Nieuw-Solidaristisch Alternatief!

Het identitair en revolutionair verzet! – Weg van de Wetstraat, op naar de Volksstaat!

De Man

Op 17 november 1885 wordt Hendrik de Man geboren in Antwerpen. Hij groeit op in een welstellend en intellectueel milieu. De staking in 1898 van de Antwerpse drukkers wakkert zijn gevoel voor sociale rechtvaardigheid aan en in 1902 wordt hij lid van de Antwerpse Socialistische Jonge Wacht. De Mans toetreding tot de Socialistische Jonge Wacht in 1902 betekende een breuk met zijn liberaal burgerlijk milieu. Hij slaagt er mede als gevolg van zijn politiek-propagandistische activiteiten niet in een diploma te halen aan de universiteit, maar komt in zijn studentenjaren wel in contact met marxistische ideeën. Na een congres in Duitsland in 1905, waar hij in opdracht voor de krant ‘Le Peuple’ als verslaggever naar toe gegaan was, is hij in Leipzig blijven wonen gedurende een vijftal jaar. Hij wordt er medewerker van een radicaal-marxistisch blad. In 1910 besluit hij een jaar in Engeland te gaan wonen, naar aanleiding van zijn interesse in de Engelse arbeidersbeweging, die het marxisme afwijst. Hij blijft daar voor een jaar en huwt een Gentse textielarbeidster.

Wanneer hij terug is in België krijgt hij de leiding over de pas opgerichte Centrale voor Arbeidersopvoeding (C.A.O.). In 1911 maakt hij bekend dat hij zich het beste voelt bij de orthodox-marxistische linkervleugel binnen de Belgische Werklieden Partij (B.W.P.). De Eerste Wereldoorlog betekende voor De Man, evenals voor de meeste socialisten, een grote schok. Onmiddellijk meldde hij zich als oorlogsvrijwilliger. Hij was een moedig soldaat en eindigde zijn front­loopbaan als luitenant. Bij het uitbreken van de Russische Februarirevolutie (1917) werden socialistische missies naar Rusland gezonden, omdat de geallieerde regeringen zich de medewerking wilden blijven verzekeren van deze partner: De Man vormde, samen met Vandervelde en De Brouckere, de Belgische delegatie.

Na de Eerste Wereldoorlog in 1918 wordt De Man, als vertegenwoordiger van de socialistische vakbonden, lid van een regeringsdelegatie. Hij wordt belast met de studie van de nieuwe industriële systemen in Amerika en bestudeert in hoofdzaak de arbeidersverhoudingen. In 1919 vertrekt hij naar Amerika met zijn vrouw en twee kinderen. In hetzelfde jaar publiceert hij zijn eerste boek ‘The remaking of a mind’. Hij krijgt de leerstoel van Sociale Psychologie aan de universiteit van Seattle aangeboden. Op verzoek van Emile Vandervelde keert hij in 1920 terug naar België om mee te werken aan de oprichting van de Arbeidershogeschool te Brussel.

Tot 1922 hield De Man zich bezig met de oprichting en uitbouw van de Arbeidershogeschool te Ukkel, gecreëerd in de schoot van de BWP. Na zijn mislukt huwelijk trekt hij naar Frankfurt in 1922, waar hij van start gaat als lesgever aan de Akademie der Arbeit. In 1926 vestigt hij zich met zijn gezin in Zwitserland, waar hij zijn meesterwerk ‘Zur Psychologie des Sozialismus’ publiceert. Hierin wijst hij het marxisme af. In deze periode kreeg zijn theoretisch oeuvre gestalte. Daar verving hij de economische verklaring die Marx had gegeven aan het socialisme door een sociaal-psychologische. Als oorzaak van de socialistische strijd zag hij het sociaal minderwaardigheidsgevoel. Door afstand te nemen van het rationalisme van Marx gaf De Man het socialisme een uitgesproken ethische inhoud.

Evenals zijn socialistische tijdgenoten werd hij verontrust door de opkomst van het nationaal-socialisme. Het merkwaardige -en onverwachte -van deze beweging was dat niet het socialisme, maar het fascisme als aantrekkelijk alternatief voor velen naar voren kwam en dat het antikapitalisme voor het eerst samenging met een antisocialistische reflex: vooral de nieuwe middenklasse, het witteboordenproletariaat, reageerde heftig antisocialistisch. De Man raakte ervan overtuigd dat het fascisme slechts kon worden ingedijkt door de overwinning van de werkloosheid en door het openstellen van het socialisme voor de nieuwe middenklassen. Hiertoe ontwikkelde hij het zogenaamde ‘plansocialisme’ : allereerst zou de economische planning een einde moeten stellen aan de werkloosheid en de economie weer op dreef helpen; vervolgens zouden door de splitsing van de economie in een beperkte genationaliseerde sector (nl. van de basisnijverheid) en een omvangrijke vrije sector de middenklassen niet afgeschrikt worden, integendeel, hun positie zou beveiligd worden tegen de groeiende invloed van het monopoliekapitalisme. Door het plansocialisme te stellen als remedie tegen de economische depressie en het fascisme, kon zijn bekommernis niet meer -zoals voorheen -uitsluitend gaan naar de belangen van de arbeidersklasse: de socialistische partijen zouden vanuit dit perspectief omgevormd dienen te worden van arbeiders- naar volkspartijen, van oppositie- naar regeringspartijen.

Na het mislukken van zijn tweede huwelijk trekt hij in 1929 terug naar Frankfurt, waar hij sociale psychologie doceert. In 1931 publiceert hij zijn boek ‘Opbouwend Socialisme’ en in 1933 ‘De socialistische Idee’. In datzelfde jaar keert hij terug naar België, doceert sociale psychologie aan de ULB en werkt in een studieopdracht het ‘Plan van de Arbeid’ uit. Dit plan wordt enthousiast onthaald op het kerstcongres van de B.W.P. in 1933 en De Man wordt verkozen tot ondervoorzitter van de partij. Tevens besloot dit congres dat de BWP slechts aan een regering zou deelnemen die het Plan als regeringsprogramma zou aanvaarden. Meteen werd een zeer dynamische propaganda voor het Plan op touw gezet. H. de Man kon rekenen op de steun van de vroegere linkervleugel (o.l.v. Paul-Henri Spaak) en van de jongeren. Het Plan kende een grote weerklank, zowel in België als in het buitenland.

Tevergeefs deed hij echter toenaderingspogingen tot de katholieken. Hierdoor verdween de mogelijkheid om via een parlementaire meerderheid het Plan aan de macht te brengen. Een nationale regering leek daarentegen meer en meer noodzakelijk om een nieuwe economische politiek te kunnen voeren. Hendrik de Man werd ervoor gewonnen de BWP tot een dergelijke regering te laten toetreden, aldus de belangrijke congres beslissing van 1933 over het hoofd ziende: in maart 1935 trad de BWP toe tot de regering-Van Zeeland en De Man krijgt de portefeuille van Openbare Werken en Opslorping van de Werkloosheid. Deze loopbaan was voor De Man nochtans een bron van voortdurende frustraties, enerzijds omdat hij zijn desiderata onvoldoende kon doordrukken, anderzijds omdat zijn eigen levensstijl moeilijk te verzoenen was met de eisen die gesteld werden aan politieke verantwoordelijken. Van de uitvoering van het Plan komt weinig terecht. Een jaar later, in de tweede regering van de Nationale Unie, krijgt hij het Departement Financiën toegewezen. In oktober 1937 komt de regering Van Zeeland ten val, maar onder Janson wordt hij nogmaals minister van Financiën.

In 1938 neemt De Man ontslag als minister wegens gezondheidsredenen en trekt zich terug in Zwitserland. Het is ook deze periode dat hij de autoritaire democratie meer en meer als ideaal begint te aanschouwen om de politieke stabiliteit van een regime te bereiken. In opdracht van Leopold III tracht De Man in december 1938 een algemene vredesconferentie te beleggen via een geheime diplomatieke missie. Deze missie mislukt uiteindelijk in februari 1939. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog wordt hij vice-premier onder Hubert Pierlot. Door zijn vastberadenheid in de Belgische neutraliteitspolitiek raakt hij steeds meer geïsoleerd zowel in de regering als in zijn partij. In januari 1940 neemt hij ontslag uit de regering en draagt het feitelijke partijvoorzitterschap over aan A. Delattre. Hij onderhoudt goede contacten met koning Leopold III en koningin Elisabeth. In hetzelfde jaar stelt De Man dat de politieke rol van de B.W.P. afgelopen is, maar dat economische en sociale ideeën voortgezet moeten worden. Hierop richt hij het ‘Nieuwe Belgisch Vakverbond’ op. Tegelijker tijd zag H. de Man in de Duitse overwinning, die toen algemeen leek, een teken van volledige decadentie van het westers parlementair systeem en het begin van een nieuw dynamisch politiek regime.

Zijn pogingen tot oprichting van de Unie voor Hand- en Geestes­arbeiders (UHGA), een eenheidsvakbond, moest een stap zijn tot deze vernieuwing. Zij kwam tot stand als een zuiver Belgisch initiatief, wel met de toelating maar zonder inmenging van de bezetter. Deze unie overkoepelt de socialistische, liberale en christelijke vakbonden samen met de syndicale organisatie van het Vlaams Nationaal Verbond (VNV), de Arbeidsorde. Hendrik de Man heeft vooral een rol gespeeld in de onderhandelingen die aan de oprichting van de Unie vooraf gingen. Om verschillende redenen kwam zij nooit ernstig van de grond (o.m. om de feitelijke onmacht van de UHGA als onderhandelaar tegenover de bezetter en de werkgevers waardoor positieve resultaten uitbleven). In 1942 legde de bezetter de hand op de organisatie, door de socialistische voorzitter V. Grauls te vervangen door E. Delvo van het ‘Vlaamsch Nationaal Verbond’ (VNV). Intussen had De Man zich de vijandschap op de hals gehaald van het verzet en van de Belgische politici in Londen. Maar ook het VNV en de Duitsers bejegenden hem met scepticisme en vijandschap: de laatsten noemden hem n.a.v. zijn Junimanifest een pseudo-fascist en het VNV maakte het De Man onmogelijk in het openbaar te spreken. Zij stonden vijandig tegenover De Mans weigering tot collaboratie en tegenover zijn streven de Belgische eenheid en onafhankelijkheid zoveel mogelijk te handhaven. Eind 1941 krijgt hij, naast een spreekverbod onder druk van het VNV, zijn ontslag als hoogleraar aan de ULB en trekt zich uiteindelijk vrijwillig terug in de Haute-Savoie. Een jaar later verschijnt ‘Réflexions sur la paix’, maar het werk wordt vrijwel direct in beslag genomen.

In 1944 steekt hij de Frans-Zwitserse grens over, vraagt en verkrijgt politiek asiel in Zwitserland en trouwt er voor de derde keer. Hij geeft ook het boek ‘Cahiers de ma montagne’ uit. Op 12 september 1946 wordt hij bij verstek veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf, 10 miljoen frank schadevergoeding en militaire degradatie. Hij trekt met een petitie naar de Senaat, echter zonder resultaat. Door de publicatie van ‘Cavalier Seul’ in 1948 loopt hij een extra veroordeling op, gezien politiek veroordeelden zich niet mogen bezighouden met journalistieke activiteiten. In 1949 doet hij een laatste poging tot eerherstel en stelt een nieuwe petitie op, nogmaals zonder resultaat. De afwikkeling van de koningskwestie ontnam hem de hoop naar België te kunnen terugkeren. In 1950 en 1951 publiceert hij respectievelijk ‘Jacques Coeur, der königliche Kaufman’ en ‘Vermassung und Kulturverfall: eine Diagnose unserer Zeit’. Op 20 juni 1953 komen Hendrik De Man en zijn echtgenote om het leven in een auto-ongeval in Mürten in Zwitserland. Deze merkwaardige politicus en denker sterft vaderlandloos, vervallen verklaard van de Belgische nationaliteit. Postuum wordt het werk ‘Gegen den Strom; Memoiren eines europaïschen Sozialisten’ uitgegeven. Achteraf gezien is het duidelijk dat hij een van de origineelste politieke denkers geweest is van na de Eerste Wereldoorlog. Zijn temperament bleek evenwel onverzoenlijk te zijn met de eisen die gesteld worden aan een politicus. De stilte rond De Man na 1945 is toe te schrijven aan zijn streven naar een Nieuwe Orde, een nieuwe politiek en een nieuw economisch systeem voor en tijdens de oorlog, die hem in weldenkende kringen nooit vergeven werd. De figuur Hendrik De Man blijft tot op vandaag een taboe in socialistische middens, enkel de marxist wijlen Ernest Mandel doorbrak er het taboe rond De Man met een pamfletaire kritiek. Naarmate het oorlogsdrama vervaagt, ontstaat weer de mogelijkheid Hendrik De Man positief te evalueren als denker.

Advertenties
 
%d bloggers liken dit: