Nieuw-Solidaristisch Alternatief!

Het identitair en revolutionair verzet! – Weg van de Wetstraat, op naar de Volksstaat!

Nyegaard

Jan Derk Domela Nieuwenhuis – de oude Deense familienaam Nyegaard heeft hij pas later aan de vernederlandste naam toegevoegd – werd op 25 juli 1870 te Amsterdam geboren als jongste der drie kinderen uit het huwelijk van Mr. Jacob Domela Nieuwenhuis, advocaat en procureur, en Elisabeth Rolandus Hagedoorn. De Nyegaards waren uit Denemarken afkomstig, maar een van hen leed als zeekapitein schipbreuk in de buurt van Kennemerland en vestigde zich daarop, het varen moe, als koopman te Alkmaar, waar hij zijn naam vernederlandste. Hij werd de vader van prof. Dr. Jacob Nieuwenhuis (1777-1857), die in 1822 hoogleraar in de theologie en de filosofie te Leiden werd. Een van zijn zoons, Ferdinand Jacobus (1808-1869), nam de naam van zijn Friese moeder bij zijn familienaam aan en werd daardoor de eerste Domela Nieuwenhuis. Deze Lutherse hoogleraar in de theologie aan het Atheneum van Amsterdam was de vader van Jacob Domela Nieuwenhuis (1836-1924), die in 1884 hoogleraar in het strafrecht te Groningen werd. Zijn jongste zoon was een zwak kind, dat zijn gehele jeugd door voortdurend onder dokters handen was en gedurende hele perioden niet of nauwelijks lopen kon.

Pas omstreeks zijn twaalfde jaar begon er enige verbetering in zijn toestand te komen, zodat hij, nadat hij tevoren vrijwel uitsluitend privaatlessen had gehad, in 1886 het gymnasium in Groningen kon volgen. Anderhalf jaar later moest zijn vader hem op doktersadvies al weer thuis halen en hem door privaatlessen laten opleiden voor het toelatingsexamen tot de universiteit. Door zijn ziekte veel aan huis gebonden, had de jongen zijn onverzadigbare leeslust naar hartelust kunnen botvieren, zodat hij al vroeg rijp en groen gelezen had. Nog in Amsterdam was hij, in 1883, begonnen een dagboek aan te leggen, dat hij tot in het begin van de eerste Wereldoorlog heeft bijgehouden en waarin hij later opnieuw, doorgaans van dag op dag, alles heeft opgeschreven wat in zijn leven en dat van zijn naaste omgeving plaats vond en wat daarbuiten zijn opmerkzaamheid trok. In zijn ouderlijk huis had hij, eerst in Amsterdam, later in Groningen, allerlei bekende persoonlijkheden ontmoet, en ook de binnen- en buitenlandse reizen die het gezin jaarlijks ondernam hadden al vroeg zijn blik verruimd. Ondanks de eenzaamheid die het gevolg was van zijn vele ziek zijn, gevoelde hij zich dan toch ook bevoorrecht door hetgeen het ouderlijk huis hem gaf. In het gezin van Prof. Domela Nieuwenhuis heerste een weldadige godsdienstige sfeer en een geest van harmonie tussen ouders en kinderen, die zelden of nooit verstoord werd.

Nog vóór Jan Derk het staatsexamen had kunnen afleggen, achtte de arts die hem behandelde het gewenst dat hij naar Zwitserland zou gaan. Aangezien het zijn bedoeling was, predikant te worden, besloot hij zich in Lausanne aan de opleidingsschool van de Église libre te laten inschrijven. Een jaar vóór zijn vertrek had hij zich laten aannemen in de Lutherse gemeente, waartoe de Nieuwenhuizen behoorden. Kort daarop was hij in contact gekomen met het Leger des Heils en een hartstochtelijk aanhanger van deze beweging geworden. Als heilsoldaat nam hij vol ijver deel aan het reddingswerk onder de armen van Groningen. Toen William Booth in Den Haag zou spreken, ging hij daarheen; onder de bezoekers van de meeting trof hij zijn oom Ferdinand aan, wiens aanwezigheid voor de Generaal aanleiding was om het socialisme in zijn rede te betrekken. Ook in Lausanne werd hij een trouw bezoeker van de samenkomsten van het Leger, en toen Booth hier in mei 1891 een bijeenkomst leidde, sprak hij met hem over zijn studie. De Generaal, die zelf predikant was geweest, zei hem dat hij aan de theologische vakopleiding weinig waarde hechtte, maar liet hem overigens vrij in zijn besluit. Hij besloot zijn studie voort te zetten aan de universiteit van Genève, waar hij in 1892 het theologisch examen aflegde.

Op 31 juli 1893 trouwde hij te Groningen met Andrea Elisabeth Hermina Sypkens, die hij in Leger des Heilskringen had ontmoet. Zij was de dochter van een der Hervormde predikanten van Groningen; haar ouders hadden eerst nog al bezwaar gemaakt tegen een huwelijk met deze Heilsoldaat, die bovendien nog een zwak gestel had, maar er tenslotte toch in berust. Dat zwakke gestel was in Zwitserland weinig verbeterd, maar de arts meende dat Schotland een gunstiger uitwerking zou hebben, en daarom trok het jonge paar na de huwelijksreis naar Edinburgh, waar Domela Nieuwenhuis zijn theologische studie wilde voltooien. Toen hem na enige tijd bleek dat de Evangelical Union Church van haar predikanten onvoorwaardelijke instemming eiste met de calvinistische Westminster- confessie, met inbegrip van het leerstuk der uitverkiezing, besloot hij opnieuw van opleidingsinstituut te veranderen en aan dat van de minder rechtzinnige Evangelical Union Church of Scotland af te studeren. Deze kerk ordende hem in maart 1895 tot predikant. Enkele dagen later trokken de Domela’s met hun beide zoontjes – een tweeling – die het jaar tevoren geboren waren, naar Groningen terug, waar hij ook nu weer enige tijd in het Leger des Heils onder de kermisklanten werkte. Met de Lutherse kerk voelde hij zich niet in die mate verbonden, dat de overgang naar een ander kerkgenootschap hem moeite zou kosten, en toen de Hervormde gemeente van Oostende een beroep op hem uitbracht, nam hij dat aan. Op 22 september werd hij er door zijn schoonvader bevestigd.

De hervormde gemeente van deze haven- en vissersplaats telde niet meer dan zestig gezinnen, maar ook buiten zijn pastorale arbeid was er voor de actieve jonge predikant, vooral nu zijn gezondheid maar weinig meer te wensen overliet, genoeg te doen. Als principiëel drankbestrijder – vrijwel zijn leven lang was hij geheelonthouder, vegetariër en niet-roker – vond hij onder het proletariaat van Oostende een vruchtbaar werkterrein, dat hem bovendien in nauw contact bracht met de noden van het Vlaamse volk, en daarmee met de Vlaamse beweging. Hij geraakte er bevriend met Dr. Eugeen van Oye, die er dokter was, de leerling van Guido Gezelle, een overtuigd voorvechter voor de zaak der Vlamingen, en het werd hem steeds duidelijker dat in dit volkomen Vlaamse land de rechten van het Vlaamse volk met voeten werden getreden. Toen hij eind 1898 naar Odijk vertrok, dat hem beroepen had, verliet hij Vlaanderen als volbloed flamingant. In Odijk, waar een derde zoon geboren werd, heeft hij geen gelukkige jaren doorgebracht; het dorpsleven was hem te eentonig en de strijd tegen de fanatiek orthodoxe boeren, die de lippen stijf opeengeklemd hielden als hij een gezang opgaf, was hem te weinig aantrekkelijk. Nadat hij zes andere beroepen had afgeslagen nam hij in het voorjaar van 1903 dat naar Gent met vreugde aan, vooral ook omdat het hem naar Vlaanderen terug zou brengen.

De Protestant Evangelische gemeente van Gent omvatte niet alleen de leden uit de stad, maar bovendien die van 23 dorpen in West- en Oost-Vlaanderen. Verder was hem de geestelijke verzorging opgedragen onder de protestanten in de gevangenissen van Gent, Brugge en Dendermonde en in het verbeteringsgesticht van Beernem-Ruiselede. Zijn taak was dus allerminst een sinecure, maar niettemin vond hij nog tijd zich daarnaast bezig te houden met de belangen van de Nederlandse taal en de Nederlandse cultuur, o.a. in de Vlaamse afdelingen van het Algemeen Nederlands Verbond. De omgang met strijdbare figuren als Paul Frédéricq, die een van zijn ouderlingen was, Julius Mac Leod, Willem de Vreese en Roza de Guchtenaere gaven hem een dieper inzicht in de Vlaamse beweging. Bij een zo temperamentvol man als Domela Nieuwenhuis was, moest de stelselmatige onderdrukkingspolitiek van de Belgische regering, de economische verwaarlozing van Vlaanderen, de sterke verfransing van het onderwijs, het rechtswezen en het leger, een fel verzet wekken. Meer en meer kwam hij tot de overtuiging dat de enige oplossing voor de Vlaamse kwestie de eenwording van Vlaanderen en Nederland zou zijn, de vorming van een groot Diets rijk in Germaans verband, een ideaal dat ook aan zijn romantische neigingen tegemoetkwam. Zo werd hij een steeds onverzoenlijker vijand van de Belgische staat. Terwijl anderen, meer bezadigden, langs lijnen van geleidelijkheid hun doel trachtten te bereiken, zocht deze onstuimige Noord-Nederlander naar een snellere en radicalere oplossing van het brandende probleem.

In de oorlog die in augustus 1914 uitbarstte meende hij de kansen daartoe te zien. Na de Duitse inval splitste de Vlaamse beweging zich in drie groepen, die der Passivisten, die het einde van de oorlog wilden afwachten en de godsvrede sloten, die der Activisten, en de onvermijdelijke middengroep. Natuurlijk sloot Domela Nieuwenhuis zich onmiddellijk bij de groep der Activisten aan. Deze aanvankelijk kleine, maar steeds toenemende groep, waartoe vele jongeren en vooral ook vele studenten van de Gentse universiteit behoorden, richtte op 24 oktober 1914 te Gent de Nationaal Jong-Vlaamse beweging op. Domela Nieuwenhuis werd de eerste voorzitter; tot de vooraanstaande leden behoorden o.a. Reimond Kimpe, die later als schilder naam zou maken, de jonge bioloog Marcel Minnaert, Antoon Thiry, Leo Picard, even later ook Willem de Vreese, René de Clercq, Richard de Cneudt en vele andere letterkundigen. Voor het eerst sinds 1830 was een grote, enthousiaste groep Vlamingen zich bewust van de mogelijkheid om voor Vlaanderen een staatkundige zelfstandigheid te scheppen. De vernederlandsing van de Gentse universiteit, sinds tientallen jaren een onbereikbaar schijnend ideaal, werd nu opeens een nabije werkelijkheid. Uit Gent sloeg het Activisme naar heel het Vlaamse land over, en ook onder de Vlaamse soldaten in het Belgische leger, dat aan de IJzer streed, ontstond al spoedig een sterke Activistische beweging.

Onvermoeid bereisde de voorzitter heel Vlaanderen om zich in verbinding te stellen met de geestverwanten, waartoe o.a. een aantal jonge letterkundigen behoorden. Het enthousiasme en het idealisme dat hij in de beweging aantrof bezielden hem tot een krachtsinspanning die ongelofelijk moet hebben geschenen voor wie hem in zijn ziekelijke jeugd hadden gekend. Als afgevaardigde van de beweging reisde hij in 1915, 1917 en 1918 naar Duitsland om bij de rijkskanselier en andere staatslieden de belangen der Vlaamse zaak te bepleiten. Voor hetzelfde doel bezocht hij in 1915 een aantal vooraanstaande Nederlanders, o.a. Kuyper en Bolland, wat de eerstgenoemde betreft overigens met weinig succes. Wanneer de Duitsers blijk gaven van wantrouwen ten opzichte van de bedoelingen van deze groep, was hij het doorgaans die als bemiddelaar of pleitbezorger moest optreden. Bij dit alles bleef zijn pastorale werk zijn belangrijkste taak; regelmatig bezocht hij zijn gemeenteleden en de verstrooide protestanten in Vlaanderen, en zo dikwijls hij er gelegenheid toe kreeg stond hij in de hospitalen de gewonde soldaten, van welke nationaliteit ook, op hun ziek- of sterfbed bij, waarbij ook zijn talenkennis hem goed van pas kwam. Ook in deze jaren van politieke strijd bleef hij vóór alles pastor.

Gaandeweg begonnen zich binnen de kringen der Activisten verschillende richtingen af te tekenen; wantrouwen en tengevolge daarvan verdeeldheid kwamen in de plaats van de oorspronkelijke eensgezindheid, en ook Domela Nieuwenhuis kreeg ruimschoots zijn deel van de miskenning van de zijde van zijn vroegere medestanders. Het heeft hem niet verhinderd, tot het einde toe verder te strijden met onverflauwde geestdrift en onverwoestbaar geloof in het goed recht van de zaak, die hij voorstond. Ook in geschrifte heeft hij in deze jaren de aandacht gevraagd voor de Vlaamse kwestie, allereerst in de brochure Vlaanderen bevrijd van allen Zuidelijken dwang (1915), die in 1916 en nog eens in 1918 in het Duits en in 1917 in het Engels verscheen, en in een aantal tijdschrif- en weekbladartikelen.

Toen, nog vrij onverwachts, het einde van de oorlog kwam, nam Domela Nieuwenhuis in oktober 1918 met vele andere Activisten de wijk naar Nederland. De vervlaamsing van Vlaanderen, die na het Activisme in een geheel nieuw stadium was getreden, zou hij voortaan slechts uit de verte en als toeschouwer kunnen volgen. In 1921 werd hij door het Assisenhof te Gent bij verstek ter dood veroordeeld. Bij verstek, want bijna drie jaar eerder was Domela naar Nederland gevlucht, waar hij dominee was geworden in Beetsterzwaag in Friesland. Domela was trots op zijn veroordeling. Langs omwegen kreeg hij een exemplaar van het vonnis te pakken, kocht een fraai omslag en schreef erop: “Hoogste ridderorde en Eere-onderscheiding vanwege den koning van Bé”. Bé stond voor België en werd door Domela blérend en blatend uitgesproken. Aan België had hij zoals eerder gesteld een diepe hekel. Door tussenkomst van zijn vriend de Haagse predikant Dr. F. van Gheel Gildemeester was hij al in het voorjaar van 1919 tot hulpprediker van de Hervormde gemeente van Beetsterzwaag aangesteld, die hem nog in hetzelfde jaar als predikant beriep. In dit welvarende Friese landbouwdorp met een vrijwel geheel protestantse bevolking vond hij een nieuw arbeidsveld. Zijn naam had er dank zij zijn oom Ferdinand, wiens ‘Van Christen tot anarchist’ er destijds in menig arbeidersgezin nog het enige boek was, een goede klank, en de onafhankelijkheidszin van deze Friezen harmonieerde wonderwel met zijn eigen karakter, dat immers ook een Friese inslag bezat. Er waren ook hier moeilijkheden, o.a. door de partijgeest die hij er in het kerkelijk leven aantrof, maar er waren ook prettige ervaringen. Hij maakte er na 1922 de grote agrarische werkloosheid en als gevolg daarvan de armoede onder de landarbeiders mee, en hij kwam er in contact met de avontuurlijke jarig van der Wielen, wethouder van Opsterland (waaronder Beetsterzwaag behoorde), die op zijn bezitting “Allardsoog” de grondslag legde van de eerste volkshogeschool in Nederland, een instituut dat hem niet alleen omdat het uit Denemarken afkomstig was, sympathiek moest zijn.

In 1911 had hij samen met zijn vrouw zijn eerste reis naar Skandinavië gemaakt, waar ze de afstammelingen van de Nyegaards hadden opgezocht. Tijdens de jaren dat hij in Beetsterzwaag woonde maakte hij deze reis nog twaalf maal, van 1930 af vrijwel jaarlijks. Ook de Faröer en IJsland werden bezocht. Overigens speelde zijn leven zich in hoofdzaak op de pastorie af, waar oude en ook telkens weer jongere vrienden uit Vlaanderen hem van tijd tot tijd verslag kwamen uitbrengen van de goede vorderingen die de Vlaamse zaak maakte. Een enkele keer trad hij nog op de voorgrond, zoals bij de nationale hulde aan Willem van Oranje op 17 april 1933 in de Nieuwe kerk te Delft, toen de duizenden aanwezigen onder zijn voorgang de eed van trouw zwoeren.

Intussen waren sinds het midden van de twintiger jaren in Nederland allerlei Nieuwe Orde-groepen en groepjes opgekomen, grotendeels met sterk uitgesproken Duitse of Germaanse sympathieën. Terwijl Domela Nieuwenhuis afwijzend stond tegenover de N.S.B., meende hij in de beweging van Arnold Meijer (bewonderaar van Mussolini en overtuigd Heel-Nederlander), het Nationaal Front, de belichaming van zijn politieke idealen te zien. Hoewel hij er zich nooit bij heeft aangesloten, onderhield hij er wel betrekkingen mee. Zo sprak hij in april 1940 bij de oprichting van het N.F. Na de Duitse inval pacteerde hij met Werner Ross, vertegenwoordiger van rijkscommissaris Seyss-Inquart in Friesland. Domela had ontdekt dat Ross een verre verwant van hem was langs de Nyegaard-tak. Gekleed in een Duits uniform liet Ross zich in een Duitse auto naar Beetsterzwaag rijden, waar de deuren van de pastorie voor hem openzwaaiden. De dorpelingen spraken er schande van en meden de kerk als Domela er preekte. Tussen Domela en Beetsterzwaag kwam het niet meer goed, ook niet toen Domela afstand van de Duitsers nam en luid en duidelijk protesteerde tegen de terreur. Een protestbrief aan Seyss-Inquart werd door Ross onderschept en verdonkeremaand, om Domela voor arrestatie te behoeden. Nog altijd zweefde hem de mogelijkheid van een statenbond voor ogen, waarin alle Germaanse volken, Engeland niet uitgezonderd, verenigd zouden zijn. Hoewel hij zo min als van Mussert van Hitler enig heil verwachtte, meende hij toch dat de politieke constellatie daartoe opnieuw, als in 1914, een kans bood. Opnieuw zou hij bedrogen uitkomen. Vlak na de inval der Duitsers was, op 20 mei 1940, zijn vrouw gestorven, twee maanden voor zijn zeventigste verjaardag. Zwaar drukte hem na een lang en harmonisch huwelijksleven de eenzaamheid, zwaar ook drukte hem het besef dat de tweede Wereldoorlog de verwerkelijking van zijn politieke idealen naar een onbereikbaar verre toekomst zou verschuiven.

In 1944 moest hij emeritaat aanvragen, waarna hij in Amsterdam ging wonen. In de zomer van dat jaar in Groningen bij zijn zoon logerend, verwekte hij daar een niet geringe opschudding door met oranje getooid uitdagend door de stad te lopen, waaraan de Duitsers pas na veertien dagen een einde maakten. Enkele weken later werd zijn zoon door de Gestapo in zijn eigen huis vermoord. Voor het raam van de bovenverdieping staande sprak de vader de samengestroomde Groningers hevig bewogen toe, noemde Hitler een moordenaar en verwees hem met alle Duitsers naar de hel. Hij had Hitler en Himmler “schurken van het nazidom” en de Duitsers een “Slavisch bastaardvolk” genoemd. Natuurlijk ging dit te ver; nog dezelfde middag werd hij gearresteerd en naar de beruchte zolder van het Scholtenshuis gebracht. We bezitten ontroerende getuigenissen over zijn verblijf temidden van de andere gevangenen, waarvan er velen hun doodvonnis tegemoet zagen, die hij door zijn onverschrokken houding opbeurde en troostte. Alleen zijn hoge leeftijd bewaarde hem voor de doodstraf; na enkele weken werd “der gefährliche Alte” naar Schiermonnikoog overgebracht. Naar men wil kregen de bewakers de opdracht hem onderweg te “verliezen”, maar niettemin kwam hij behouden op het eiland aan. Het preken was hem streng verboden, maar in huis- en ziekenbezoek kon hij de pastorale roeping, die altijd de sterkste zijde van zijn predikantschap was geweest, uitleven. Tot de bevrijding heeft hij op dit eiland doorgebracht.

Na zijn terugkeer in Amsterdam bereikte hem het bericht dat ook zijn zoon Edzard in een Japans concentratiekamp om het leven was gekomen. Op 27 maart 1946 hertrouwde hij met zijn achternicht Elisabeth Francisca Nieuwenhuis, die de toegewijde verzorgster van zijn laatste levensjaren is geweest. Voor het maandblad ‘Het Pennoen’, waarvan hij beschermheer en raadsman werd, schreef hij nog vele artikelen in Heel-Nederlandse geest.Na een langdurig lijden overleed hij op 4 januari 1955 in zijn woning te Amsterdam en werd naast Livarda in Woerden begraven. Op het graf werd Vlaamse aarde gestrooid. Wie Domela Nieuwenhuis Nyegaard niet persoonlijk heeft gekend en hem alleen op grond van zijn daden en zijn geschriften zou willen beoordelen, oordeelt onherroepelijk verkeerd. Men kan op beide veel kritiek hebben en niettemin waardering gevoelen voor de mens, die er verantwoordelijk voor was. Ook wanneer hij dwaalde, dwaalde hij te goeder trouw. Niemand die hem persoonlijk gekend heeft, heeft ooit aan zijn rechtschapenheid en zijn onbaatzuchtigheid getwijfeld. Hij was, net als zijn oom Ferdinand, een non-conformist, een man die de strijd liever zocht dan dat hij hem vermeed, uiterst impulsief, altijd primair reagerend, nooit bereid tot transigeren. Zodoende gaf hij volop aanleiding om misverstaan te worden en zich tegenstanders en vijanden te bezorgen. Daaraan heeft het hem dan ook niet ontbroken. Maar bovenal was hij een man van formaat, een persoonlijkheid. Wie hem als zodanig heeft herkend, en moeilijk was dat niet, begreep dat velen in verering tot hem opzagen. Dat persoonlijke kwam ook in zijn uiterlijke verschijning tot uitdrukking, in de rijzige, kaarsrechte gestalte met de patriarchale sneeuwwitte baard, die het krachtige gezicht met zijn markante trekken omlijstte. Het is niet te verwonderen dat zovele schilders hem tot model hebben gekozen. En allen wie hem kenden, begrepen ook waarom zovelen die in politiek opzicht zijn tegenstanders waren, aan zijn graf stonden, en zullen het verstaan dat hij juist aan een van dezen met nadruk en herhaaldelijk heeft verzocht, zijn levensbericht te schrijven.

Advertenties
 
%d bloggers liken dit: