanderen. De aanval op het neutrale België werd door de Nederlandse publieke opinie als een schande ervaren. Duizenden Belgen vluchtten naar Nederland en werden daar goed opgevangen. Afdelingen van het Algemeen Nederlands Verbond toonden zich zeer hulpbereid. Als een gevolg van de collaboratie van de activisten met de Duitse bezetter, kwamen in de Belgische pers (die nu in Frankrijk uitgegeven werd, waar ook de Belgische regering verbleef) meer en meer anti-Vlaamse tendensen op. Daarin werden alle Vlamingen afgeschilderd als pro-Duits. De naar Nederland gevluchte Vlamingen gingen hier tegenin door enkele eigen dagbladen uit te geven. Een eerste was in 1915 “De Vlaamsche Stem”, waaraan onder meer Cyriel Buysse, René De Clercq en Frans Van Cauwelaert meewerkten. Opvallend was dat men in het blad ook de collaborerende activisten veroordeelde. Langzaamaan zou het blad echter radicaliseren – bij het vernemen van de wantoestanden die aan het front heersten. Vlaamse soldaten, die 80% van het Belgische leger uitmaakten, werden er door de Franstalige officieren voortdurend vernederd. De radicalisering van de Vlaamsche Stem wordt totaal als Frans van Cauwelaert afhaakt en de historicus Gerretson erbij komt. Binnen het ANV laten ook de studentenafdelingen hun gematigdheid varen. Zo waren een aantal leden aanwezig op de opening van de vernederlandste Gentse universiteit. De in Nederland uitgegeven Vlaamse pers kwam meer en meer in activistisch vaarwater. Voorbeelden hiervan zijn “Dietsche Stemmen”, “De Toorts” en de “Dietsche Bond”. Vanuit Nederland werd de activistische hulporganisatie Volksopbeuring intensief gesteund, ook door prominenten als de aartsbisschop van Utrecht. Nederlanders toonden meer en meer begrip voor de Vlaamse Zaak, zelfs Abraham Kuyper pleitte voor meer autonomie voor de Vlamingen, binnen een federaal België. Gerretson, dominee Nieuwenhuis en anderen steunden actief de meest radicale activisten die zich verenigd hadden in “Jong Vlaanderen”.

9. Het moet gezegd worden dat de activisten door de Duitsers aan het lijntje gehouden werden. Zij hadden weinig of niets in de pap te brokken en hun Raad van Vlaanderen was een schijnvertoning. Zij werden handige marionetten in de Duitse propaganda. In deze zin probeerden de Duitsers ook de activisten te gebruiken om achter het front invloed uit te oefenen bij de Vlaamse soldaten. Heel wat leden van de frontbeweging waren ook pro-activistisch. Ook in de krijgsgevangenenkampen in Duitsland, waar Vlaamse soldaten zaten werd er activistische propaganda gevoerd. In 1918 keerden de krijgskansen. Een commissie van de Raad van Vlaanderen bereidde daarom de vlucht van de activisten naar Nederland en Duitsland voor. De Belgische regering in Frankrijk had immers met strenge straffen gedreigd voor iedereen die samenwerkte met de Duitse bezetter. In november 1918, bij het einde van de oorlog, waren de meeste activisten en hun familieleden al de grens over gevlucht. Degenen die bleven, zoals de bekende dr. August Borms, werden opgepakt. Velen werden ook door het gepeupel mishandeld, hun huizen werden geplunderd enz. Een en ander valt te vergelijken met wat na de Tweede Wereldoorlog gebeurde, zij het in ergere mate.

10. Een paar honderd activisten vluchtten naar Nederland. Er vormden zich echte activistenkolonies, bekende voorbeelden zijn Utrecht en Den Haag. Nederland was niet alleen omwille van de taal een vanzelfsprekende keuze. Zoals ik eerder gezegd heb, was het activisme in belangrijke mate ook een Nederlands product. Bovendien was de publieke opinie in Nederland relatief pro-Duits tijdens de oorlog. De Duitsers hadden met hun propaganda hier handig op ingespeeld. Zo werd de Nieuwe Rotterdamse Courant door hen gesubsidieerd. De houding van de Nederlanders tegenover de Vlaamse Beweging en de idealistische activisten zou nog verbeteren. Tijdens de vredesconferentie in Versailles eiste België – totaal absurd – namelijk de gebieden Nederlands Limburg en Zeeuws-Vlaanderen van Nederland op. Voor vele Nederlanders was het duidelijk dat België slechts een satellietstaat van Frankrijk was. Daarom werden de Vlamingen ook onderdrukt. Deze bedreiging kon ook alleen maar stoppen wanneer de Vlamingen hun recht kregen in België. Dit was onder meer de opvatting van de bekende Groot-Nederlanders Carel Gerretson en Pieter Geyl. In de eerste maanden en jaren was het de activisten er uiteraard om te doen een nieuw bestaan op te bouwen. Sommigen slaagden hier zeer goed in en kregen leidinggevende functies in het maatschappelijke leven. Een aantal werden bijvoorbeeld journalist bij belangrijke kranten. Anderen – zoals Dr. Depla met zijn vele kinderen – kwamen echter in bittere armoede terecht. De activisten probeerden elkaar onderling te steunen en daarom werd ook het Vlaams Comité opgericht, de officiële opvolger van de Raad van Vlaanderen. Ze beschouwden zichzelf dus een beetje als de uitgeweken regering van het Vlaamse volk. Het Vlaams Comité begon met het uitgeven van brochures om de houding van de activisten tijdens de oorlog te verdedigen. Het is ook in deze kringen dat er voor het eerst een hevig anti-belgicisme opkomt. Groot-Nederland werd voor de meeste activisten een politiek ideaalbeeld. Ik zeg wel ideaalbeeld, want in praktijk was men vaak voorstander van een federalistisch België (wat pas in de jaren 1970 zal verwezenlijkt worden). Het is ook niet zo dat de activisten één blok vormden. Vaak was er persoonlijke onenigheid. Mensen als Josué De Decker en priester Robrecht de Smet, met hun tijdschrift Vlaanderen waren radicaal anti-Belgisch, ook tegen een gefederaliseerd België. De groep rond het blad Vlaanderen ageerde tegen de Vlaams-nationale Frontpartij in Vlaanderen en noemde Pieter Geyl ronduit een neobelgicist.

11. Vanuit het Vlaams Comité en andere oud-activistenverenigingen werden pogingen ondernomen om invloed uit te oefenen op de Vlaamse Beweging. De beweging had zich in Vlaanderen relatief goed hersteld na de oorlog, meer nog ze was sterker geworden en vormde nu een reële politieke macht. De oud-frontsoldaten vormden een eigen partij, de Frontpartij. Ook hebben zij van in het begin het activisme verdedigd en de activisten als idealisten voorgesteld. Trouwens, een groot deel van de Vlaamse bevolking was die mening toegedaan. Het is natuurlijk goed te verstaan dat de ballingen hun greep op de Vlaamse Beweging wilden behouden. Tijdens de oorlog waren ze er de leiders van geweest. Binnen de Vlaamse Beweging was het moeilijk om tot eenheid te komen. Een van de grootste discussies draaide rond het “Godsvredeprincipe”. Dit principe ontstond aan het front. Hiermee bedoelde men dat de strijd voor Vlaamse zelfstandigheid voorging op de onderlinge tegenstelling (bijvoorbeeld tussen katholieken, liberalen en socialisten). Vanaf ongeveer 1925 kwam dit principe meer en meer onder druk te staan door de opflakkerende tegenstellingen tussen katholieken en vrijzinnigen. Velen ijverden voor een zuiver katholieke Vlaams-nationalistische partij. De Frontpartij verbrokkelde op deze manier in allerlei min of meer geografisch bepaalde fracties waarvan enkel de Antwerpse Frontpartij zich nog aan het godsvredeprincipe hield. Vooral in West-Vlaanderen, onder leiding van Joris van Severen en Jeroom Leuridan, ging men een radicalere en rechts-katholieke koers varen. Om de eenheid te herstellen werden er vanaf 1926 pogingen ondernomen om een overkoepelend, leidinggevend orgaan (Directorium) op te richten. Al van in het begin werden ook de ‘bannelingen’, die de verbrokkeling met lede ogen aanschouwd hadden, hierbij betrokken. De oud-activisten konden ook gemakkelijk invloed uitoefenen omdat ze zich in de jaren na de oorlog sterker georganiseerd hadden, onder meer in het Verbond van Vlaams-Hollandse Verenigingen. Zij verdedigden een tussenliggend standpunt: om de Antwerpse vrijzinnigen niet buiten te sluiten, moest het katholieksolidaristisch programma waarvan de andere groepen voorstander van waren zodanig geformuleerd worden dat de vrijzinnigen er geen probleem mee zouden hebben. Toch liep dit niet uit op een akkoord. Na enkele jaren onderhandelen, trokken de bannelingen zich in 1928 terug.

12. Tot hier de interne aangelegenheden van de Flaminganten. De bannelingen speelden ook een rol in de Nederlandse politiek. We hebben al gezien dat de Nederlandse opinie anti-Belgisch was, naar aanleiding van de Belgische annexatieplannen na de oorlog. Voor de bannelingen was dit uiteraard leuk. En ze deden er alles aan om nog meer olie op het vuur te gooien. Toen in 1925 het Belgisch-Nederlands Verdrag ondertekend werd, een verdrag dat het gebruik van de Schelde regelde, zorgden zij samen met de Groot-Nederlanders voor oppositie vanuit Nederland. Volgens hen zou het Verdrag de positie van Nederland verzwakken, want het liet toe dat Belgische oorlogsschepen gebruik maakten van de Schelde. En dit terwijl België militair met Frankrijk was verbonden. Dit ageren had tot gevolg dat er tot aan de Tweede Wereldoorlog geen oplossing kwam voor de kwestie. Een tweede keer veroorzaakten ze opschudding in Nederland en België door de publicatie van het zogenaamde geheim Belgisch-Frans militair akkoord van 1920. De Vlaams-nationalist Ward Hermans publiceerde dit in in 1929 in het Utrechts Dagblad. Het is eigenlijk een spannend verhaal. De documenten waren namelijk vals en maakten onderdeel uit van een val. Ze waren namelijk opgesteld door de Belgische geheime dienst om na te gaan in hoe ver de Duitse staatsveiligheid kon infiltreren. Via een vreemde weg zijn die in de handen van de al even vreemde Ward Hermans beland. publiceren in het Utrechtsch Dagblad van 23 februari 1929 (Utrechtse documenten). Toen uitkwam dat de documenten vals waren, was de verontwaardiging dan ook groot.

13. Natuurlijk wilden vele bannelingen niet eeuwig in Nederland blijven. Terugkeren naar België was echter onmogelijk, want daar waren ze bij verstek veroordeeld. Sommigen ter dood – hoewel geen enkel doodvonnis werd uitgevoerd. Anderen riskeerden tot 20 jaar gevangenisstraf. Vanaf 1926 komt een gestructureerde internationale amnestieactie op gang. Het was de oud-activist Jules Spincemaille die een petitie starte. Die zou een debat over amnestie in het Belgische parlement moeten uitlokken. Aangezien het inefficiënt zou zijn de organisatie te laten leiden door ex-activisten, dacht Spincemaille eraan die taak aan Nederlanders toe te vertrouwen. Die bleven echter terughoudend. Uiteindelijk werd beslist dat petitie door zeven ‘onbesproken’ Vlamingen aan het Belgisch parlement zou gegeven worden. Dit gebeurde op 8 februari 1928, een symbolische dag want Borms – de oud-leider van de activisten – begon die dag zijn tiende gevangenisjaar. Het manifest kreeg de steun van een 200-tal bekende internationale figuren waaronder de communist Romain Rolland, Frederik van Eeden, Jan Toorop, Dokter Vogel, William Butler Yeats enz. Het manifest had een grote weerslag in de pers, zeker in België en Nederland. Politiek leidde het tot een nieuw amnestiedebat in de kamer. Op 6 december 1928 bereikte men na een lang debat een compromis, de zogenaamde ‘uitdovingswet’. Drie dagen later kwam alles nog eens in een stroomversnelling door de Bormsverkiezing. Borms werd die dag, hoewel hij in de gevangenis zat door een overgrote meerderheid verkozen bij een verkiezing in Antwerpen. Na het van kracht worden van de uitdovingswet werden de gevangenen vrijgelaten en konden de ‘ballingen’ naar België terugkeren. Al bij al was deze ‘clementiewet’, hoewel dus geen echte ‘amnestiewet’, een opsteker voor de radicale Vlaams-nationalisten en dit werd gesymboliseerd door de vrijlating van Borms op 17 januari 1929.

14. Eenmaal terug in België, bleef men natuurlijk contacten onderhouden met Nederland. Sommige activisten wilden zelfs niet terugkeren zolang België nog bestond – en zijn dan uiteraard ook nooit teruggekeerd. Ik heb tot nu toe vooral de nadruk gelegd op de rol die de oud-activisten gespeeld hebben in de relatie tussen Nederland en de Vlaamse Beweging. Uiteraard bleven er ook rechtstreekse contacten bestaan, zoals door het Diesch Studenten Verbond (dat jarenlang studentencongressen organiseerde met Vlamingen en Nederlanders) of de Dietsche Bond. Wie de briefwisseling van Pieter Geyl en Gerretson (die is grotendeels gepubliceerd) kent, weet hoeveel contacten zij hadden met de meest uiteenlopende Vlamingen. Niet onmiddellijk door nationale motieven geïnspireerd was de belangstelling voor Vlaanderen die tot uiting kwam in de kring rondom Carlos van Sante, dominicaan en lector in Nijmegen. Studenten uit die kring traden toe tot het Verdinaso van Joris van Severen. Verwant met de integralistische katholieken uit de Van Sante-kring waren ook de medewerkers van het tijdschrift Aristo van Wouter Lutkie, een sterk Latijnsgerichte groep, die sceptisch stond tegenover de Groot-Nederlandse gedachte en de nieuwe marsrichting van het Verdinaso (het aanvaarden van de Belgische staat als een onderdeel van het Heel-Nederlands geheel) toejuichte. Duidelijker uitgesproken was de sympathie voor de Vlaamse taalstrijd in Vrijdag, het weekblad van Jan Derks. Afwijzend tegenover de nieuwe marsrichting van het Verdinaso stond Arnold Meijer, de leider van het Zwart Front/Nationaal Front.

15. Bij wijze van voorbeeld wil ik hier nog even de geschiedenis van het eerste echte Vlaams-nationalistische dagblad De Schelde vertellen.. Reeds lang circuleerden er bij de oud-activisten plannen om een eigen radicaal Vlaamse krant te stichten. De Schelde was een Vlaamse krant, uitgegeven te Antwerpen en stond op de rand van het faillissement. Eind 1928 werd in Utrecht een stichting opgericht, onder voorzitterschap van Gerretson en Van Es. Zij zamelden geld in bij de hoge financiële klasse – onder meer te situeren bij de havenbaronnen van Rotterdam. Beheerder werd de oud-activist Jules Spincemaille. Zij kochten de krant op en stelden een nieuwe redactie samen, met als hoofdredacteur Herman Vos. Vos was een gematigd Vlaams-nationalist waarin de meeste Vlaams-nationalistische groeperingen zich konden vinden. Het is veelzeggend dat het kapitaal van de krant uit Nederland kwam. Anders dan in België bestond er dus een rijke elite die voordelen zag in het propageren van Groot-Nederlandse en Vlaams-nationalistische ideeën. In 1932 kwam het blad in een financiële crisis die gepaard ging met politieke moeilijkheden. Hoofdredacteur Herman Vos stapte over naar de socialistische partij, de Belgische Werklieden Partij (BWP). Het pas opgerichte Vlaams Nationaal Verbond (VNV) poogde voortdurend meer greep op het dagblad te krijgen. Hun aanbod om de krant op te kopen werd echter afgewezen. Tenslotte kwam een van de medewerkers, Herman Van Puymbrouck met een eigen initiatief. Hij zamelde geld in en kocht de krant over – terwijl hij hoofdredacteur werd. Politiek wilde hij een democratische lijn volgen, tegen de fascistische stromingen in. Ook tegen het katholiek solidarisme zou hij zich als vrijzinnige blijven verzetten. Verder wou hij van het blad een echt leidinggevend orgaan maken. De krant zou bovendien enkel voor het Antwerpse publiek dienen. De Nederlanders gingen akkoord met het voorstel, maar trokken zich terug uit het project. De Schelde bleef niet lang haar eigen koers varen. In 1934 sloot hoofdredacteur Van Puymbrouck zich aan bij het VNV. De partij kreeg de krant volledig in handen en vormde haar in 1936 om in het partijblad Volk en Staat. De Nederlanders en oud-activisten zijn er dus niet in geslaagd om de Vlaams-nationale beweging tot eenheid te brengen, noch door de besprekingen met de verschillende groeperingen, noch door het Vlaams-nationaal dagblad.

16. Het einde van De Schelde als democratisch Vlaams-nationalistisch dagblad, was ook tekenend voor de verhoudingen tussen de Vlaamse Beweging en Nederland. Vele verenigingen in Zuid en Noord raakten in een malaise door de opkomst van het autoritaire gedachtegoed. Vele waardevolle contacten werden op die manier verbroken. In Nederland probeerde de NSB te infiltreren in de bestaande Dietse verenigingen. De meer autoritaire verenigingen probeerden de banden wel enigszins te herstellen. Zo stichtte het Verdinaso ook in Nederland afdelingen. Ook tussen VNV en NSB of Zwart Front ontstonden er contacten. Het was echter de sombere internationale toestand die België en Nederland nader tot elkaar brachten. De opzegging van het Frans-Belgisch Militair Akkoord en de zelfstandigheidspolitiek van koning Leopold III werden in het Noorden aangevoeld als een ruggensteun voor de veiligheid van Nederland. Vlaams-belgicistische kringen lanceerden het idee van een Belgisch-Nederlands defensief militair akkoord, terwijl de Verdinasoleiding pleitte voor een economische unie. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog getuigden de officiële bezoeken van Leopold III aan Nederland en van koningin Wilhelmina aan België van een groeiende vriendschap in de verhouding tussen de beide staten, zoals dat sinds 1830 nog niet het geval was geweest.

17. De Tweede Wereldoorlog maakte voorlopig een eind aan de betrekkingen tussen Vlaanderen en Nederland. Op enkele collaboratiepublicaties na kwamen nauwelijks kranten en tijdschriften van over de grens. Ook voor persoonlijke contacten bleef die hermetisch gesloten. Groot-Nederlandse politieke actie stuitte op het onverbiddelijk verzet van het Duitse bezetters. Zo is het veelzeggend dat er in Vlaanderen zoiets bestond als het Diets verzet. Het waren kleine groepjes jongeren die binnen of aan de rand van het VNV tegen de wijze van collaboreren streden. Het gaat om groepjes als Nederland Eén!, het Dietsch Eedverbond en het Dietsch Studenten Keurfront. Het VNV was met het optreden van deze groepjes niet ingenomen en infiltreerde er zelfs in met spionnen. In 1944 leidde de situatie tot openlijke dissidentie. Deze groepjes gaven enkele clandestiene pamfletten en bladen uit, en sommige leden van Nederland Eén! kregen last met de Duitse politie. Ook bestonden er echte Diets-gezinde verzetsorganisaties, waarin nogal wat oud-leden van het Verdinaso actief waren. De collaboratie van de Vlaams-nationalisten sloeg een diepe kloof tussen de Vlaamse Beweging en de openbare mening in Nederland, waar op collaboratie nog een groter taboe rust dan in Vlaanderen. De toenadering na de oorlog zou dan ook vanwege de regeringen komen. Zo kwamen er overeenkomsten over de spelling van het Nederlands, een monetair akkoord en een douaneovereenkomst. Dit leidde in 1960 tot de vorming van een economische unie.

C. Besluit

1. We kunnen besluitend zeggen dat de actieve belangstelling voor de V.B. in de periode tussen de beide wereldoorlogen tot een kleine maar actieve en intellectueel hoogstaande groep beperkt gebleven is. Het bestaan echter van een volwaardige Nederlandse beschaving en het groeiende besef van de culturele eenheid van het Nederlandse taalgebied zijn voor de steeds sterker wordende V.B. en voor de ontwikkeling van het gedachtegoed een sterke steun geweest.

Edg. B. De Wolf

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

 
%d bloggers liken dit: