Nieuw-Solidaristisch Alternatief!

Het identitair en revolutionair verzet! – Weg van de Wetstraat, op naar de Volksstaat!

Posts Tagged ‘communisme’

PVDA eist noodregering

Posted by voorhoede op 18 juli, 2008

De maoïsten van de PVDA eisen de onmiddellijke installatie van een noodregering. Zo kan het parasitaire regime nog enige ademruimte en tijd krijgen om zijn duistere zaakjes nog een tijdje verder af te handelen. De PVDA heeft zich hervormd tot een soort van maoïstisch, democratisch gedrocht. Waarschijnlijk staat het nieuwe China voor haar model, net zoals het oude China vroeger model stond voor de oude de koers van de partij.

Lees de rest van dit artikel »

Advertenties

Posted in actua, links-rechts, politiek | Getagged: , , , , | 1 Comment »

Citaat

Posted by reteip op 30 april, 2008

“Ik heb niet gekozen Vlaming te zijn, evenmin als ik gekozen heb geboren te worden. Maar omwille van twee omstandigheden ben ik het, zelfs al moest ik, zeg maar, liever Zaïrees of Chinees zijn.
De eerste omstandigheid is biologisch, waardoor ik van mijn voorouders, meestal ook Vlamingen, een aantal kenmerkende eigenschappen heb geërfd.
De tweede is socio-cultureel: mijn groei tot volwassenheid en mijn verder leven worden beïnvloed door de ervaringen, de tradities (dat zijn gestolde ervaringen), de taal, de cultuur, de manier van wonen, eten, spelen, eigen aan het volk waartoe ik behoor.
Zo ben ik het dubbele product van mijn ouders en de samenleving.
Uiteraard ben ik niet onveranderlijk binnen dit gegeven kader. Daarin ligt precies de essentie van het mens-zijn, dat men door reflexie en actie kan inwerken op zijn eigen lot en op dat van zijn medemensen.
Het is mogelijk zowel het biologisch als het beschavingselement te vernietigen, zodat men elke affiniteit tot een volk verliest. Dat is in grote mate het lot geweest van ons Vlaamse volkin de negentiende eeuw (ook in de zestiende eeuw). De kapitalistische uitbuiting vernietigde ten gronde een ontheemde bevolkingslaag, samenhokkend in onbeschrijflijke wantoestanden in cité’s en woonkazernen, met kinderarbeid, alcoholisme, ongeletterdheid, in totale onwetendheid over het eigen verleden.
(…)
De foutieve opvatting dat solidariteit slechts mogelijk is binnen een eenheidstructuur is nog altijd kenmerkend voor een meerderheid van communisten.
In feite is het juist het omgekeerde: solidariteit kan slechts ten volle tot uiting komen wanneer er sprake is van autonome delen met zelfbeschikking. Solidariteit die complexe structuren en reglementen vereist wordt al vlug herleid tot een formeel verschijnsel.”

(Jef Turf, ex-boegbeeld van de K.P. in Vlaanderen, ex-politiek directeur van De Rode Vaan)

Posted in citaten, vorming | Getagged: , , , , , | Leave a Comment »

Wet op de samenspanning

Posted by drietand op 28 januari, 2008

Als je de maatregelen bekijkt die een gemeente als Lommel ingevoerd heeft om samenscholingen en vergaderingen te verbieden waant men zich terug in de 19de eeuw. Toen kende men in dit land nog de wet op de samenspanning. Een wet die alle vormen van organisatie en gezamenlijk optreden van personen verbood. Stakingen en andere uitingen van sociaal of ander ongenoegen konden met deze wet worden onderdrukt. Mensen die in het publiek, maar ook in het privé, samenkwamen om een actie te voeren werden opgepakt en opgesloten.

De vakbondsorganisaties konden zo jaren in de illegaliteit worden gehouden en de macht van de arbeiders kon door het uitbuitende patronaat onderdrukt worden. De sociaalfascisten van de SP.a hebben met hun spitsbroeders van de liberale Open VLD nu de klok 150 jaar terug gezet. Alleen hebben ze de repressiewet nu nog een beetje meer gearchaïseerd.

Moderne tijden, dat is niks voor liberalen en socialisten. De gemeente wil nu elke samenkomst of manifestatie verbieden die aanleiding kan geven tot onrust of die de burgers zou kunnen opruien. Alle groepen (of ze nu confessionele, ideologische, politieke of filosofische houdingen aannemen) die totalitair of autoritair zouden zijn kunnen verbod krijgen om te manifesteren.

De dynastie Vanvelthoven heeft blijkbaar heimwee naar vroegere tijden, waar het nog duidelijk was wie baas was en wie knecht. Deze adellijke afstammeling van de socialistenbaronie zal wel bepalen wie goed is en wie slecht. Zelfs manifestanten die alleen maar theoretische beschouwingen aanhangen maar die als antidemocratisch kunnen gezien worden moeten geweerd worden uit Lommel. Binnenkort zal alleen nog de carnavalstoet in Lommel mogen uitgaan. Maar niet voordat alle deelnemende groepen door het plaatselijke narrencollege zullen zijn gescreend op mogelijke oproerige thema’s en narrenvoorstellingen die mogelijks niet stroken met de visie van de plaatselijke notabelen. De burgers mogen tenslotte niet opgeruid worden in Lommel.

Om de democratie te vrijwaren zou het schepencollege nog verder willen gaan. Men zou er aan denken om geen gemeenteverkiezingen meer te houden in Lommel. De mensen worden daar alleen maar onrustig van en de oppositie is er toch alleen maar op uit om de mensen op te ruien. Er is zelf een oppositiegroep in Lommel die met het nieuwe gemeentereglement perfect het recht kan ontzegd worden om nog te zetelen in de gemeenteraad of kan belet worden om vergaderingen te houden.

De lijst Aktief – die eigenlijke een communistische PVDA-lijst is – voldoet perfect aan de voorwaarden om straatverbod te krijgen. Ze zijn autoritair, ze zijn totalitair en dat zo wel theoretisch als praktisch. Wij vragen aan Vanvelthoven om zijn gemeenteraad te zuiveren van deze oproerkraaiers die reünies houden ter aanbidding van oorlogsmisdadigers zoals voorzitter Mao en vadertje Stalin, beiden Olympische kampioenen wat betreft de disciplines uitmoorden van mensen en verkrachten van de democratie.

Wie de uitzonderingswetten ook hevig toejuicht is het AFF. Zij dringen al jaren aan op meer repressie. Het is toch hoogst eigenaardig dat zogenaamde linkse organisaties de agenda van de staat een handje helpen. Het is toch duidelijk dat de staat en de corrupte politieke klasse de bevolking in toom wil houden bij een komende economische recessie. Daarom pleiten patroons en politieke schurken voor het beknotten van het recht op staken. Individuen die zichzelf hebben uitgeroepen tot linkse strijders voor de democratie eisen van het kapitaal en de staat dan weer verbod en repressiewetten tegen andersdenkenden. Je zou nog gaan geloven dat de enkeling die achter de AFF-blog schuilt eigenlijk een agent / provocateur is die ten dienste staat van het corrupte machtssysteem. Echte linkse mensen zouden toch beter maar eens nagaan wie dat er zo tuk is op die antiverenigingswetten. Onder het mom van het antinazisme zou er wel eens een echte nazi-agenda kunnen schuilgaan: de Belgische staatsdictatuur!

Posted in Uncategorized | Getagged: , , , , , , , , , , , | Leave a Comment »

Toespraak Eddy Hermy, Fête de l’identité

Posted by drietand op 4 december, 2007

1968, het revolutionaire jaar. Ik was een arbeider. Voor mij was er niet zoveel magie aan 1968. Op het werk en in mijn omgeving was het gewoon werken en leven… zonder de revolutie. Die revolutie gebeurde in een andere wereld. Toch ga ik uit nieuwsgierigheid luisteren naar een paar studentenleiders die in mijn jeugdclub kwamen spreken. Daar hoorde ik Ludo Martens en Paul Goossens, twee oprichters van de Derde Wereld Beweging – AMADA, partij in opbouw. Ik neem contact op met de plaatselijke afdeling, maar het is een studentikoos gedoe en heb maar een los contact met de beweging. Ik doe mijn legerdienst.

 

Na mijn legerdienst zoek ik opnieuw contact en de sfeer en de mensen zijn veranderd. Het is nu een communistische groep geworden die de marxistische werken bestudeerd en die het maoïsme als leidraad heeft. Ik ben een leek, ik weet niets van ideologie, niets van filosofie en – buiten dat ik veel moet werken voor weinig geld – weet ik ook niks van economie. Ik ben de enige arbeider van de groep. In het grotere geheel zijn er nog geen tien arbeiders. Ik voel mij zo stom tegenover die andere kameraden die in een andere wereld leven en van alles weten. Ik studeer…

 

De groep ondersteunt mij en helpt mij op alle mogelijke manieren. Ze geven mij boeken. Als ik vragen heb, wordt er alles aan gedaan om mijn vragen te beantwoorden. Ik leer snel. Mijn leven is nu gericht op studie en onderzoek. Ik leer pamfletten schrijven en men dwingt mij om in het publiek te spreken. Ik moet ook spreken namens de groep op debatavonden. Ik ga vele malen op mijn bek. Zeker tegenover Trotskisten moet ik het afleggen. Ze zijn goed ideologisch onderlegd. De leiders van de beweging willen die beweging omvormen tot een echte communistische partij. We moesten Lenin’s boek “Wat te doen” lezen. Dat gaat over de partijopbouw. Ik was intussen goed dialectisch gevormd en was een keiharde voorstander van de oprichting van een maoïstische partij.

 

Vele burgerlijke leden haakten af. Ze vonden dat we een soort stalinistische dictatoriale partij voor ogen hadden. Dat was uiteraard ook zo. Daar konden de meeste kameraden niet mee leven. Velen van die kameraden zijn dan een mars door de instellingen begonnen. Ze hadden sympathie voor de communistische wereldvisie, maar meenden dat ze via de instellingen beter resultaten konden bereiken. Ze hadden gelijk. Ze zijn nu zo wat in de gehele maatschappij geïnfiltreerd. En wat belangrijk is: ze hebben via het onderwijs de nieuwe generaties gekneed. Toen we uitgediscuteerd waren, was er nog maar een fractie over van het oorspronkelijke ledenaantal van de organisatie. Maar het was een keiharde fractie, het was een soort militair politiek, ideologisch commando. Het was een communistische, leninistische partij geworden. De strijd kon beginnen.

 

Er werden cellen opgericht die rond bepaalde fabrieken werkten. Ik was celleider in de fabriek waar ikzelf werkte en lid van een andere cel rond een andere fabriek. Zo kon je leren van de strijdmethode in een andere fabriek en konden anderen leren van jouw activiteiten. In marxistisch jargon noemde men dat ‘van de massa naar de leiding en van de leiding naar de massa’. Zo kon men een massalijn ontwikkelen.

 

De inzet was volcontinu. Er waren geen vrije dagen. Aan fabrieken pamfletten uitdelen, pamfletten schrijven, de werken van Mao, Lenin en Stalin bestuderen, op huisbezoek gaan bij sympathiserende arbeiders om te weten wat er in de fabriek leeft, rapporten schrijven over je celleden en over de enquêtes bij sympathisanten, vergaderen, … Door de klassenstrijd centraal te stellen doet men aan revolutionaire opvoeding noemden we dat.

 

Ik infiltreer in de socialistische vakbond in opdracht van de partij. In de partij beslis je niet zelf waarvan je lid wordt, de partij beslist voor jou. Jij voert dat uit. Dat heet democratisch centralisme. Bezwaren schriftelijk indienen, intussen taken uitvoeren. Ik laat mij op bevel van de partij verkiezen tot vakbondsafgevaardigde op mijn werk. Dat is niet moeilijk, de collega’s noemden mij toen al Mao. De strijd op alle commandoposten voeren en het maoïsme als leidraad nemen heet dat.

 

Ik zal samen met mijn cel 5 stakingen leiden in 4 jaar tijd alleen al in de fabriek waar ik werk. De spanning tussen mij en de directie zijn zo hoog dat ze beslissen om voor mij een apart gebouwtje te zetten. Daar mag ik dan 8 werkuren per dag recht staan en niets doen. In opdracht van de partij maak ik er een propagandalokaal van. Ik hang het vol met posters van Lenin en Mao. Ik ga mij een stoel halen in de refter en begin van ‘s morgens tot de ‘s avonds te lezen. Ik heb door de wet echter het recht om in de fabriek rond te lopen om met onze vakbondsleden te praten, maar ik moet eerst de directie verwittigen. Als ik buiten mijn kotje kom, krijg ik dan direct het gezelschap van een ingenieur die mij overal volgt. Er durft niemand nog tegen mij te praten. Ik ben totaal geïsoleerd.

 

De vakbondsleiders in Oostende geven mij een kans. Ik mag naar de arbeidershogeschool en zij betalen mij een loon. Ze zeggen dat mijn inzet voor het socialisme op een productiever manier kan. Dat revolutionaire gedoe moet ik nu als een voorbije fase in mijn leven zien zeggen ze. Ik leg dat voor aan de cel en aan de hogere leiding van de partij. Het feit dat ik nog maar gehoor durf te geven aan zulke defaitistische praat van de sociaalfascisten (dat zijn de sociaal-democraten van de vakbond) toont aan dat ik een rechtse burgerlijke afwijking heb.

 

De vakbondsleiders denken dat ik beïnvloed ben door hun praat en bieden mij aan om een tussenkomst te houden op het volgende nationale congres. Zij zullen wel een tekstje maken. De echtgenote van Allende zal het congres bijwonen. Haar man is kortgeleden vermoord door de pro-Amerikaanse junta. Ik moet aan de partij bewijzen dat ik niet toegeef aan mijn defaitisme en deze congrestussenkomst is het gedroomde moment om mijn trouw aan de partij te confirmeren. Door kritiek en zelfkritiek je opvoeding ter hand te nemen. De massalijn door de partij uitgezet trouw volgen. De revolutionaire commandopost niet verlaten noemen ze dat.

 

Ik geef een vlammende toespraak op dat congres en beweer trouw aan de partijlijn dat de vakbondsleiders die op het podium zitten te glunderen mede verantwoordelijk zijn voor de dood van Allende omdat sociaal-democraten niet bereid zijn de proletarische revolutie te voeren en ze zo de kans geven aan de reactie om onze mensen te vermoorden. De echtgenote van Allende valt om mijn hals, maar de vakbondstop kijkt vijandig in mijn richting. De partij was tevreden. De revolutie op het voorplan zetten. Het marxistisch-leninistische denken van Mao Tse Toeng studeren en toepassen, het revisionisme bekampen luidt het!

 

Een paar weken later moest ik op het kantoor van de directeur van de fabriek komen. De plaatselijke vakbondsleider zat broederlijk naast de directeur. Met veel plezier vertelde ze mij dat ik kon ophoepelen en dat de vakbond de directie alle steun gaf. Als ik buiten het kantoor kom staan er al twee BOB’ers en vier rijkswachters en word ik in handboeien naar buiten gesleept. Exit werk en exit vakbond.

 

De partij is niet onder de indruk. De inzet van onze kameraden is een bewijs van de slagkracht van de gedachten van Mao Tse Toeng en de partijlijn van AMADA. Nadat we met een commando de fabriek binnenvallen en alles plat leggen krijg ik nog een schadeclaim van 10 miljoen Belgische franken aan mijn broek. Dat is nu nog veel maar in die tijd kon je daar 3 huizen voor kopen.

 

Door de jarenlange strijd en de steeds grotere druk van de partij ben ik volledig opgebrand. Ik ben 25 jaar en een staatsvijand. Ik heb zoveel stakingen in de laatste jaren mee georganiseerd in verschillende bedrijven over geheel Vlaanderen dat de BOB politieke sectie mij als een absoluut gevaar ziet. Ik vind nergens werk meer en de partij vindt nu ook dat ik een proefperiode moet doen om aan te tonen dat ik wel degelijk een goede communist ben.

 

De leiding is namelijk bezig met een rectificatiebeweging. En iedereen moet nu terug naar af. Het komt eigenlijk neer op een gestuurde zuivering. Een rectificatiebeweging heeft tot doel de leden op te voeden en door de opvoeding de klassenvijanden die in de partij zijn geïnfiltreerd op te sporen en te vernietigen. Iedereen is gehouden aan de campagne mee te doen vermits iedereen afwijkingen heeft. Zo noemen ze dat daar. Oude en misvormde wereldopvattingen krijgen de boventoon als men ook niet binnen de partij de revolutie voert, noemen ze dat. Strijd tegen je eigen burgerlijke wereldopvattingen is een garantie tot je proletarische omvorming. Ik ben al proleet sinds ik geboren ben. Ik geef kritiek op de leiding en op de partij. Ik ga naar Ludo Martens, mijn kameraad en leider denk ik. Hij maakt een rapport over ons gesprek met als titel “De crypto-fascistische gedachten van het lompenproletariaat”. In het communistische beschuldigingjargon bestaat er niets dat zwaarder weegt dan een door-het-fascisme-besmette lompenproleet: het is niet meer op te voeden, het is een te doden klassenvijand. Ik was een fascist. Ik werd uit de partij gezet. Ik was voor de overheid een staatsvijand en voor mijn communistische ex-kameraden was ik een vijand van het internationaal proletariaat. Ik verdwijn 3 jaar van het toneel.

 

Via kameraden leer ik de VMO-leider Eriksson kennen. Eriksson is vlug bereid om mij op te nemen. Hij zegt dat de VMO ook voor sociale emancipatie van de Vlaamse arbeider staat. Een ex-communist kan een bijdrage leveren om dat idee meer te benadrukken. Ik zal in de VMO actief blijven tot de ontbinding en tijdens die periode zal ik vele acties voeren. Een van die acties kost mij drie maand effectieve gevangenisstraf. Met de veroordeling van de VMO inbegrepen, heb ik samen 3 jaar gevangenisstraf cadeau gekregen van de Belgische staat waarvan dus drie maand effectief.

 

Het zou plezant zijn om die anekdotes allemaal te vertellen, maar ik denk dat het interessanter is om mijn ideologische redenen voor mijn overstap hier te verduidelijken en tezelfdertijd mijn kijk op de zaken nu te geven. Antikapitalisme was mijn drijfveer om communist te worden. Het is ook mijn drijfveer om nationaal-revolutionair te zijn. Ik zal dat met drie punten trachten te verduidelijken:

 

1. Ik ben voor een onafhankelijke Vlaamse staat. Ik ben tevens voorstander van een Waalse onafhankelijke staat. Waarom? Omdat volgens mij de Belgische staat een onderdrukkingsmechanisme is van een belangenkaste, weliswaar ontstaan door de geopolitieke toestand van de 19de eeuw, maar die intussen is uitgegroeid tot een omhulsel dat gebruikt wordt om twee volkeren te koloniseren. Het is een Belgische elite (in feite vooral het overblijvende Belgische kapitaal) dat België gebruikt als een privéonderneming. De Vlamingen zijn de grootste belangengroep en het is dus niet correct om te stellen dat Walen de Vlamingen onderdrukken. Neen, het is de elite (zowel financieel als politiek) die de onderdrukking organiseert. De transfers van kapitaal zijn eigenlijk een transfer naar de elite en naar de Belgische belangengroepen. Het geld wordt via consumptieve transacties van individuen (werkeloosheid, ziekenzorg, enz.) afgeleid naar de Belgische machtsgroepen. Vlaams respectievelijk Waals onafhankelijkheidstreven is dan ook vooral een strijd die gebaseerd zou moeten zijn op een antiliberalistische doctrine. Een antikapitalistische dus. De vroegere linkse Waalse separatisten hadden trouwens dit uitgangspunt. Voor mij is de bevrijding uit de eenheidstaat een bevrijding uit het machtsmonopolie van de huidige sociaal-economische machtsgroep. De Belgische machtsinstrumenten zijn voor het grootste deel al door de Belgische elite verkwanseld aan de Europese staatsmoloch. Dus moet regionale onafhankelijkheid gepaard gaan met een uitstapscenario uit de Eurocratie. Die Eurocratie is een product van de Europese tak van de conglomeraten en kapitaalmonopolies. Links gelooft in een wereldomvattende, proletarische revolutie, daarom ondersteunt het ook de globalisering. Rosa Luxemburg zei: “De uitbreiding van de economische ruimte is belangrijker dan nationale onafhankelijkheid en het louter bestaan van staten”. Zij was een echte globaliste, maar zij was vooral een communiste. Ik, daarentegen, steun voor een nationale revolutie op het volk. Ik vind dat een welbepaalde klasse niet de plaats kan innemen van het volk, omdat volkeren – en niet een specifieke klasse – in staat zullen zijn om een verdere globalisering tegen te houden. Daarmee kom ik tot mijn 2de punt.

 

2. Deze globalisering tast de autonomie van volkeren aan. Het is trouwens een globalisering die diepgaand is. De huidige globaliseringsgolf is niet alleen een economisch gegeven, het is ook een ideologische, revolutionaire doctrine. Het is een messianistisch verhaal dat dient om het ultraliberalisme als dominante levensfilosofie te vestigen over de gehele wereld. Het is in feite de mechanistische versie van de marxistische doctrine die een wereldstaat beoogt waar de voorhoede (de kapitalisten) alle tegenstellingen wegwerken en waar nodig onderdrukken. Het China van vandaag is een perfect voorbeeld. Het verenigt messianisme met het wildste kapitalisme. Het parool van de Chinese KP luidt nu: “Het is goed om rijk te zijn”. De pleidooien van de economische machtsgroepen om belangenconflicten via internationale instellingen te laten oplossen (internationale instellingen zoals de Wereldbank, de VN en andere) zijn antinationale instrumenten. Het zijn machtsinstrumenten die de supranationale doelstelling van de conglomeraten moet dienen. Alleen grote landen zoals de VS en straks China kunnen nog een nationale agenda voeren. Het wereldkapitaal en de grootste bedrijven zijn nu supranationaal. Ze staan buiten en boven nationale staten. Ze zijn volop bezig om dat nog verder te consolideren. Bij het afronden van deze golf van globalisering zullen ook de grote staten overgeleverd zijn aan de wereldconglomeraten. We zullen dan niet meer in termen van nationale economieën kunnen denken en staten zullen ook niet meer bij machte zijn om op een klassieke democratische manier invloed uit te oefenen op de economie. En hier maken partijen en groepen die zich rechts-nationalistisch noemen een enorme denkfout. Bij grote sociale conflicten gaan die partijen steevast het bestaande economisch systeem verdedigen en steunen zijn niet ten volle de krachten die dat systeem willen veranderen of zelf willen vernietigen. Dat denken is nog een overblijfsel uit de 20ste eeuw waar men inderdaad grote kapitaalgroepen en middengroepen had die men wilde verenigen met het volk en men daarom niet meeging in harde economische strijd van andere groepen, zoals arbeiders. Net omdat men juist voor een stuk de nationale economie als volkseigen zag. Dit is vandaag veel minder het geval. Nu is een afbraak van het economische systeem juist een voorwaarde en een opportuniteit om het volk te verenigen. Vermits de kapitaalgroepen staats- en volksvreemd zijn geworden en er dus geen alliantie met deze conglomeraten kan gesloten worden vanwege hun antinationale opstelling. In de verschillende landen, en zeker in Europa, willen de oligarchieën de arbeidskosten op elkaar afstemmen. Zij willen een naar beneden genivelleerde kostenstructuur doorvoeren. Daarom moeten de sociale verworvenheden afgebroken worden en moet er een arbeidsflexibiliteit aan de productiekrachten opgedrongen worden. Dat zal tot veel weerstand bij de lokale bevolkingen leiden. Het is ook een historisch moment om een derde weg aan te bieden. Het is mogelijk om in die strijd, een hernieuwd verbond te sluiten tussen alle getroffen volksgroepen, en zeker met de middenklasse. De verenigde volksmassa dus. Want zij allen zullen in de sociale klappen delen. De middenklasse en de kleine lokale kapitalist staan in de weg van de monopolies. Zij zullen vernietigd worden als ze geen nieuwe machtsbasis verwerven. Daarom is het nodig de volkssoevereiniteit terug op de agenda te plaatsen. Volkeren moeten als tegengewicht tegenover de oligarchie geplaatst worden. Volksidentiteit is het enige wapen tegen de uniforme werelddictatuur. En zo kom ik tot mijn 3de en laatste punt.

 

3. Om een volk aan elkaar te smeden is er een maximale homogeniteit van dat volk vereist. De kapitaalgroepen hebben ons echter opgezadeld met grote groepen vreemde arbeiders en consumptiegroepen. Deze ingevoerde productiekrachten destabiliseren niet alleen de werk- en arbeidsvoorwaarden van onze eigen mensen, ze zijn ook een destabiliserende factor in het verzet tegen de monopolies. Je zou kunnen stellen (zoals links dat doet) dat er een gemeenschappelijk front mogelijk is tussen allochtonen en autochtonen. De strijd tegen de uitbuitende monopolies zou een gemeenschappelijke strijd zijn en dus moeten de vreemdelingen als bondgenoten worden gezien. Die vreemdelingen zijn tenslotte ook slachtoffer van het systeem is de redenering. Deze redenering is echter een loutere materialistische redenering. Het zou de rampzalige gevolgen van de tomeloze kapitalistische immigratiepolitiek op de schouders van het volk leggen. De vreemdelingen zijn ingevoerd door het grootkapitaal, ze zijn dus een product van dat grootkapitaal en maken er een wezenlijk deel van uit. Zelfs de vreemdelingen uit de ex-kolonies zijn geen bondgenoten, want zij zijn een bijproduct van een vroegere globalisering: het kolonialisme. Je zou het zelf een afvalproduct van het kolonialisme kunnen noemen. Dit product willen we niet omdat het cultuur- en volksvernietigend werkt op termijn (alleen al door de nataliteit van die groepen). Dat wil niet zeggen dat er geen kleine groepen van cultureel verwanten zijn die met ons volk zouden kunnen samenwerken. Maar de grote groepen, die totaal vreemd zijn aan onze cultuur, kunnen niet als zodanig worden gezien. Stel dat je hen als bondgenoten neemt, dan zullen zij een politieke en maatschappelijke prijs vragen (machtsdeelname). Dit is onaanvaardbaar. Het zou de multiculturele maatschappij bevestigen. Het zou dus een overwinning van de supranationale ideologie zijn. Links heeft wel voor deze piste gekozen. Zij zijn dan ook voorstander van de interraciale maatschappij. Voor hen is het begrip klassenafkomst van belang en niet de raciale of culturele achtergrond van iemand. Links weet al sinds de jaren ‘70 dat de invoer van vreemd proletariaat druk zou zetten op de levensvoorwaarden van het eigen proletariaat en dat die druk zou leiden tot een machtstrijd die zij dan willen omturnen tot een leninistische revolutie. Links heeft dus bewust meegewerkt aan de algemene verarming van het eigen proletariaat ten voordele van hun links revolutionair project. Maar zij zouden wel eens de bal kunnen misslaan, zoals al zo dikwijls in de geschiedenis is gebeurd. Er komt geen Leninistische revolutie, maar integendeel een Islamitische. Om dat te voorkomen moeten we de vreemde bevolkingsgroepen een uitweg aanbieden. We moeten ze in afwachting van remigratie een vrijwillig systeem van gescheiden ontwikkeling laten organiseren. Wij moeten assimilatie bestrijden. Diversiteit moet begrepen worden als zichzelf organiserende groepen. Het logische gevolg daarvan is de vrijwillige gescheiden leefomgeving en de aparte leefpatronen. Er moet niet één unieke samenlevingsstructuur zijn, maar er moet gestreefd worden naar specifieke culturele identiteiten die zich niet vermengen. Een discussie over bv. het hoofddoekenverbod hoeft dan niet meer. De betrokken mensen zullen hun eigen substructuren hebben en hoeven zich niet meer aan de nationale staat te confirmeren. Ze hoeven niet meer in onze staatsstructuren aanwezig te zijn. De vrijheid van groep en individu wordt hier optimaal toegepast. Met in achtneming van het uitdovende karakter van deze toestand in het achterhoofd natuurlijk. Veel vreemdelingen, zeker moslims, zijn vragende partij voor het behoud van de eigen identiteit. Wij moeten die identiteit ondersteunen. Tegelijkertijd moeten we hechtere contacten leggen met de landen van oorsprong van die subgroepen. En via handelsrelaties en andere akkoorden moeten we een herintegratie in de thuislanden nastreven. Daarom is het niet verstandig om de culturele en geloofswaarden van die mensen aan te vallen in algemene termen. Het is niet aan ons om een bepaald geloof te gaan veroordelen. Het aanvallen van de geloofsovertuiging zal samenwerking met de thuislanden alleen maar bemoeilijken of zelf onmogelijk maken. Wij moeten dus ideologische verwanten zoeken bij de vreemdelingen die deze agenda willen ondersteunen. Of ze nu seculier zijn of religieus. Zo kan de zaak misschien vreedzaam aflopen. Anders zal het zijn zoals Enoch Powell al in de late jaren ‘60 heeft gezegd. Wat de immigratie betreft zei deze Engelse politicus: “Als ik vooruitkijk, ben ik met sombere voorgevoelens vervuld. Net als de Romein, lijk ik de rivier de Tiber te zien dampen van bloed”.

Posted in Uncategorized | Getagged: , , , , , , , , , | 2 Comments »

De wortels van het Solidarisme

Posted by drietand op 16 november, 2007

Inleiding

“Ik ben solidarist”. (Eerste minister Leo Tindemans, 13 december 1977, in de Kamer van volksvertegenwoordigers)

Aan het begin van de 21ste eeuw merken we meer en meer een diepgaande crisis in de Europese samenlevingen die overgeleverd worden aan een wild turbokapitalisme. Liberaliseringen, globalisering, herstructureringen, outsourcing, vrije handel, te hoge loonkosten, flexibiliteit,… Het zijn stuk voor stuk dogma’s waar de maatschappij dagelijks verder mee vergiftigd wordt tot iedereen concurrent is van iedereen, tot de happy few alle rijkdom in handen hebben ten koste van massale legers armen of werknemers die bij de minste tegenslag onder de armoedegrens tuimelen. Er is nochtans een andere weg, een alternatieve weg. Er is de weg van het solidarisme: de harmonie tussen het persoonlijke en het gemeenschappelijke.

Het solidarisme is gebaseerd op een respect voor alle levende wezens in een harmonieuze, organische inderdependentie. Dit omvat:
1. generationele solidariteit
2. streekgebonden en familiale solidariteit
3. solidariteit tussen gezonden en zieken
4. solidariteit tussen producenten en consumenten
5.solidariteit tussen werkgevers en werknemers
6. solidariteit tussen rijk en arm
7. solidariteit ten aanzien van het geheel van de biosfeer, de natuurlijke leefomgeving van het volk en de toekomstige generaties.

Solidarisme kan niet opgevat worden als een door het individu vrijwillig te aanvaarden of te kiezen houding. Dit zou in strijd zijn met de organische opvatting van de (volks-)gemeenschap en het weloverwogen evenwicht tussen individu en gemeenschap. Doel is een evenwicht tussen enerzijds de volledige ontplooiing en ontwikkeling van de individuele persoon en anderzijds de waarborg van welvaart en welzijn voor de ganse volksgemeenschap. De mens is van nature een sociaal wezen en de gemeenschap is een organisch geheel dat wortelt in die sociale natuur. In deze zin wordt het begrip solidarisme gebruikt. De delen van de kosmos moeten samenwerken en niet onderling strijden. Hierin ligt een welbegrepen interpretatie van sociaal-Darwinisme: samenwerking om tot betere resultaten te komen. De solidaire verbondenheid van mens en gemeenschap is de grondzuil van alle vormen van mens-zijn.

Adam Ferguson wees er in zijn ‘Essay on the History of Civil Society’ (1767) reeds op hoe door de differentiërende arbeidsverdeling een saamhorigheid of solidariteit tussen allen die met verschillende bekwaamheden en functies in het ene arbeidsproces betrokken zijn. De solidariteit als kernbegrip verwierf haar plaats in de sociologie door Emile Durkheim (1858-1917). Voorts is het solidariteitsbegrip schatplichtig in z’n ontwikkeling aan de socialistische theoreticus Pierre Leroux (1797-1871) die er een ethische betekenis aan meegaf. Daarnaast speelde ook de Franse economist Charles Gidé (1847-1932) een belangrijke rol omwille van zijn werk over de coöperatieve gedachte. In Frankrijk ontstond een solidaristische gemeenschapsleer, die tot aan de Eerste Wereldoorlog als het ware de mythe van de Derde Republiek is geweest, de voornaamste woordvoerder ervan was Léon Bourgeois.

Economie en gemeenschap

De feitelijke greep van grote ondernemingen op de nationale en internationale markt, de invloed van het binnenlands en het buitenlands grootkapitaal op de ontwikkeling van onze materiële welvaart valt nauwelijks te overschatten. De politieke wereld is machteloos en heeft zich sinds 30 jaar uitgeleverd aan de neoliberale ideologie en haar dogma’s. Financiële machtsconcentraties worden bevorderd of gesteund. Er is de bijna éénzijdige dienstbaarheid van de gemeenschap die het bedrijfsleven geld, infrastructuur en scholing ter beschikking stelt zonder voldoende waarborgen voor wederdiensten op lange termijn, enz… Het zijn allen aspecten van een scheef- en dooreengegroeide private economische macht en het algemeen welzijn. De staat krijgt enkel nog de taken toebedeeld die de vrije kapitalistische markt niet kan of niet wil op zich nemen, en wordt als een lastpost beschouwd. De gemeenschap wordt hier als dienstbaar gehouden aan private economische belangen. Het solidarisme stelt dat het net andersom moet zijn.

Onze materiële welvaart is uitgegroeid tot een allesoverheersende woekerplant die al het overige, het spirituele, al het menselijke dreigt te vernietigen. De voorrang van het materiële wordt daarenboven in de hand gewerkt door de feitelijke macht van kapitaal en industrie op de ontwikkeling van onze stoffelijke welvaart en zelfs op de samenstelling van ons cultuurpatroon. De staat en de politici in de liberaal-democratuur dienen in hun beleid de financiële noden van het grootkapitaal en houdt slechts in bijkomende mate (en steeds minder) rekening met sociale, culturele en ecologische waarden. Voor het solidarisme dient –vanuit een solidaristisch mensbeeld- steeds het spirituele en geestelijke voorrang te krijgen op het stoffelijke. De staat heeft als geheel van gezagsorganen een dienende rol ten aanzien van de enkeling wiens levensopgave het is zichzelf te verwezenlijken in een op de anderen gerichte solidariteit.

De rol van de staat

Welke rol speelt de staat in een solidaristische maatschappij? De staat is de ordende macht en heeft als taak het algemeen welzijn te bevorderen. Hieruit volgt logischerwijs dat de staat geen buit mag zijn die verdeeld wordt tussen machts- en belangengroepen. Om dit te verhinderen is een sterke staat nodig. Om het algemeen welzijn te bevorderen moet de staat rechtszekerheid bieden, orde en gerechtigheid doen heersen. De liberale minimale staat ( de “nachtwakersstaat”) schiet in z’n opdracht ernstig te kort omdat hij de zwakkeren en de armen in feite zonder bescherming overlevert aan de willekeur van de machtigen en de rijken. Het algemeen welzijn kan dan ook slechts bevorderd worden indien de staat over de mogelijkheden beschikt om de openbare zedelijkheid strak in de hand te houden en individuele ontsporingen krachtdadig kan bijsturen, en daarenboven een rechtvaardige verdeling van de aardse goederen nastreeft. Er is in een gemeenschap geen sprake van algemeen welzijn indien corruptie, geweld, ontucht, parasitisme, uitbuiting,… ongemoeid worden gelaten. In het begin van de 21ste eeuw zien we dat de staat en z’n macht uitgehold worden. Het recht van de sterkste neemt dan ook toe, net als de gevallen van corruptie, uitbuiting, geweld,…

De staat kan het algemeen welzijn niet bevorderen via rechtszekerheid en zedelijkheid indien er gelijktijdig geen rechtvaardige verdeling onder alle gemeenschapsleden gezorgd wordt van een zo groot mogelijke welvaart. Deze welvaart omvat veel: kennis en cultuur, openbare en particuliere gezondheid, materiële rijkdom. Materiële zorgen zijn overigens een beletsel voor deugd en cultuur. Daarom is het één van de belangrijkste taken van de overheid om het particulier initiatief op dit terrein nauwkeurig te volgen en in te grijpen telkens aan de vereisten van het algemeen welzijn in de reeds beschreven betekenis niet wordt voldaan.

De solidaristische sociale ethiek

Uitgangspunt van het solidarisme is de mens niet als een op zichzelf levend individu, geen enkeling die slechts onderdeel is van een groter geheeld, maar wel de mens als persoon die “ik” en “wij” tegelijk is en de taak heeft zichzelf te verwezenlijken in een leven dat gericht is op de vreugde en de noden van anderen. Het solidarisme tracht welvaart en échte vrijheid tot stand te brengen door een beroep te doen op de volledige mens. Daarin ligt precies de ethische waarde ervan.

Geen enkele maatschappij, en zeker niet deze van de 21ste eeuw, kan bestaan zonder een vorm van structuur en organisatie. Onderwerping aan een stel wetten en reglementen zijn noodzakelijk om een stabiel leven te kunnen leiden. Het dwingend karakter hiervan is een gevolg van de menselijke natuur die de neiging heeft het laken eerst en vooral naar zich toe te willen halen, eventueel ten koste van de rechten van anderen. Persoonlijke vrijheid wordt niet enkel begrensd door de vrijheid van anderen, ze wordt er ook door bedreigd. Een hoogontwikkelde maatschappij zoals waarin we nu leven kan niet bestaan zonder dit arsenaal aan wetten, reglementen, besluiten,… met een dwingend karakter en een Staat die ze afdwingbaar kan maken als instelling. Deze dwingende maatschappij is evenwel niet de enige oorzaak van ongenoegen, verbittering en verzet. Veel meer leed en ellende werd veroorzaakt door ideologieën die de bevolking verleidden met onrealistische of verouderde theorieën. De twee meest karakteristieke voorbeelden zijn het marxistisch collectivisme en het liberaal kapitalisme.

Marxistische regimes steunen op de tanks en bajonetten terwijl kapitalistische regimes vooral steunen op een niet licht te doorbreken traditie van de gevestigde orde (die altijd een min of meer structureel geweld inhoudt) waardoor een minderheid de gang van zaken blijft bepalen, desnoods tegen de wil in van de meerderheid. De voornaamste gelijkenis tussen het marxistische communisme en het liberale kapitalisme is de vervreemding waartoe ze burgers brengen. In het liberaal-kapitalisme vervreemdt de burger van zijn werk, hij werkt niet meer voor zichzelf noch voor de zijnen, noch voor z’n volk. Hij werkt in de eerste plaats voor het systeem en de kapitaalbezitters. Door de hiërarchische opvattingen en structuren ontstaat een apathie, hij draagt weinig verantwoordelijkheid –het wordt hem geweigerd- en uiteindelijk stelt hij er ook geen belang meer in.

Het liberaal-kapitalisme voldoet niet meer aan de sociaal-ethische eisen die aan een hoogontwikkelde maatschappij in de 21ste eeuw kunnen en moeten gesteld worden. De individualistische maatschappijopvatting die eraan ten gronde ligt moeten we afwijzen als verouderd en ethisch verwerpelijk. Het filosofisch individualisme ontkent het werkelijke bestaan en de innerlijke samenhang van de gemeenschap. De maatschappij zou dan een slechts de som zijn van enkelingen die samenwerken op grond van nuttigheidsoverwegingen. Zelfs los van ethisch-filosofische overwegingen moet men vaststellen dat het individualisme niet heeft geleid tot een evenwichtige maatschappij waarin iedereen ten volle meetelt. Zonder de correcties die de arbeidersbeweging heeft aangebracht aan het kapitalisme, zou het resultaat enkel maar een junglemaatschappij zijn geweest waar het recht van de sterkste geldt. In de praktijk zou dit betekenen dat een minderheid profiteert van de inspanningen en het leed van een meerderheid.

Op sociaal-ethische gronden moeten we de liberaal-kapitalistische weg volledig afwijzen als onbruikbaar om een rechtvaardige maatschappij tot stand te brengen. Gelijke rechten en gelijke kansen tot ontwikkeling van ieders persoonlijke mogelijkheden zijn onbestaande, evenals de gelijke toegang tot welvaart en cultuur. De 19de eeuw betekende de opkomst van het moderne industriële kapitalisme en het onstaan van de marxistische tegenreactie. De 20ste eeuw heeft het marxisme de doodsteek bezorgd en heeft via sociaal-democratische weg correcties trachten aan te brengen in het kapitalistisch systeem. Deze komen meer en meer onder druk te staan in het begin van de 21ste eeuw. Het neocorporatistisch model dat na de Tweede Wereldoorlog in West-Europa ontstond, heeft nooit kunnen verhelpen dat de sociale politiek enkel op overwegingen van eigenbelang steunde. Men verleende tegemoetkomingen om de arbeiders uit de handen van de marxisten te houden. De samenwerking en het overleg was steeds duidelijk een dienst aan het wederzijds eigenbelang want steeds bleef men dezelfde vijandige broers. Het spreekt vanzelf dat dit evenmin overeenkomt met het begrip solidariteit in z’n solidaristische betekenis.

De solidariteitsgedachte is zowel in het liberaal-kapitalisme als in het marxisme een karikatuur gebleken: gegrondvest op een louter utilitaristische basis ten bate van het individu in de eerste en de ondergeschiktheid aan een verstikkend collectivisme in de tweede, kon en kan geen echte wisselwerking ontstaan tussen persoon, gemeenschap en maatschappij en kan derhalve geen ethische gemeenschap groeien. Beide stelsels voegen bij het keurslijf van een dwingende maatschappij de dwang van een niet-menselijke ideologie. Van werkelijke sociale ethiek is hier dan ook geen sprake. De solidaristische ethiek daarentegen betekent dat iedereen de gelegenheid krijgt zichzelf te verwezenlijken om als persoon tot maximale ontplooiing te komen. Hiertoe is het subsidiariteistbeginsel noodzakelijk. Het solidarisme is gebaseerd op een ethisch gemeenschapsstreven, dat niet op eigen voordeel uit is, maar ontstaat uit bezorgdheid om het welzijn van de anderen in het kader van het algemeen belang.

Wat betekent dit algemeen belang? Het gaat hier in de eerste plaats om een algemeen welzijn, die dus ruimer is dan de materiële welvaart. Het is een samenspel van materiële, culturele en ethische waarden, die door wederzijdse hulp van allen tot stand moet komen en die de persoonlijke vervolmaking van iedereen moeglijk moeten maken, waarbij individuele personen niet als geïsoleerde wezens maar wel als eng verbonden met de volksgemeenschap beschouwd dienen te worden. Dit moet uitmonden in een ethisch gemeenschapsgevoel, dat zal ontstaan wanneer iedereen zichzelf als persoon wil verwezenlijken in een leven voor de anderen. Dat een sterke staat hierbij ontsporingen vanwege de menselijke natuur bij individuen moet kunnen bijsturen is evident. Het hogere heeft evenwel steeds een aanvullende rol ten overstaan van het hiërarchisch ondergeschikte. Wat een persoon tot stand kan brengen, hoeft de gemeenschap niet in zijn plaats te doen.

Solidarisme en het katholiek sociaal gedachtengoed

We zullen ons hier beperken tot een toelichting over Heinrich Pesch en de encyclieken Rerum Novarum (1891), Quadragesima Anno (1931), de encyclieken Mater et Magistra (1961) en Populorum Progressio (1967) zijn van minder belang. De twee eerst genoemde zijn belangrijk geweest voor de ontwikkeling van het katholiek sociaal denken en voor de katholieke arbeidersbeweging. Ook priester Daens deed bijvoorbeeld beroep op Rerum Novarum. Het solidarisme tussen de twee wereldoorlogen was christelijk geïnspireerd. Het christelijke solidarisme start in 1854 met de sociale theorie die ontwikkeld werd door de jezuïet Heinrich Pesch, weergegeven in zijn werk ‘Liberalismus, Sozialismus und christliche Gesellschaftsordnung’ (Freiburg, 1896-1899,2dl). Z’n belangrijkste werk was ‘Lehrbuch der Nationalökonomie’ (Freiburg, 1905-1923, 5dl). Daarin brengt hij een afgeronde economische theorie, gebaseerd op een thomistische wijsbegeerte. Hij overleed in 1926 te Valkenburg, de nationaal-socialisten vernietigden zijn graf en z’n bibliotheek / archief. Hij had een zeer grote invloed op de pauselijke verklaringen omtrent de sociale kwesties alsook op de praktische programma’s van de West-Europese christen-democratie. Het werk van pesch werd voortgezet door de jezuïet Gustav Gundlach, die in hoog aanzien stond bij paus Pius XII en diens radiotoespraken mee beïnvloedde.

Pesch lag aan de basis van wat we een solidaristische school kunnen noemen die een sterke invloed had op de ontwikkeling van de kerkelijke sociale leer. In Duitsland behoorden tot de school oa: Oswald von Nell-Breuning, Gustav Gundlach, Wilhelm Schwer, Theodor Brauer, Goetz Briefs, Mgr. Joseph van der Velden, Paul Jostock,… In Vlaanderen was er een belangrijke invloed van het denken van Pesch te merken. Op de ACV-congressen in de jaren ’20 en ’30 werd meermaals naar Pesch verwezen alsook naar het Quadragesimo Anno, hoewel men aan katholieke zijde niet snel geneigd was het solidarisme te koppelen aan het corporatisme. Aan Vlaams-nationalistische zijde daarentegen werd het solidarisme wel gekoppeld aan corporatisme alhoewel klemtonen konden verschillen naargelang personen en organisaties. Het Verdinaso noemde zich uitdrukkelijk nationaal-solidaristisch, het VNV sprak van organisch-solidarisme en soms ook nationaal-solidarisme. Daarnaast verdedigden tal van bladen solidaristische visies en standpunten, waaronder het weekblad ‘Jong Dietsland’ met oa Victor Leemans, Odiel Spruytte, Ernest van der Hallen en het magazine ‘Dietbrand’ van Wies Moens.

De gelijkstelling solidarisme – corporatisme – fascisme zou na de Tweede Wereldoorlog een belangrijke hindernis zijn voor een heropleving van de solidaristische visie. Maar het gebeurde toch. In 1947 richtten Herman Todts en Frans van Mechelen (later BGJG-voorzitter) de Solidaristische Beweging op met als blad ‘Branding’, waaraan Manu Ruys meewerkte. In de allereerste Volksunie was er een stevige solidaristische inslag via mensen als Jules de Clercq, Wim Jorissen en Herman Todts. In 1967 stichtte het latere VU-parlementslid Joos Somers de Actiegroepen voor Democratisch Solidarisme, met als orgaan ‘De Nieuwe Weg’. Voorts bleven oud-Dinaso’s actief en als enigen bleven zij na 1945 vasthouden aan de corporatistische verbinding, bijvoorbeeld in de kring rond Maarten van Nierop die sinds 1969 het blad ‘Vrij Dietsland’ uitgaf, drie jaar later vervangen door ‘Speerpunt’. In 1970 had van Nierop de Dietse Solidaristische Beweging gesticht en korte tijd later ook het Verbond van Solidaristische Militanten.

De leer over privé-eigendom ontstond in de negentiende eeuw die werd gekenmerkt door zowel proletarische ellende als kapitalistische verwording. De katholieke kerk trachtte deze te overwinnen vanuit motieven als zielszorg, zelfbehoud en verantwoordelijkheidsbesef. In Rerum Novarum wordt door paus Leo XIII een pleidooi gevoerd voor een rechtvaardig arbeidersloon en wordt het eigendomsrecht verdedigd. Privé-eigendom is een natuurrecht, en wel om de volgende vier redenen: ten eerste omwille van de redelijke natuur van de mens (waardoor denken aan de toekomst mogelijk is), ten tweede door het recht op de vruchten van zijn arbeid, ten derde wordt verwezen naar het feit dat alle volkeren dit recht kennen en tenslotte is het voor het gezinshoofd belangrijk om zijn familie te kunnen voeden en om zijn kinderen iets te kunnen nalaten.

In het Quadragesimo Anno van paus Pius XI komen twee stellingen terug die betrekking hebben op de eigendomsleer.
* Over het dubbel karakter van het eigendomsrecht: deze is verschillend naar gelang het gaat om individuele belangen (het recht verbonden aan het zorgen voor zichzelf en het gezin) dan wel het algemeen belang (met betrekking tot de goederen die “door de Schepper” voor de gehele mensheid zijn bestemd).
* Over de bevoegdheid van de overheid inzake het particulier eigendom: in het kader van het privé-eigendom moet dus rekening gewonden met het eigen en het algemeen belang. Het is de staat die bevoegd is om in te grijpen om dit algemeen belang te garanderen alsook om te omschrijven wat de verplichtingen zijn t.a.v. het algemeen belang. De staat mag echter niet willekeurig te werk gaan en zijn bevoegdheid wordt beperkt door de natuurlijke rechten op privé-eigendom.

Verlossing uit het proletariaat

De katholieke sociale gedachte heeft in de slagzin ‘verlossing uit het proletariaat’ duidelijk weten te maken dat het haar niet ontbreekt aan menselijke bewogenheid en sociaal pathos. Na 1891 veranderde er veel, zowel in de structuur van de westerse maatschappij als in de positie van het proletariaat. Deze ontwikkeling werkte door in de katholieke leer.In de tijd dat Quadragesimo Anno verscheen (1931), werd de situatie van het proletariaat door het volgende gekenmerkt:

à Objectieve kenmerken:
* De bezitsloosheid en het geringe inkomen waardoor de arbeider gedwongen werd om op de arbeidsmarkt per contract zijn arbeidskracht te verkopen, wat hem in een situatie van aanhoudende dreiging van bestaansonzekerheid dwingt.
* De afhankelijkheid van de arbeider als gevolg van de bezitsloosheid en de positie op de arbeidsmarkt, zowel met betrekking tot aanneming en ontslag alsook binnen het bedrijf in verband met arbeidsdeling, mechanisatie en rationalisatie.

Quadragesimo Anno ziet een aantal mogelijke oplossingen voor deze problemen:
* Bestaanszekerheid door aandeel in het bezit. De arbeider moet een eigen huis, een spaarbankboekje en een aandeel in de bedrijfswinst met op termijn aandeelhoudersrechten hebben, om zijn gezin te kunnen onderhouden en zijn kinderen iets te kunnen nalaten.
* Bestrijding van de armoede door werkloosheid via verschaffen van werkgelegenheid.
* Ontwikkeling van het arbeidsrecht om zekerheid te verschaffen met een arbeidscontract (op collectieve basis).
* Medezeggenschap in de bedrijven (dit als praktische eis en principiële beschouwingswijze: arbeid niet als doel maar als middel in de eeuwige bestemming).
* Uitbouw van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie.

à Subjectieve kenmerken:
* Het proletarische ressentiment: wrok tegenover zijn maatschappelijke situatie van afhankelijkheid, bestaansonzekerheid en onmondigheid, tegenover het als minderwaardig beschouwd worden alsook tegenover het als nummer behandeld worden.
* Het bewustzijn van de arbeiders: de wrok omgezet in een strijdbare wil om de eigen situatie en de maatschappij waar zij een gevolg van was te veranderen (de christelijke sociale leer moet deze strijdbaarheid leiding geven).

Hier ziet het Quadragesimo Anno de oplossing in sociaal-pedagogische en culturele arbeid: de arbeider moet deel krijgen aan de cultuur.

N.b. het uitgangspunt dat geldt voor alle sociale, politieke en culturele problemen is vanuit godsdienstig gezichtspunt: de mens is een schepsel Gods, dus tot persoonlijk leven geschapen. Zijn bestemming ligt in de bovennatuur (de hemelse zaligheid) en heel het aardse natuurlijke leven wordt geleid door die bovennatuur.

Het solidarisme heeft in het kader van de katholieke sociale leer een metafysisch-religieuze oorsprong en achtergrond. In dit kader wordt gesproken van een solidaristische wereldbeschouwing, in die zin dat het niet zozeer op subjectieve gevoelens berust, maar een objectief stelsel wil zijn dat niet alleen voor katholieke maar voor alle mensen met gezond verstand aanvaardbaar wordt geacht. In de encyclieken wordt niet zozeer over solidarisme gesproken, maar wel over de verhouding tussen kapitaal en arbeid.

Volgens paus Leo XIII (Rerum Novarum) komt de rijkdom der staten uit niets anders voort dan uit de werkzaamheid der arbeiders. De voorwaarden voor alle goederenproduktie zijn de natuur met haar schatten en het natuurrecht van het privé-eigendom. Hieruit zou kunnen volgen dat arbeidsloos inkomen (rentenieren) moreel veroordeeld moet worden, maar dit vindt de paus niet. Integendeel, de arbeidsprestatie van de een en het kapitaal van de ander moeten samenwerken. Deze samenwerking moet onder de norm der sociale rechtvaardigheid verlopen, en niet alleen tussen individuen plaatsvinden maar vooral tussen sociale groepen. Dit houdt dus niet zozeer een afwijzing van het kapitalistische stelsel in, maar wel een afwijzing van zijn uitwassen. Uit het aansporen tot samenwerking tussen kapitaal en arbeid volgt ook een expliciete afwijzing van de klassenstrijd.

De verhouding solidarisme – corporatisme

De ervaring heeft geleerd dat zowel voor- als tegenstanders nood hebben aan enige klaarheid omtrent de verhouding solidarisme – corporatisme. Het corporatisme is een bijzondere vorm van het subsidiarisme, maar het is er niet de enige vorm van. Solidarisme veronderstelt geenszins dus automatisch ook corporatisme. Men kan het subsidiariteitsbeginsel ook onder andere vormen ten uitvoer brengen. Zie hierover: Georg Wildmann, ‘Personalismus, Solidarismus und Gesellschaft’, p.127 alsook Anton Rauscher, ‘Subsidiaritätsprinzip und berufsständische Ordnung’, p.139 Quadragessimo Anno sprak zich uitdrukkelijk uit pro corporatisme. Ook Pesch maakte die verbinding, maar dat is zeker niet noodzakelijk om van solidarisme te kunnen spreken.

Corporatieve ordening

Quadragesimo Anno stelt dat het principe van corporatieve ordening moet worden uitgewerkt in een maatschappelijke organisatie die de klassenstrijd uitschakelt. De corporaties worden bedoeld als bedrijfs- en beroepsgroepen, waarbij mensen niet ingedeeld worden volgens de plaats die zij op de arbeidsmarkt innemen, maar volgens de verschillende functies die ze verrichten. Een corporatie is een gemeenschap: een organisatie op basis van onderlinge verbondenheid of gemeenschapsgevoel en de leden behoren het belang van de gehele bedrijfstak voor ogen te houden. (Aanvankelijk was er onder de katholieken een vrij sterke stroming die deze corporatieve ordening niet alleen op het economisch leven maar ook op het politieke leven wou toepassen.)

Daarnaast hangt de katholieke kerk ook het beginsel der subsidiariteit aan: datgene wat door lagere gemeenschappen van ondergeschikte rang kan worden verricht moet aan hun worden toegekend; het staatsgezag moet datgene op zich nemen wat deze kleineren niet kunnen en de staat waakt in het algemeen belang voor ontoelaatbare grensoverschrijding van de lagere gemeenschappen.

In Mater et Magistra wordt ook aandacht geschonken aan de socialisering van het privé-eigendom: privé-eigendom als aspect van persoonlijke ontplooiing maar ook als aspect van een goed geordende samenleving. Daarnaast moet er in het kader van het eisen van een rechtvaardig loon aandacht worden geschonken aan betaling naar behoefte en prestatie maar ook aan de nationale economie. Nieuw in deze encycliek is vooral dat er wordt ingegaan op vraagstukken m.b.t. de verhouding tussen productiesectoren (denk aan het afnemend belang van de landbouw) en de problemen van de ontwikkelingslanden. In deze encycliek wordt ook staatstussenkomst met sociale en economische zaken verdedigd alsook wordt er met nadruk gepleit voor een samenwerking op velerlei gebied tussen katholieken en niet-katholieken.

Eigendom

De solidaristische visie op eigendom vindt haar oorsprong in de visie op de totale mens en het natuurrecht. Ook hier geldt dat de mens als levenstaak heeft zichzelf te verwezenlijken in een bestaan dat gericht is op de noden van anderen. Het solidarisme verdedigt dan ook zeer duidelijk het recht op private eigendom voor zowel verbruiksgoederen als productiegoederen. Dit recht op privaat bezit stamt uit het natuurrecht. Elke mens is gerechtigd om aardse goederen in volle persoonlijke eigendom te verwerven. Welke concrete vormen dit eigendomsrecht in de praktijk aanneemt, is van secundair belang. Van wezenlijk belang is, dat het persoonlijk recht om eigendom te verwerven en te behouden onaantastbaar is. Het eigendomsrecht bevat naast het recht op verbruiksgoederen dus ook het recht om productiegoederen in eigen bezit te hebben. Dit draagt bij aan de waarborg van recht op bestaanszekerheid alsook het recht op arbeid.

Recht op private eigendom is evenwel geen absoluut of onbelast recht. Vanuit solidaristisch oogpunt bestaat er immers geen absoluut en plichten-vrij eigendomsrecht. Bezit is nooit en nergens het hoogste doel van de mens. Niet enkel is eigendom geen doel op zichzelf, het mag ook geen middel zijn tot uitsluitend persoonlijke voldoening. Heinrich Pesch verwoordde private eigendom als volgt: “(…)in wezen een middel om op geordende wijze en in dienst van het individueel, het familiaal en het nationaal welzijn, het bestaan van de mensen veilig te stellen.” Dit stelt dus grenzen aan het verwerven en gebruiken van eigendom. Rechten en plichten maken hier een onscheidbaar geheel. De solidariteitsgedachte leert dat niemand eigendom uitsluitend voor zichzelf kan hebben, vooral niet wanneer hij over meer beschikt dan strikt gesproken noodzakelijk is voor hemzelf en de zijnen. Zoals iedereen tot plicht heeft zichzelf en zijn talenten ten dienste van anderen te stellen, zo ook rust op iedereen de sociale plicht om zijn bezit zoveel mogelijk als gemeenschapsgoed te beschouwen. Zodoende zal bezit niet verworden tot macht over anderen, maar strekken tot hulp en bijstand, tot aanvulling van wat anderen niet hebben. Eigendom is dienst! Dienst aan elke mens afzonderlijk, dienst aan de gemeenschap in haar geheel.

De bedrijfsgemeenschap

Werknemers staan ongeveer de helft van hun bewust-beleefde uren af aan hun werkgever. De avonduren, weekends (of vervangdagen) hebben ze voor zichzelf. Voor de rest zijn ze werknemer waarbij hij/zij in afhankelijkheid leeft van derden. Uiteraard beschermd door allerlei wetten en reglementen, maar nog steeds in afhankelijkheid. Werkgevers kopen tegen een bepaald bedrag per uur / maand de lichamelijke en/of intellectuele bekwaamheden van hun personeel. Het arbeidscontract is dan ook in wezen een koopcontract. De mens staat NIET in het contract, aan de ene kant staat de koper en aan de andere kant de dagloner, poetsvrouw, leraar, ingenieur, metselaar, chauffeur,… Dit soort arbeidscontract wordt vanuit een solidaristische opvatting over de mens als persoon onvoorwaardelijk verworpen!

De beginselen waarop hedendaagse arbeidscontracten steunen, stammen uit het verleden, uit de vorige eeuw. Het verkeerde eraan is dat men menselijke arbeid rangschikt onder de louter economische objecten die bijgevolg onderwerp kunnen zijn van louter koop- of huurcontracten. Dergelijke contracten bestaan uit een partij die het kapitaal aanbrengt en een andere partij die handen- en/of geestesarbeid aanbrengt. Het tot stand komen van deze transacties zijn gebaseerd op vraag en aanbod, de kopende partij tracht dan ook de laagst mogelijke prijs te bekomen waartegen het goed op de markt te verkrijgen is. De werkgever wordt steeds beschouwd als de koper of huurder en hij bepaalt dus wat hij wil hebben en geven. De partijen zijn in realiteit dus niet gelijk. Voorts wordt die ongelijkheid nog versterkt door het economisch overwicht van de werkgever. Doorheen de decennia in de 20ste eeuw werd voor de werknemers heel wat ten gunste gewijzigd, maar de grondhouding is nog steeds dezelfde zoals eerder geschetst. En net die grondhouding is vanuit solidaristische oogpunt verwerpelijk. Hierin is het solidarisme zondermeer revolutionair.

Er dient te worden uitgegaan van de volledige mens, de unieke vervlechting van geest en stof, van ik-gerichtheid en wij-gerichtheid. “Zijn” en “handelen” zijn in elke menselijke activiteit onafscheidelijk! Menselijke arbeid is nooit los te maken van de menselijke persoon en blijft daarom steeds delen in de waardigheid die aan de menselijke persoon eigen is. Menselijke arbeid kan nooit koopwaar zijn omdat hij als onafscheidelijk verbonden met de menselijke persoon steeds van hogere orde blijft! Het arbeidscontract dient dan ook een contract te zijn met een heel eigen karakter, op menselijk niveau en niet louter uit de economische sfeer. Het resultaat van deze moet het samengaan en samenwerken zijn van gelijkwaardige partners in het bedrijf, dat zodoende een werkelijke “bedrijfsgemeenschap” zal kunnen zijn. De solidaristische bedrijfsgemeenschap is onverenigbaar met de “dienstverhuring” van werknemer tegenover werkgever. Deze dienstverhuring belet immers dat een bedrijf wordt wat het zou moeten zijn: een menselijke gemeenschap waarin de arbeid bijdraagt én tot de verrijking van iedere persoonlijkheid én tot de bloei van de hele onderneming als onderdeel van de volksnationale economie. Dit betekent geenszins dat iedereen in een onderneming elkaars gelijken zouden zijn, het is en blijft een organisatie en dus is een hiërarchische structuur nodig om efficiënt te kunnen werken.

De bestaande ondernemingsstructuur wordt niet enkel verworpen omwille van het solidaristisch mensbeeld maar ook vanwege de solidaristische visie op eigendom. Eigendom is zoals eerder gesteld geen absoluut en onbelast recht. Niemand kan eigendom uitsluitend voor zichzelf hebben. Wat men is, is men immers ook voor de anderen. Wat men kan, kan men ook voor de anderen. Wat men heeft, heeft men ook voor de anderen. Op iedereen rust de sociale plicht zijn bezit, waar mogelijk, als gemeenschapsgoed te aanzien. Deze plicht geldt ook voor de eigenaars van de ondernemingen. Zij moeten hun eigendommen zodanig aanwenden dat dat de algemene welvaart van de volksgemeenschap, én bovendien hun eigendommen zodanig beheren dat de persoonlijkheid van de werknemers er tot ontplooiing in kan komen. En dat kan enkel als arbeid en kapitaal beschouwd worden als de gezamenlijke inbreng in iets –het bedrijf- dat dus ook gezamenlijk dient beheerd en uitgebouwd te worden! Eigendom en kapitaal-bezit is geen rechtvaardigingsgrond voor macht over anderen, er is geen enkele grond aanwezig om te stellen dat kapitaal macht zou geven over wie slechts z’n arbeid inbrengt. Rijkdom verwerven op basis van andermans inspanningen heeft nooit een rechtvaardigingsgrond. Deze visie brent evenwel op geen enkel moment in het gedrang dat een rechtvaardige vergoeding voor genomen risico’s nodig is.

Economische planning: een noodzaak!

We leven in een vanuit industrieel en commercieel oogpunt hoogontwikkelde maatschappij. De materiële kanten van onze welvaart overwoekeren de geestelijke inhoud ervan. De materiële welvaart is uitgegroeid tot een alles overheersende woekerplant die al het overige, al het geestelijke en menselijke dreigt te verstikken. De voorrang van het materiële wordt versterkt door de macht van kapitaal en industrie op de ontwikkeling van onze stoffelijke welvaart en zelfs de samenstelling van ons cultuurpatroon. De hedendaagse overheid richt haar beleid in de liberale maatschappij dan ook op de financiële noden van het grootkapitaal en houdt slechts in bijkomende en beperkte mate rekening met sociale en culturele waarden. Dit is in absolute tegenspraak met de solidaristische visie die een voorrang wil zien van het geestelijke en het menselijke op het stoffelijke en het bijkomstige. De wildgroei van de roofdierkapitalistische economie buiten de controle van de overheid moet dan ook vervangen worden door een gepland economisch beleid als onderdeel van het algemeen politiek beleid van de gemeenschap in de haar toegeëigende organen.

De vraag is dan: welke planeconomie willen we? We verwerpen de kapitalistische uitbuitingseconomie maar evenzeer de centraal-geleide planeconomie naar marxistisch model. De planning moet aan een aantal voorwaarden voldoen:

1. Het plan moet imperatief zijn, d.w.z. bindend voor alle personen, ondernemingen, overheidsinstellingen,… die erbij betrokken zijn.
2. De vastgelegde opties en beleidskeuzes in het plan moeten het weten en willen weerspiegelen van minstens een meerderheid van alle betrokkenen. De besluitvorming moet gebeuren via inspraak en raadpleging van iedereen die nadien betrokken is bij de uitvoering van de genomen beslissingen of er de gevolgen van zal ondergaan.
3. De keuzes en opties in het plan mogen niet in tegenspraak zijn met andere, meer fundamentele beginselen van het solidarisme en de gemeenschapsopbouw: geen bedreiging van de privé-eigendom, eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel.
4. Een planning moet steeds het algemeen belang dienen. Meer welvaart vandaag en morgen voor iedereen. De overheid moet het evenwicht tussen de pressie- en belangengroepen garanderen.

In dezelfde geest moeten we benadrukken dat het aan de gemeenschap toekomt om de elementaire nutsvoorzieningen te verschaffen aan de bevolking. Het kan geenszins de bedoeling zijn om private winst na te streven op de gas- en electricteitsvoorziening, op de drinkwaterverdeling,… Nationalisatie van deze bedrijven dringt zich dan ook op. De staat moet hier via een verstandig beleid een financiële break-even situatie nastreven waarbij de dienstlevering aan de bevolking steeds op de eerste plaats komt. Het is ondertussen voldoende gebleken dat liberalisering en “ont-staatsen” van de nutssectoren geenszins leidt tot betere en goedkopere dienstverlening, wel integendeel.

Leon Bourgeois

“(…) la notion d’un devoir à observer par tout homme vis-à-vis de ses semblables”.

Eén van de belangrijkste theoretici van het solidarisme was ongetwijfeld de Franse politicus, vrijmetselaar en nobelprijswinnaar Leon Bourgeois. In 1896 publiceerde hij een reeks artikels in ‘La Nouvelle Revue’ die hij nadien bundelde in zijn werk ‘La Solidarité’. Hij volmaakte dit werk in 1902-1903 met ‘Esquisse d’une philosophie de la solidarité’ en ‘Applications sociales de la solidarité’ (een oeuvre van debatverslagen aan de School voor Hogere Sociale Studies). Deze drie werken vormen de basis van zijn visie op solidarisme. Bourgeois ging ervan uit dat er onvermijdelijke en noodzakelijke solidariteiten bestaan als gevolg van de arbeidsdeling, erfelijkheid, geschiedenis, wat ertoe leidt dat iedereen afhankelijk is van anderen zowel in het verleden als in het heden en meer in het algemeen van de maatschappij die ze vormen. Hij zei daarover: “L’homme ne devient pas seulement au cours de sa vie débiteur de ses contemporains ; dès sa naissance, il est un obligé. L’homme naît débiteur de l’association humaine.” Dit idee van de “sociale schuld” maakte de hoeksteen uit van zijn solidarisme. Bijgevolg moesten op sociaal vlak allerlei initiatieven dit idee van de “sociale schuld” weerspiegelen, oa via gratis onderwijs in alle graden en niveaus omdat kennis een collectief geod is waar iedereen toegang tot verdient, voorts een bestaansminimum voor iedereen en een bescherming tegen risisco’s in het leven op basis van werderkerigheid. Voor Bourgeois werd dit alles in een gelaïciseerde moraal geplaatst die de vrijheid voor alle personen moest garanderen die de nationale gemeenschap vormden.

Het denken van Bourgeois, en dus ook zijn visie op solidarisme, was uitdrukkelijk rationalistisch, positivistisch, wetenschappelijk getint en kadert eveneens in de rijke Franse socialistische traditie waar het marxisme niet steeds zondermeer aanvaard werd. Leon Bourgeois schreef : “Le bonheur, le mieux-être ne seront pas réalisés par les lois mais par la science, c’est d’elle qu’il faut attendre et espérer l’accroissement du bonheur ; C’est elle la grande révolutionnaire dont la marche est si ardue et si rapide que l’utopie d’aujourd’hui sera la réalité de demain.” Voor hem was de sociale kwestie een mogelijk onderwerp voor wetenschap, zonder er het denken en de Wil van een persoon te willen ontkennen of onderschatten. Bourgeois vond het individualisme voorbijgestreefd en nefast. Tegenover de leer van Rousseau (contrat social) stelt Bourgeois een organische visie, de “achteraf gesloten overeenkomst” tussen de mensen, daar waar ze spontaan met elkaar in relatie treden of samenwerken, zonder dat vooraf de “voorwaarden” werden overeengekomen. Die “voorwaarden” zijn immers in cultuur en gebruiken impliciet aanwezige afspraken.

Ondanks de biologische structuur van de maatschappij, speelt de Wil een fundamentele en essentiële rol. Zo ontstaat er een wisselwerking tussen de mens en zijn milieu waarbij de ene de andere limiteert. Bourgeois verklaart: “j’ai dit et répété assez souvent que je ne prétends point niveler les conditions. Je me borne à réclamer la suppression de l’inégalité et de l’injustice d’autant qu’elles sont l’œuvre des hommes eux-mêmes. Les inégalités fatales de la nature suffiront toujours à rendre impossible le nivellement que certains redoutent” (Essai p.92). In een ander werk stelt hij: “Il est vrai de dire que les lois morales qui s’imposent à l’individu ne peuvent être recherchées en dehors des conditions générales de la vie en société. Elles ne peuvent se découvrir par l’étude de la personne humaine considérée dans son isolement physique, mais dans la réalité de ses rapports avec son milieu, son temps, la race d’où elle sort et la postérité qui sortira d’elle..”. (Solidarité p.83). De opdracht van de mens en zijn Wil ligt hierin, bij te sturen wat bestaat. “Le propre de l’homme, c’est non pas de se révolter contre les lois de la nature mais de s’en servir, de les plier à son usage, de choisir parmi les moyens ceux qui le mèneront à ces fins. Il asservit les lois, la nature et par-là conquiert sa propre liberté… ” schreef Bourgeois (Essai p. 10). Kortom, de kennis van het determinisme is het fundament van de persoonlijke vrijheid en zijn handelingsmogelijkheden. Vrijheid betekent: worden wat je bent. Op sociaal vlak betekent dit: onrechtvaardigheid wegwerken.

Voor Bourgeois was de solidariteit (in z’n solidaristische betekenis) enerzijds een fundering van een sociale filosofie en anderzijds een visie en strategie op zowel nationaal als internationaal vlak. Solidariteit karakteriseerde volgens hem als feit het menselijke leven. Aan de basis daarvan ligt een organische visie op het leven: het levende wezen is bepaald door de solidariteit van biologische functies die verschillende delen van één lichaam aan elkaar linkt. Dit is een idee die teruggaat tot de Oudheid. Het evenwicht dat een permanent en levend wezen bereikt komt er door de vereniging van alle delen en functies in één gemeenschappelijke inspanning, het is deze vereniging die de succesvoorwaarde vormt in de strijd om leven en bestaan (Essai p.3). Dit fenomeen wordt op het sociale leven toegepast, waarbij solidariteit bestaat in tijd en ruimte. De arbeidsverdeling en de coördinatie van arbeidsinspanningen zijn uitingen van die solidariteit via diensten die men aan elkaar verleent in eenzelfde tijdperk alsook tussen verschillende tijdperken. Bourgeois schrijft daarover: “Celui qui a inventé la charrue, laboure invisible à côté du laboureur … ” L’objet de la science sociale est précisément de constater cette solidarité entre les générations (Essai p. 7).

Slotbeschouwing

Zowel de pauselijke encyclieken als de visie van Leon Bourgeois kunnen in de 21ste eeuw niet meer als basis dienen voor een volledig uitgewerkt en praktisch toepasbaar solidarisme. Het zijn hoogstens waardevolle historische feiten. Enkele kenmerken kunnen behouden blijven en zullen altijd de kern van het solidarisme blijven uitmaken, maar het solidarisme van Bourgeois heeft bijvoorbeeld haar eigen meester nauwelijks of niet overleefd. Uit het komen en gaan van de verschillende soorten en invullingen van het solidarisme doorheen de tijden, alsook dat het nog nooit in de praktijk werd gebracht, hebben sommigen (niet in het minst tegenstanders van liberale en marxistische signatuur) verkeerdelijk de conclusie getrokken dat solidarisme niet meer kan bestaan. Tijdens het interbellum was het solidarisme ontegensprekelijk christelijk geïnspireerd. Dit neemt niet weg dat het solidarisme voor zowel gelovigen als ongelovigen, zowel voor christenen, heidenen als atheïsten een stelsel en een visie kan betekenen waarin men zich kan thuisvoelen. Solidarisme kan ook op niet-religieuze gronden berusten. Het was geenszins de bedoeling om de lezer een kant-en-klare doctrine of een afgerond denkkader aan te bieden. Het solidarisme past immers niet in de modernistische ideologieën met hun gesloten systemen en dogma’s. Veeleer gaat het om de schets van een levenshouding, waarbij een historische achtergrond wordt geboden alsook een aantal principes uit het solidarisme die ontegensprekelijk er kerngedachten in vormen. De vaagheid omtrent solidarisme zorgt er spijtiggenoeg voor dat sommigen die zich solidarist noemen zelfs deze kerngedachten overboord gooien, wat nooit de bedoeling kan zijn voor wie het solidarisme écht genegen is.

Otto Ruwaerd

Bronnen:

(aut. onbekend), Dietsland-Europa aug. 1975, pp.22-25 (biografie Pesch)
Bourgeois, L., ’Essai d’une philosophie de la solidarité’. Uitg. Alcan, Paris, 1902
Cobbaut, W., “De onderneming: een werkgemeenschap”. In: Dietsland-Europa , juli 1973, pp.18-21
Cobbaut, W., ‘Het solidaristische alternatief’. Uitgave van de werkgemeenschap Alternatief VZW, 1978
Cobbaut, W., ‘Werkgevers en werknemers – Verouderde begrippen’. In: Dietsland-Europa , juni 1973, pp.17-19
De Bruyne, A., ‘Joris Van Severen – Droom en daad’. Uitg. Oranje, Zulte, 1965
Delvo, E., ‘Democratie in stormtij. Democratisch socialisme in de jaren dertig’, Uitg. De Nederlandse Boekhandel, Kapellen, 1983
Delvo, E., ‘Sociale collaboratie – Pleidooi voor een volksnationale sociale politiek’, Uitg. De Nederlandse Boekhandel, Antwerpen – Amsterdam, 1975
Lambert, P., De coöperatieve doctrine. 1971
Rauscher, A., ‘Subsidiaritätsprinzip und berufsständische Ordnung in “Quadragesimo Anno”’, Aschendorffsche Verlangsbuchhandlung, Münster i. Westfalen, 1958
Utz, A. F., ‘Zwischen Neoliberalismus und Neomarxismus – Die Philosophie des dritten Weges’. Uitg. P. Hanstein , Köln, 1975
Van Gestel, C., ‘Kerk en sociale orde’, Leuven 1956, editie 2
Wildmann, G., ‘Personalismus, Solidarismus und Gesellschaft. Der ethische und ontologische Grundcharakter der Gesellschaftslehre der Kirche.’ Uitg. Herder, Wien, 1961

Posted in Uncategorized | Getagged: , , , , , , , , , , , , | Leave a Comment »

Vals socialisme en waarachtig socialisme

Posted by drietand op 26 oktober, 2007

Waarom nadenken over het verleden en de historische evolutie van het socialisme, op het moment dat het in Europa dikwijls electoraal verliest, terwijl het geen politiek project en geen gewapende takken meer heeft, geen Sovjet-banden of andere meer heeft, waar een fanatiek individualisme dat sociale catastrofes baart de postmoderne mentaliteit in de Eerste Wereld steeds meer bepaalt, van bevliegingen en rages vanwege yuppies en trendy kleinburgers die zich nestelen in hun kleine virtuele wereldje.

Omdat het socialisme, of men het nu wil of niet, een communautaire reflex en aspiratie vertoont. Om een al even zo banaal als reëel discours aan te halen, de mens is geen wezen dat enkel op zichzelf gericht is, op zijn eigen ik. Hij is het kind van z’n ouders, maar ook kleinzoon of kleindochter, broer of zus, vader of moeder, neef, buur, collega,… In deze betekenis kan hij het goede wensen voor zijn groep of groepen binnen dewelke hij leeft en handelt en bijgevolg dit gemeenschappelijke goede verheffen boven zijn eigen individueel welzijn. Zoals alle aanhangers van grote religies en ook de adepten van het klassieke humanisme steeds hebben onderlijnd, een mens kan zijn welzijn opofferen voor z’n kinderen, een strijdzaak, voor elk soort motief dat het zelf overstijgt. Z’n intelligentie en instinctueel geheugen (twee kwaliteiten die niet noodzakelijk heterogeen en incompatibel zijn) kunnen dus opofferingen vooropstellen voor een tijd die als beter aangevoeld wordt, maar die nog toekomstig is. De mens handelt niet enkel vanuit een hedendaags perspectief, maar rekent vaak op de langere termijn, op vooruitzichten, wedt op de toekomst van de zijnen. Met het vermelden van deze banaliteiten, die antropologen en sociologen maar al te goed kennen, wensen we te wijzen op de nietigheid en de leegte van filosofische of economische theorieën die halsstarrig een methodologisch individualisme postuleren en die overal de hedendaagse manie van de politieke correctheid willen instellen.

Een deel van de aanhangers van het Verlichtingsdenken, vanaf de 18de eeuw, voerde in de dagelijkse politieke praktijk het methodologisch individualisme in, anderen legde de basis voor een sociale politiek, dikwijls in het kielzog van Verlichte despoten, anderen zoals filosofen uit de Parijse salons legden de basis voor het positivisme, terwijl nog anderen in het kielzog van Herder en de Sturm und Drang een emancipatie van mensen en zielen voorstelden door beroep te doen op de wortels van culturen, op ontluikende cultureel-literaire werken die de identiteit in al haar originaliteit en mooie onschuldige eenvoud weergaven. Door het bekritiseren van het methodologisch individualisme bij een deel van de volgelingen uit de Europese Verlichting, verwerpen we daarom nog niet alle facetten van deze Verlichting maar enkel deze die een dolgedraaide evolutie kenden, die een reeks foute veronderstellingen, dogma’s propageren en een schematische ideologie instellen en die er een discours op nahouden die elk debat weigert maar bol staat van modieuze woordkeuzes (door de Franse filosoof-medioloog François-Bernard Huyghe de “Langue de coton” genoemd), kortom, de hedendaagse politieke correctheid. Die “langue de coton” is in feite de concrete vertaling van de “Newspeak” die Orwell aanduidde in zijn bekende roman ‘1984’. Daar tegenover denken wij dat een dubbel teruggrijpen naar de vele facetten van de Verlichting, veronachtzaamd door het hedendaagse dominante discours, ons in staat zou stellen om het debat te heropstarten en aan onze medemens die in een impasse verkeert reële politieke alternatieven voor te stellen.

De mislukkingen van de Verlichting vertonen zich op meerdere niveaus in de Europese geschiedenis van de laatste tweehonderd jaar:

1) In de ideologieën die afgeleid zijn van de metaforen “tijd” en “machine”, wijzend op een mechanistische visie op politiek-sociale kwesties, waar elk individu aanzien wordt als een eenvoudig op zichzelf gericht radertje, vergelijkbaar met alle andere radertjes, zonder binding of wortels, verbindt de individualistische stroming in het Verlichtingsdenken aan deze metaforische en schematische visie sociale en politieke stellingen terwijl men voorbijging aan de voorbode van het romantisme en de organische politieke filosofieën waarin de principes van ontstaan, vorming en groei volkomen natuurlijk ingebed zijn.

2) In de maatregelen die door de nieuwe Franse republiek na de revolutie werden gestemd, tegen de corporatieve systemen, rechten op samenwerkingsverbanden en belangengroepen, enz.; de hypercentralistische organisatie van de nieuwe republiek waar de burgemeesters Parijs vertegenwoordigden en niet de lokale gemeenschappen; de introductie van een individualistisch recht in gans Europa via de Napoleontische legers; maatregelen die ertoe leidden dat bepaalde contrarevolutionaire groepen zich konden affirmeren als kampioenen van sociale rechtvaardigheid, in tegenstelling tot wat de huidige gangbare historiografie stelt.

3) De opkomst van de industriële revolutie in het teken van het individueel recht in Engeland en in teken van het geheel op het continent.

4) De uitwerking van mechanistische en individualistische economische theorieën.

5) Het ontstaan van een socialisme dat als filosofisch-ideologisch fundament een “wetenschappelijk” mechanistisch en individualistisch denken heeft.

Dit vijfvoud aan feiten heeft het socialisme gestimuleerd, georganiseerd in de 2de Internationale, daarna het communisme in de 3de Internationale en tenslotte het trotskisme in de 4de Internationale (de veelvuldige afsplitsingen en dissidenties niet meegeteld); om de meest mechanistische, machinistische en anorganische Verlichtingsideeën aan te nemen én de meer pragmatische, organische en culturele stromingen af te wijzen als reactionair, gericht tegen de “emanciperende” Verlichting. Indien het socialisme is ten onder gegaan, dan is het precies te wijten aan dat cultiveren van een waarachtig geloof in die mechanistische religie die zich “wetenschappelijk” achtte en onderuit is gehaald door bevindingen in de fysische wetenschap, vanaf 1875 met de ontdekking van het thermodynamica-principe, met de kwantumfysica en de opgang van de biologische wetenschappen, enz… Het socialisme heeft een eeuw overleefd na de ondergang van haar mechanistische “epistemologie”.

Indien het socialisme, als particratisch systeem verankerd in de Europese geschiedenis, zich had gericht op de organicistische metaforen uit het denken van herder en het romanticisme, dan was het vandaag de dag allicht nog springlevend geweest. Elke beoefening van politieke die de individualistische methodologie afwijst, moet breken met de mechanistische paradigma’s zoals geïllustreerd door de paradigma’s van het uurwerk en de machine(2).

In feite ware een inzet op het « metafoor van de boom » democratischer geweest : de aandrijvende kracht van de machine is exterieur aan de machine, net zoals de despoot exterieur is aan het volk waarover hij heerst. Het principe van de boom als drijvende kracht, zijn bron van energie, zijn allereerste impuls, huist namelijk in zijn innerlijkheid. De boom regeert zichzelf, zijn levensbestaan is niet afhankelijk van een exterieure kracht die een sleutel hanteert of een raderwerk in gang zet om te bewegen of te “leven”. Ter vergelijking, een organisch socialisme, dus niet langer mechanistisch, had kunnen voortkomen uit de geschiedenis zelf van een volk dat het regeerde en beschermde. De geschiedenis heeft ons geleerd dat de socialistische oligarchiën de fout hebben begaan om uit het volk te treden, of een volk te regeren dat vreemd was aan henzelf in naam van een zeer hypothetische « internationale solidariteit », zonder (nog langer) te begrijpen wat de innerlijke motivaties van dat volk zijn. De kritieken van een Roberto Michels over de Verbürgerlichung, Verbonzung und Verkalkung (verburgerlijking, progressieve dominantie van de partijbonzen, sclerose) en de harde, bittere satire van een George Orwell in Animal Farm, waar de varkens uiteindelijk meer gelijk worden dan de anderen zijn hierover veelzeggend en tonen aan, voor zover nog nodig, dat de socialisten en de sociaal-democraten onderhevig zijn aan die politieke zwakheid, het is te zeggen, de zwakheid die erin bestaat een ideologie aan te nemen zonder diepgang die ertoe leidt dat ze in de marge van de bevolking belanden, hun socialistisch discours sterk relativeert en in de praktijk tot het omgekeerde leidt. De oligarchisering van de socialistische partijen is een permanent risico die het socialisme bedreigt, juist door toedoen van de “bonzen” die weigeren op te gaan in een volkslichaam, dat ze van nature uit als onvermijdelijk irrationeel beschouwen maar die vaak ontsnapt aan het kraakheldere schematisme van de beredeneerde Rede die hen eigen is.

Vandaag de dag verklaren de socialismes van verschillende kleuren en strekkingen de erfgenamen te zijn van de Franse Revolutie. Hoewel, het is de Franse Revolutie die de rechten op vereniging van bouwvakkers, handarbeiders, knechten,… alsook de beroepsverenigingen onderdrukt. Zij kiest daarentegen voor een puur individualistisch recht, gericht tegen de verenigingsrechten en de gedifferentieerde aanpak van de sociale kwestie. Gedurende de ganse 19de eeuw trachtten de werknemers hun traditionele verenigingen opnieuw te vestigen, ondermeer via het syndicalisme en in Engeland via een communautaristische vorm van socialisme: het guild-socialism. Maar de oligarchen van de socialistische partijen daarentegen hebben gekozen voor hun reële ideologie, nochtans tegengesteld aan het socialisme dat ze pretendeerden te verdedigen. De opeenvolgende breuken, afsplitsingen, de verschillende mutaties van het linkse discours zijn au fond gebaseerd op de weigering van het individualistisch mechanisme van deze “revolutionaire” Verlichtingsideologie. Nu de partijoligarchen, de “bonzen” zoals Roberto Michels hen noemt, een gedrag vertonen dat niet door de beugel kan, gelet op de betrokkenheid in maffieuze netwerken (zoals Craxi in Italië of de zaak Cools in België die leidde tot de naam “Palermo-aan-de-Maas”), vertaalt de malaise zich aan de basis door een desertie van het electoraat, en aan de top bij de intellectuelen, door een verandering in paradigma’s en dikwijls ook een terugkeer naar de onuitroeibare nostalgie van de gemeenschap. Vandaag praat men in de cenakels van denkend links, waaronder in de Verenigde Staten, opnieuw over “communautarisme”. Een discours die er hen toe verplicht opnieuw verbanden en waarden te herontdekken die tijdens de Franse Revolutie en het Bonapartistisch avontuur enkel door “contra-revolutionairen” werden verdedigd of geanalyseerd.

Algemeen kan men stellen dat de historiografische bronnen die gerelateerd zijn aan de contra-revolutie, bij de contra-revolutionaire auteurs duidelijk wijzen op een wil tot terugkeer naar het Ancien Régime en de klerikale en aristocratische elites opnieuw in het zadel wil helpen die er door de revolutie waren uit gelicht. Anderzijds zijn er bij die als “contra-revolutionair” beschouwde auteurs ook diegenen die autonomie van de werkenden, de arbeiders,… willen herstellen waarbij de extreme individualisering van het eigendomsrecht in bourgeois-recht dat vanaf 1789 triomfeert en finaal ook gecodificeerd wordt. Iets wat men nooit had durven doen tijdens het Ancien Régime, zelfs niet toen een langzame erosie van de solidariteitstradities was ingezet sinds een tweetal eeuwen. In Frankrijk vond de verdwijning van de orden eerder plaats dan elders in Europa. De situaties varieerden volgens de provincies. In het westen wegen de afnames van de heerlijkheden en het leenrecht zwaar door, in het zuiden en de streken rond Lyon en Parijs zijn ze praktisch volledig verdwenen. Aan de vooravond van de Revolutie heeft de boerenstand, de basis van de bevolking want de industriële revolutie is nog niet gestart en de arbeiders zijn kwantitatief nog beperkt in omvang, een afkeer van de verhoogde heffingen door klerken en de fiscus, maar dringen aan op het behoud van de collectieve goederen die vrij ter beschikking staan van de dorpsgemeenschap. Indien er opstanden en rellen zijn voor 1789, dan zijn die gericht tegen de bezitters van “rechten op heerlijkheden” en tegen hen die een private eigendom vestigen op een oude collectieve grond. Men zou dus kunnen denken dat de Franse boerenstand die vijandig staat tav “rechten op heerlijkheden” omdat ze een inbreuk vormen op gemeenschappelijke gronden, toegewijd was aan de republikeinse ideeën. Maar hun waaier van eisen en verzuchtingen herhaalt zich na de grote omwentelingen die Frankrijk overspoeld hadden: de revolutionaire assemblees voeren de belastingen opnieuw in en verzwaren ze nog, de grondlasten zijn nog zwaarder dan tijdens het Ancien Régime (november 1790). De historicus Hervé Luxardo stelt dat men aandrong op een “een revolutie binnen de revolutie”: de bourgeoisie vervangt het Ancien régime in de steden, installeert haar macht die de boerenstand schade toebrengt en die geleidelijk aan ertoe leidt dat de vijandigheid die men had t.a.v. de adel zich nu ent op de bourgeois die eigenaars zijn geworden van de oude collectieve goederen, op de nieuwe bezitters, de “foutus bourgeois” zoals een revolterende boer uit de Dordogne hen noemt in 1791. De revolte van het platteland maakt geen onderscheid tussen een edelman als dienaar van de koning of een bourgeois als aanhanger van de revolutionaire theorieën. Wanneer de revolutionaire staat de goederen van de Kerk verkoopt als zijnde “nationale goederen” aan particulieren in plaats van ze te herverdelen onder dorpelingen raken de gemoederen opgehitst en slaat in het westen van het land de vlam in de pan: opstanden in de Vendée en in Bretagne.

Erger nog, zo meldt Hervé Luxardo, in december 1789 vernietigen de nieuwe regeerders de laatste volksvergaderingen waar alle familiehoofden konden stemmen, door hen te vervangen door verkozen gemeenteraden waar enkel de “citoyens actifs” (lees: de rijksten!) kon voor stemmen! Deze maatregel maakte een einde aan de legende dat de Franse Revolutie “democratisch” was. Vanaf dan zouden de nieuwe notabelen die afgescheiden van een volk dat geen inspraak meer had, de collectiever goederen naar hun eigen goeddunken gaan beheren, het leidde op 28 september 1791 tot een plattelandswet die praktisch elk recht op het genieten van de vruchten van collectieve gronden, weiden, bossen verbood. Een catastrofe in de winterperiode die schaarste en hongersnood bracht bij de armste plattelandsbewoners. Een andere Franse historicus die kritisch staat t.a.v. de Franse Revolutie, René Sédillot, schrijft: jammergenoeg “is het voor bejaarden, weduwen, kinderen, zieken, armen om koren bijeen te rapen na de oogst, om te genieten van nagras, om stro te verzamelen voor bedekkingen, om druiven op te pikken na de wijnoogst, om kruiden en grassen bijeen te harken na het maaien (…) het is niet langer toegelaten voor de kuddes om vrije toegang te hebben tot de stoppelvelden en braaklanden.” Kortom, met één pennentrek elimineerde de wetgevende bourgeoisie de enige sociale zekerheid dat deze armste groepen hadden. Deze lacune zou ertoe leiden dat er arme klassen , “gevaarlijke klassen” ontstonden volgens de heersende terminologie. Het platteland kon niet langer alle dorpelingen voeden, wat een exodus veroorzaakte naar de steden of naar de kolonies, voeding gevend aan het ontstaan van een agressief en wanhopig socialisme.

In de steden waren de beroepen georganiseerd in gilden (meesters-chefs en werknemers-gezellen) en in gezellenverenigingen (zonder de meesters-chefs). De gezellenverenigingen organiseren de solidariteit tussen de werknemers-gezellen en staken indien hun verzuchtingen niet gehoord worden. De Frans-revolutionaire wetgever Isaac Le Chapelier veegt met één pennentrek de mogelijkheid van tafel om nog syndicaten te benoemen, kortom om er nog te stichten, en zelfs alle samenwerking van gesalarieerden mogelijk te maken. Sédillot: “De wet Le Chapelier van 14 juni 1791 maakte een einde aan al wat kon bestaan aan werknemersvrijheden.” Later veronachtzaamt de Code Civil de arbeidsregels en –wetten. Het Consulaat van Bonaparte herstelt de politionele controle op de werknemers door het “livret”, een arbeidsboekje, in te voeren. Geen enkele vorm van links kan geloofwaardig zijn indien het terzelfder tijd pretendeert erfgenaam te zijn van de Franse revolutie, partizaan van haar ideologie, en de werkende klasse te verdedigen. De Waalse Parti Socialiste is in flagrante tegenstelling met de essentie van het socialisme en de sociale solidariteit wanneer haar tenoren zoals Philippe Moureaux en Valmy Féaux geestdriftig de lof bezingen van de “Grote Revolutie” en zonder verpinken de ontelbare schurkenstreken van de sansculotten. De ganse sociale strijd van de 19de eeuw is in feite een protest tegen en een weigering van die wet Le Chapelier. In filosofische termen is de mechanistische ideologie uit het revolutionaire tijdperk van de Franse republiek niet in staat om de solidariteit te verzekeren en was de aanzet tot een ernstige sociale achteruitgang.

De gebeurtenissen van de Franse revolutie en het opkomen van de industriële revolutie in Engeland leidden tot een nieuw economisch denken van een wiskundig-rekenkundig type waarbij dat van Ricardo in het oog springt. Geen enkele historische of geografische context wordt in rekening gebracht en men zou moeten wachten op de Duitse « Historische Schule », het Kathedersozialismus en het institutionalisme (wat overigens Amerikaans is) om parameters te herintroduceren in het economisch denken die rekening houden met de omstandigheden, geschiedenis, geografie. Meteen werd ook het absurde idee ondergraven dat er één enkele economische wetenschap is die universeel alle bestaande, werkende economieën in de wereld kan sturen.

Bijgevolg is het socialisme een reactie tegen de Aufklärung zoals zij werd geïnterpreteerd in de Franse revolutie en door wetgevers zoals Le Chapelier. Het socialisme is dan ook, gelet op haar drijfveren aan het begin van haar levensloop, fundamenteel voor het behoud van de organische vrijheden, gemeenschappelijke goederen en de wijzen van organisatie in gilden en gezellenverenigingen. Die drijfveren zijn « juste » (juste afgeleid van het Latijnse ius, recht). Maar als het socialisme zoals we het nu kennen een mislukking, een onrechtvaardigheid of zelfs oplichterij is, dan is dit omdat het de verzuchtingen van het volk verraden heeft net zoals de Franse revolutionairen hun boeren hebben verraden. Een socialisme dat gedragen wordt door een historische en organische inhoud, gekoppeld aan een economische doctrine die schatplichtig is aan de Historische Schule en het Kathedersozialismus moet overnemen waar een vals socialisme dat gedecontextualiseerd, mechanistisch is en gedragen wordt door wiskundig-rekenkundige economische doctrines en een Frans-revolutionaire ideologie.

Robert Steuckers

Bibliografie:

– F.M. BARNARD, Herder’s Social and Political Thought. From Enlightenment to Nationalism, Clarendon Press, Oxford, 1965.
– Michel BOUVIER, L’Etat sans politique. Tradition et modernité, Librairie générale de Droit et de Jurisprudence, Paris, 1986.
– Louis-Marie CLÉNET, La contre-révolution, Presses universitaires de France, Paris, 1992.
– Bernard DEMOTZ & Jean HAUDRY (Hrsg.), Révolution et contre-révolution, Ed. Porte-Glaive, Paris, 1989.
– Jean EHRARD, L’idée de nature en France à l’aube des Lumières, Flammarion, Paris, 1970.
– Georges GUSDORF, La conscience révolutionnaire. Les idéologues, Payot, Paris, 1978.
– Georges GUSDORF, L’homme romantique, Payot, Paris, 1984.
– Panajotis KONDYLIS, Die Aufklärung im Rahmen des neuzeitlichen Rationalismus, DTV/Klett-Cotta, München/Stuttgart, 1986.
– Panajotis KONDYLIS, Konservativismus. Geschichtlicher Gehalt und Untergang, Klett-Cotta, Stuttgart, 1986.
– Jean-Jacques LANGENDORF, Pamphletisten und Theoretiker der Gegenrevolution 1789-1799, Matthes & Seitz, München, 1989.
– Hervé LUXARDO, Rase campagne. La fin des communautés paysannes, Aubier, Paris, 1984.
– Hervé LUXARDO, Les paysans. Les républiques villageoises, 10°-19° siècles, Aubier, Paris, 1981.
– Stéphane RIALS, Révolution et contre-révolution au XIX° siècle, DUC/Albatros, Paris, 1987.
– Antonio SANTUCCI (Hrsg.), Interpretazioni dell’illuminismo, Il Mulino, Bologna, 1979 [in dieser Anthologie: cf. Furio DIAZ, “Tra libertà e assolutismo illuminato”; Alexandre KOYRÉ, “Il significato della sintesi newtoniana”; Yvon BELAVAL, “La geometrizzazione dell’universo e la filosofia dei lumi”; Lucien GOLDMANN, “Illuminismo e società borghese”; Ira O. WADE, “Le origini dell’illuminismo francese”].
– René SÉDILLOT, Le coût de la révolution française, Librairie académique Perrin, Paris, 1987.
– Barbara STOLLBERG-RILINGER, Der Staat als Maschine. Zur politischen Metaphorik des absoluten Fürstenstaats, Duncker & Humblot, Berlin, 1986.
– Raymond WILLIAMS, Culture and Society 1780-1950, Penguin, Harmondsworth, 1961-76.

(Vertaald uit het Frans) Bron : Synergies Européennes, Stocker Verlag (Graz), Nouvelles de Synergies Européennes, Novembre, 1994

Posted in Uncategorized | Getagged: , , , , , , , , | Leave a Comment »

Een Solidaristisch Avondland?

Posted by drietand op 16 oktober, 2007

Ideologie of levenshouding

De Westerse ikzucht, bewust in de hand gewerkt door wie belang heeft bij een loutere verbruikersmaatschappij, moet worden vervangen door een solidaire levenshouding.

Klinkt dit eenvoudig, dan zal de uitwerking ervan allerminst eenvoudig blijken. Omdat moet worden opgeroeid tegen vastgeroeste ideologieën. Ook omdat opgelegde solidariteit in vele gevallen wordt misbruikt, om een gever-ontvanger-stroom in stand te houden, niet gekoppeld aan verantwoordelijkheid voor de ontvanger.

Het zal dus niet eenvoudig zijn om dergelijke automatismen (verworven rechten …) te wijzigen.

De gemeenschapsordenende staat werd tot nog toe steeds ingericht volgens vooropgestelde beginselen, zoals liberalisme-kapitalisme of socialisme-communisme. Hierbij werd een reeks principes naar voren geschoven, volgens dewelke dan de staat werd georganiseerd. De mens, de burger, moest zich maar aanpassen aan die beginselen, aan die staatsleer, en aan de daaruit voortvloeiende economische doctrines.

Veel beter ware het om de mens als norm te nemen, en niet langer de ideologie.

Mensen, ongelijk maar gelijkwaardig, vormen even zovele onvervangbare uniciteiten. De persoonlijkheid van de mens, en zijn organische samenstelling, moeten een uitgangspunt en een voorbeeld kunnen zijn voor een opbouw van de volksgemeenschappen volgens organische, persoonsgerichte normen.

Deze normen kunnen een tweesnijdend doeleinde nastreven. Het recht op volledige vrije ontplooiing van ieder mens in eigen cultuurbedding, samen met het respect voor de medemens én voor de volksgemeenschap door vrijwillige beperking.

Dergelijke normering stoelt zeker niet op een voorgeschreven ideologie, maar op een personalistische levenshouding of levensbeschouwing.

Wat is een volk?

De wetenschap, als systematisch begrijpen van de realiteit, leert dat groepen mensen zich onderscheiden van andere groepen, door groepsgemeenschappelijke kenmerken. Dit onderscheid wordt in de band gewerkt door cultuur, woonomgeving, taal en raskenmerken.

Om de Europese volkeren te definiëren zullen politieke en economische gewoonten, hogere filosofische overtuigingen, beleving van en uitdrukking door kunsten, culturele parameters vormen.
De woonomgeving binnen geschiedkundig verantwoorde of natuurlijke grenzen, zal een tweede aanwijzing zijn, samen met een eventueel samenhorigheidsgevoel.

Het spreekt vanzelf dat de taaleigenheid een zekere volksbepalende factor is.

Blijven de raskenmerken. Het oogt eigentijds om al diegenen die deze kenmerken willen zien, te beschuldigen van rassenhaat, en hen zelfs te bestraffen omdat zij niet blind zijn.

Laat me duidelijk zijn: wanneer onder racisme begrepen wordt het benadelen van een mens, op grond van uiterlijke kenmerken, dan is zulks verwerpelijk, en mensonvriendelijk.

Het ziende-blind ontkennen van volksbepalende aanwijsbare kenmerken, die, de mogelijkheid bieden iedereen in eigen cultuuromgeving te laten gedijen, straalt daarentegen niet bepaald werkelijkheidszin uit, en is volksonvriendelijk.

Anekdote: wie iets afweet van de anti-Vlaamse uitlatingen van Kardinaal Mercier, zal mij niet van sympathieën voor hem kunnen verdenken. Diegenen die echter menen dat elke aanvaarding van verschillen tussen mensen en mensengroepen, een onloochenbare vorm van rassenhaat is, werp ik graag een uitspraak van deze Kardinaal voor de voeten.

In een oproep tegen de toenmalige ‘drankplaag’ schreef Mercier: “dan verdwijnt die grofheid en ruwheid die nu zo vaak onze volksgewoonten onteren, en zullen de heerlijke rashoedanigheden van ons volk in al hun luister schitteren” .

Het hanteren van deze volksbepalende kenmerken, als objectieve normeringen, zal uitsluiten dat Staten, in een semantische vervalsing van het natiebegrip, de zogenaamde ‘wilsnatie’ opdringen aan volkeren.

De volksgemeenschap

Volkeren, samengesteld volgens geschiedkundig verantwoorde gegevens, en getoetst aan de volksbepalende normen, zijn net zoals de unieke mensen die de volkeren vormen, unieke en onvervangbare gemeenschappen.

Indien de Europese volksgemeenschappen organisch opgebouwd worden zullen zij natuurlijke entiteiten vormen, die eindelijk zichzelf kunnen besturen, binnen onaantastbare grenzen. Elk volk zal het eigen territorium moeten behoeden en beheren. De grenzen van het gebied zullen samenvallen met de volksgrenzen.

Niet het smeltkroesliefhebbende staatsnationalisme zal dit verwezenlijken. Enkel een volksnationale levenshouding kan dit nastreven.

De absoluutheid van het territorialiteitsbeginsel van de Europese volkeren, moet vastgelegd worden in inter-volkse afspraken. Betutteling vanwege een bovenideologie moet worden afgewezen.

Enkel indien een geweldloze toewijzing van twistgebieden onmogelijk blijkt (cfr. Zuid-Slavië), kan de meervolkerengemeenschap een regeling afdwingen. Waarbij kan worden vastgesteld dat de betwistingen over deelgebieden ontstonden nadat voogdstaten er een vermenging nastreefden, en door gestimuleerde massa-inwijking de tolerantiedrempel van het gastvolk overschreden.

Solidarisme

Drie grote pijlers zullen een solidaristische opbouw van het Europa der volkeren ondersteunen.

Personalisme: de volle vrijheid tot zelfontplooiing moet een onvervreemdbaar recht zijn, enkel vrijwillig beperkbaar wanneer het de ontplooiing van de gemeenschap kan belemmeren.

Subsidiariteit: wat de gemeenschap zelf kan, moet niet door een bovenniveau worden uitgevoerd. Soevereiniteit in eigen kring, of de theorie van het optimale beslissingsniveau.

Solidariteit: het herleiden van mensen tot universeel uitwisselbare wezens, met enkel een economische waarde, is tegenstrijdig aan echte solidariteit. Mensen zijn immers ongelijk, met eigen natuurlijke gaven, bekwaamheden en mogelijkheden. Zij kunnen binnen de grenzen van die eigen capaciteiten tot vrijwillige solidariteit worden aangezet.

Tegelijk waarborgt een echte solidariteit het gelijke toegangsrecht van ieder mens tot alle ontplooiingsnoodzakelijke middelen, in eigen cultuuromgeving, thuis!

Wie zich echt wil inzetten voor de gemeenschap, moet kunnen rekenen op gelijke waardering en eerbied, op gelijke startmogelijkheden.

Deze gelijke vertrekkansen voor elk lid van de volksgemeenschap moeten evenwel helemaal niet leiden tot gelijk aankomen. Hiermee zou enkel een nieuwe nivellering worden in het leven geroepen, en zou elke verrijkende competiviteit worden uitgebannen.

Verwerpelijke -ismen

Aanvaarding van dit ene -isme, het solidarisme, waarbinnen het persoonsrespect, het recht op bevoegdheidsbewaring, en de solidariteit worden gebundeld, maakt dat heel wat gangbare -ismen moeten afgewezen worden.

Materialisme, liberalisme, individualisme: de enkeling, uit louter ik-zuchtige gewinzucht, zou het recht hebben om zijn daden enkel te toetsen aan eigenbelang. Wat onafwendbaar moet leiden tot de heerschappij van geld over morele waarden: kapitalisme.

Communisme, collectivisme, internationalisme: de persoonlijke vrijheid, de identiteit wordt hierbij ontnomen, en vervangen door de verheerlijking van de technocratisch gestuurde werknemersmassa.

Dit kleurloze vervangen van de eigenheid door het volkerenontkennende multiraciale waanbeeld, wordt in de praktijk aangevuld met de onderwerping aan het profitariaat van een nomenclatura.

Ook geen afleiding van deze -ismen kan me bekoren. Nazisme, Titoïsme, Maoïsme, Castrisme, bereikten alle dezelfde eindmeet: het onderwerpen van unieke wezens aan staatsdirigisme en arbeidsslavernij, en de onderdrukking van geestelijke vrijheid. Al deze -ismen waren en zijn gericht op een opgelegde integratie van volkeren binnen kunstmatige staten.

Daarom wijs ik ook een nieuw europisme af. Een europisme dat de samenstellende volkeren in Europa zou herleiden tot een bureaucratisch gedirigeerde, afgestompte en kleurloze massa, kan onmogelijk een nastreefbaar einddoel zijn.

Ik trachtte, bewust zonder essentieverhullende uitweidingen, een denkrichting in te slaan die te lang als onbegaanbare derde weg werd verworpen door de oude politieke kaste.

En indien de verwezenlijking van solidaristische samenwerking tussen de Europese volkeren, de vorming van een nieuwe maatschappelijke en politieke elite noodzakelijk maakt, dan wordt het de hoogste tijd dat daartoe de aanzet wordt gegeven.

De klaarblijkelijke minusculiteit van de huidige Europese politieke spraakmakers, vormt trouwens een extra motivering voor het inslaan van nieuwe wegen…

Uit “Europa Barst?” door Wim Verreycken, Uitgeverij Tyr v.z.w., 1994.

Posted in Uncategorized | Getagged: , , , , , , , | Leave a Comment »