Nieuw-Solidaristisch Alternatief!

Het identitair en revolutionair verzet! – Weg van de Wetstraat, op naar de Volksstaat!

Willems

Jan Frans Willems wordt geboren te Boechout in het Antwerpse op 11 maart 1793. Juist die dag bezetten de revolutionaire Franse “sansculotten” de streek! Vader Willems is achtereenvolgens “percepteur”, tailleur, géomètre, bakker, herbergier… Hij is onderlegd en ondernemend, maar door zijn onkunde van het Frans raakt hij steeds meer achterop. Die toestand zal zoon Willems grondig beïnvloeden. In 1805 gaat Willems naar Lier, waar hij opgenomen wordt in het gezin van oud-officier Georg Bergmann, die tot 1830 allerlei functies bij het gemeentebestuur bekleedt. Hij leert er liefde voor eigen volk en taal kennen. In 1809 gaat Willems als notarisklerk naar Antwerpen; hij schrijft er zijn eerste rijmproeven, Daar is onder andere de ‘Hymne aan het vaderland’ bij, over de slag bij Friedland (1812) die een eerste prijs krijgt in de wedstrijd der Fonteynisten.

In 1815, na het verdrijven van Napoleon en de oprichting der Verenigde Nederlanden, voelt Willems zich gelukkig en schrijft zijn ‘Ode op de herstelling der Nederduytsche Tael door Willem prins van Oranje-Nassau’. Van 1815 tot 1822 geeft hij de “Almanakjes van nut en vermaak” uit, voor een genootschap waar toneel in de volkstaal gespeeld wordt. Daaraan werken Vlaamsvoelenden meer als C.A. Vervier, Leo De Foere, maar ook Noord-Nederlanders als Willem Bilderdijk, Hendrik Tollens, Jeronimo De Vries … In 1816 publiceert Willems zijn ‘Ode aan de Belgen’ (“ook ik, ik ben een Belg, en mag tot Belgen spreken…”) maar in feite is dit een pleidooi voor het aanvaarden van het Nederlands als volkstaal.

In dat jaar werkt hij bij de ontvanger van registratie te Antwerpen, én – onbetaald – bij het stadsarchief. In 1818 huwt hij een rijke weduwe, met wie hij tien kinderen zal hebben, van wie er 7 jong overlijden. In 1821 wordt hij ontvanger der Registratie, een goedbetaalde betrekking. Van dan tot 1824 stelt hij de twee delen op van de ‘Verhandeling voer de nederduytsche taal- en letterkunde’: hij stelt een bronnenverzameling samen en vestigt de aandacht op auteurs als Pater Poirters, Joost de Harduyn, Verhoeven en Jan B. Verlooy. Vanaf 1825 stelt Willems zich méér als filoloog op en stelt hij een bibliotheek met duizenden boeken en handschriften samen. Hij wordt genoemd als doctor honoris causa van de Leuvense universiteit maar door omstandigheden gaat dit niet door… Bij het uitbreken van de belgische opstand in september 1830 is Willems ingelijfd bij de burgerwacht; hij weigert naar het Noorden uit te wijken. Het jaar daarop wordt hij, als sanctie, overgeplaatst naar het landelijke Eeklo, wat zijn inkomen als ontvanger tot zowat één vierde terugbrengt.

In het begin voelt hij zich verbannen en heeft moeite om rond te komen. Bovendien sterven in enkele jaren tijd 4 van zijn kinderen. Gelukkig vindt hij in Eeklo een kleine vriendenkring van orangisten en Vlaamsvoelenden, onder wie de orangistische burgermeester Jozef D’huyvetter. Hij zet zich weer aan het dichten en vertalen, en verzamelt oude liederteksten. Ook in tegenspoed blijft Willems Groot-Nederlander. Zo schrijft hij aan de Nederlandse minister Van Maanen: “ik zal nu zijne Majesteit als Belg en niet als Hollander dienen: ik wil Nederlander zijn en blijven”. In 1834 geeft hij zijn Reynaert-bewerking uit, en wordt stilaan naar waarde geschat: zo wordt hij in de “Commission royale d’histoire” opgenomen. In 1835 wordt hij als ontvanger naar Gent overgeplaatst, zijn financiële zorgen zijn voorbij, en hij wordt de spil van een elitaire Gentse flamingantengroep, onder wie Prudens Van Duyse, medestichter van ‘de tael is gansch het volk’, arts dr Snellaert, student Karel L. Ledeganck, filoloog jonker Blommaert, de latere prof geschiedenis Serrure, de controleur bij financiën Frans Rens en de latere hoogleraar Jules de Saint Genois. De groep is vast besloten het Nederlands als taal ook voor Zuid-Nederland te redden, en verdedigt hardnekkig de éénheid van het Nederlands taalgebied tegenover de Vlaamse particularisten.

Willems krijgt tal van functies: aan het conservatorium, de Commissie voor statistieken, bij de rederijkerskamer De Fonteyne, in het koorleven enz. Hij is overal aanwezig, en overal bedrijvig. Hij straalt natuurlijk gezag uit: met zijn grote gestalte en zijn fors stemvolume is hij de gevraagde spreker op talloze bijeenkomsten. Hij bevordert het Vlaams toneelrepertorium, waarbij hij vooral aan de taal schaaft. Zijn toneelactiviteit mondt in 1847 uit in de eerste Vlaamse schouwburg, de (nog steeds bestaande) Gentse Minard. Met “de Tael is gansch het volk” organiseert hij wekelijks culturele lezingen. Hij sticht volgende tijdschriften: in 1833 de ‘Nederduytsche letteroefeningen’, in 1840 het ‘Kunst- en letterkundeblad’ en dan nog ‘de Eendragt’ die tot 1879 zou verschijnen. Hij stimuleert wedstrijden voor toneel, declamatie en zang, b.v. voor het “Vlaamsch-Duitsch Zangverbond” met jaarlijkse kooruitvoeringen. En één van zijn innovaties: hij laat vrouwen in toneelstukken optreden! En hij wil de huismoeders aan het zingen zetten, en laat op markten en feesten losse liederteksten verspreiden. In de latere jaren ’30 ontwikkelt Willems aan hoog tempo steeds nieuwe initiatieven: in de ‘Maatschappij ter bevordering van nederlandsche tael- en letterkunde’, in het initiatief om een Nederlandse uitgave van het Belgisch staatsblad te bekomen, hij steunt Karel Ledeganck die het Burgerlijk wetboek vertaalt, en verder treedt hij overal op, zingt, spreekt, kortom hij is echt ‘de vader’ van de Vlaamse beweging…

Als ambtenaar staat Willems er op officiële akten in het Nederlands op te stellen, tenzij belanghebbende Nederlandsonkundig is; de dag na Willems’ dood al, werd alles voor jaren weer in het Frans opgesteld! Door overwerk ging Willems’ gezondheid vanaf 1844 sterk achteruit, hij overlijdt plotseling op 24 juni 1846 op een hem passende wijze: na een heftige discussie op het Gentse stadshuis over een optreden van zijn “Fonteynisten” krijgt hij een beroerte en sterft diezelfde dag. Hij wordt plechtig begraven en in juni 1848 als allereerste bekende Vlaming op het Sint-Amandsbergse Campo Santo bijgezet. Zijn monument staat op het Sint-Baafsplein, tegenover de Nederlandse schouwburg. En om hem blijvend te eren,wordt in 1851 het Willemsfonds opgericht, dat als tegenhanger van het Davidsfonds, sterk in liberale richting zal evolueren, iets wat de verdraagzame Willems zelf wel niet zal gewenst hebben…

Advertenties
 
%d bloggers liken dit: