Nieuw-Solidaristisch Alternatief!

Het identitair en revolutionair verzet! – Weg van de Wetstraat, op naar de Volksstaat!

Posts Tagged ‘solidarisme’

Eenheidsstatuut voor alle werknemers

Posted by vooruitgang op 23 augustus, 2008

De als populist vermomde extremistische liberaal Dedecker van Lijst Dedecker heeft een schijnbaar zeer progressief ballonnetje opgelaten wat betreft de arbeidsstatuten voor arbeiders en bedienden. Hij stelt dat de twee verschillende statuten een totaal voorbijgestreefd concept zijn. Hij stelt verder dat het werk van een arbeider nu ook een intellectuele component bevat, zodat er nu nog weinig onderscheid is tussen hersenarbeid (bedienden) en handenarbeid (arbeiders). Op het eerste zicht zou een niet alerte lezer hieruit kunnen afleiden dat Dedecker voor een soort solidaristische samensmelting is van alle productiekrachten. Maar vermits werkgevers en zelfstandigen niet voorkomen in zijn hervorming van statuten, is er geen sprake van enige vorm van solidarisme. Dedecker heeft iets totaal anders voor ogen dan de bevordering van het solidarisme. De poging om tot een eenheidsstatuut te komen voor alle gesalarieerden is ingegeven om de loonlast te verlagen en vooral om opzeggingsvergoedingen bij afdankingen goedkoper te maken voor het patronaat.

Lees de rest van dit artikel »

Advertenties

Posted in economie, maatschappij, politiek | Getagged: , , , , , | Leave a Comment »

Alzo sprak…

Posted by drietand op 24 mei, 2008

Alles wat het liberalisme in Dietsland heeft ontbonden, zullen wij weer binden. Het volk aan zijn wezen, zijn grond en zijn staat; de ledematen van het volk aan het volksgeheel, aan het volkslichaam en aan zijn hoofd.

Joris van Severen (1934)

Posted in algemeen, citaten, vorming | Getagged: , , , | Leave a Comment »

N-SA-manifest beschikbaar!!!

Posted by drietand op 13 april, 2008

Wat zijn en wat willen de nieuw-solidaristen?
Manifest van het nieuw-solidarisme.

Inhoud:

Inleiding: Waarom een N-SA?
Metapolitieke taak
– Tegen modernisme en haar economisme
– Elite en inspraak in plaats van parlementaire plutocratie
– Vrijheid in plaats van liberale dictatuur
– Antikapitalisme en anti-imperialisme
Politieke taak
– Vlaams-nationaal en identitair
– Staat en volksgemeenschap
– Sterkste schouders voor de zwaarste lasten
– Naar een nieuw corporatisme
– Sociale zekerheid
– Strijd tegen globalisering
– Een weerbaar Europa
– Een waarachtige ecologische politiek
Samenvattend overzicht
Besluit

Het N-SA-manifest zal weldra worden opgestuurd naar alle militanten die hun militantenbijdrage hebben betaald!

Posted in propaganda, vorming | Getagged: , , , , , , , , | Leave a Comment »

“Je bent je werk niet”, maar toch…

Posted by voorhoede op 30 maart, 2008

Zentropa

“Het voorziene rendement en de risicograad kunnen niet de enige criteria zijn voor een investering. De keuze om liever te investeren in één plaats dan in een andere, in een sector van productie dan in een andere is altijd een morele en culturele keuze”. (De sociale leer van de Kerk, “Sparen en consumptie”)

“Als de martelaar het hoogtepunt vormt van het getuigenis aan de morele deugd – waartoe relatief weinig personen geroepen zijn – dan bestaat er zeker ook een samenhangend getuigenis dat alle christenen dagelijks bereid moeten zijn af te leggen, zelfs tegen de prijs van lijden en harde opofferingen”. (Johannes Paulus II)

Die twee zinnen, die gemakkelijk uit het kader van de religie kunnen komen en als voorschriften voor elke militante ethiek kunnen dienen, tonen goed dat onze economische en dus beroepsmatige activiteit niet “neutraal” is of kan zijn.

De beroepen die wij uitoefenen, stellen op zijn minst in termen van bestede tijd een aanzienlijk deel van onze dagen voor. Hoe zouden wij iets anders kunnen zijn dan nutteloze huichelaars als die banen – door hun aard, hun uitdrukkingen en hun gevolgen – radicaal de engagementen en overtuigingen tegenspreken die wij – parallel – beweren te hebben? Wat anders dan belachelijke gesticulatie kan de antikapitalistische plaktocht of de bijeenkomst over sociale rechtvaardigheid van het weekeinde zijn, als we de rest van de week – meer dan 40 of 50 uur – de opgejaagde knecht zijn van het geldwezen of de reclame?

Er is geen politieke doeltreffendheid zonder persoonlijke samenhang.

“Men moet toch leven!”, roept het koor van de vermeende pragmatici. Zeker. Maar wie zal men doen geloven dat vandaag in Frankrijk het enige mogelijke alternatief is tussen de handelsschool en de zwarte ellende, de master in marketing en de goot, de concentratie in het bedrijfsleven en de woonwagen?

Zelfs als elke gesalarieerde activiteit in aanmerking komt voor een zeker aantal compromissen, bestaan er onweerlegbaar beroepen die – zonder absoluut waardig te zijn – niettemin fatsoenlijk blijven (onderwijs, onderzoek, ambachtschap, landbouw, individuele handel…). Andere, die actief deelnemen aan de verdediging en de versteviging van het systeem, zijn dan weer verwerpelijk door hun aard en kunnen worden gelijkgesteld aan collaboratiedaden (reclame, geldwezen, televisie, groothandel…).

Om duidelijk te zijn: men kan op een schone of op een vuile manier aan landbouw doen, maar men kan alleen maar op een vuile manier aan de “verkoop van mobiele telefonie” doen of aan de plaatsing van “consumptiekredieten”, aangezien het voorwerp zelf van de activiteit verachtelijk is.

En dat men vooral niet komt spreken over “entrisme”. Dat woord is uitgevonden om de zin voor het comfort en het verguldsel van het systeem te rechtvaardigen. Het heeft nooit andere resultaten gehad dan de ontwikkeling van het buikje van zijn pleitbezorgers.

Posted in zentropa | Getagged: , , , , , , , , , | Leave a Comment »

Derde weg!

Posted by drietand op 29 maart, 2008

De derde weg. De weg tussen liberalisme en marxisme. De weg tussen individualisme en collectivisme.

Die weg willen wij bewandelen, naar die weg willen wij zoeken. En dat is niet gemakkelijk. Het is immers veel éénvoudiger zich over te geven aan de luxe, de geneugtens van de consumptiemaatschappij dan konsekwent nationalistisch te denken en te handelen.

Solidarisme. Een nieuwe maatschappij die steunt op drie pijlers: solidariteit, subsidiariteit, tolerantie. Een maatschappij wars van liberaal of marxistisch materialisme. Een moeilijk te verwezenlijken ideaal. Het kommunisme immers steunt op de dictatuur van tanks en Stalin-orgels. Het kapitalisme steunt op de moeilijk te doorbreken traditie van de gevestigde wanorde. Beide materialistische, anorganische systemen.

Het solidarisme, dat is de derde weg. Maar niet alleen een derde weg naast twee systemen. Maar ook een weg naast de twee vertegenwoordigers van die systemen. De derde weg is immers voor alles een Europese weg. Wij vechten immers voor een vrij Europa, van Portugal tot de Oeral, waar “geen vreemden tot heersers” zijn. Geen vodka-cola Europa, maar een Europees Europa! Solidarisme is een Europese strijd. Een strijd voor onze eigenheid, voor onze ‘roots’. Het is dus een nationalistische strijd.

Revoluties. Echte revoluties die de hele samenleving veranderen zijn voor alles culturele revoluties. En zulke revoluties worden geschraagd door minderheden. En elk element van die minderheden heeft in zich een kleine revolutie uitgevochten.

Wens je de wereld te veranderen begin dan bij jezelf.

Uit: “De Vrijbuiter”, 1986.

Posted in citaten, links-rechts | Getagged: , , , , , , , , , , , , , , , | 1 Comment »

Comunità Solidarista Popoli

Posted by voorhoede op 4 januari, 2008

Posted in Uncategorized | Getagged: , , | Leave a Comment »

De wortels van het Solidarisme

Posted by drietand op 16 november, 2007

Inleiding

“Ik ben solidarist”. (Eerste minister Leo Tindemans, 13 december 1977, in de Kamer van volksvertegenwoordigers)

Aan het begin van de 21ste eeuw merken we meer en meer een diepgaande crisis in de Europese samenlevingen die overgeleverd worden aan een wild turbokapitalisme. Liberaliseringen, globalisering, herstructureringen, outsourcing, vrije handel, te hoge loonkosten, flexibiliteit,… Het zijn stuk voor stuk dogma’s waar de maatschappij dagelijks verder mee vergiftigd wordt tot iedereen concurrent is van iedereen, tot de happy few alle rijkdom in handen hebben ten koste van massale legers armen of werknemers die bij de minste tegenslag onder de armoedegrens tuimelen. Er is nochtans een andere weg, een alternatieve weg. Er is de weg van het solidarisme: de harmonie tussen het persoonlijke en het gemeenschappelijke.

Het solidarisme is gebaseerd op een respect voor alle levende wezens in een harmonieuze, organische inderdependentie. Dit omvat:
1. generationele solidariteit
2. streekgebonden en familiale solidariteit
3. solidariteit tussen gezonden en zieken
4. solidariteit tussen producenten en consumenten
5.solidariteit tussen werkgevers en werknemers
6. solidariteit tussen rijk en arm
7. solidariteit ten aanzien van het geheel van de biosfeer, de natuurlijke leefomgeving van het volk en de toekomstige generaties.

Solidarisme kan niet opgevat worden als een door het individu vrijwillig te aanvaarden of te kiezen houding. Dit zou in strijd zijn met de organische opvatting van de (volks-)gemeenschap en het weloverwogen evenwicht tussen individu en gemeenschap. Doel is een evenwicht tussen enerzijds de volledige ontplooiing en ontwikkeling van de individuele persoon en anderzijds de waarborg van welvaart en welzijn voor de ganse volksgemeenschap. De mens is van nature een sociaal wezen en de gemeenschap is een organisch geheel dat wortelt in die sociale natuur. In deze zin wordt het begrip solidarisme gebruikt. De delen van de kosmos moeten samenwerken en niet onderling strijden. Hierin ligt een welbegrepen interpretatie van sociaal-Darwinisme: samenwerking om tot betere resultaten te komen. De solidaire verbondenheid van mens en gemeenschap is de grondzuil van alle vormen van mens-zijn.

Adam Ferguson wees er in zijn ‘Essay on the History of Civil Society’ (1767) reeds op hoe door de differentiërende arbeidsverdeling een saamhorigheid of solidariteit tussen allen die met verschillende bekwaamheden en functies in het ene arbeidsproces betrokken zijn. De solidariteit als kernbegrip verwierf haar plaats in de sociologie door Emile Durkheim (1858-1917). Voorts is het solidariteitsbegrip schatplichtig in z’n ontwikkeling aan de socialistische theoreticus Pierre Leroux (1797-1871) die er een ethische betekenis aan meegaf. Daarnaast speelde ook de Franse economist Charles Gidé (1847-1932) een belangrijke rol omwille van zijn werk over de coöperatieve gedachte. In Frankrijk ontstond een solidaristische gemeenschapsleer, die tot aan de Eerste Wereldoorlog als het ware de mythe van de Derde Republiek is geweest, de voornaamste woordvoerder ervan was Léon Bourgeois.

Economie en gemeenschap

De feitelijke greep van grote ondernemingen op de nationale en internationale markt, de invloed van het binnenlands en het buitenlands grootkapitaal op de ontwikkeling van onze materiële welvaart valt nauwelijks te overschatten. De politieke wereld is machteloos en heeft zich sinds 30 jaar uitgeleverd aan de neoliberale ideologie en haar dogma’s. Financiële machtsconcentraties worden bevorderd of gesteund. Er is de bijna éénzijdige dienstbaarheid van de gemeenschap die het bedrijfsleven geld, infrastructuur en scholing ter beschikking stelt zonder voldoende waarborgen voor wederdiensten op lange termijn, enz… Het zijn allen aspecten van een scheef- en dooreengegroeide private economische macht en het algemeen welzijn. De staat krijgt enkel nog de taken toebedeeld die de vrije kapitalistische markt niet kan of niet wil op zich nemen, en wordt als een lastpost beschouwd. De gemeenschap wordt hier als dienstbaar gehouden aan private economische belangen. Het solidarisme stelt dat het net andersom moet zijn.

Onze materiële welvaart is uitgegroeid tot een allesoverheersende woekerplant die al het overige, het spirituele, al het menselijke dreigt te vernietigen. De voorrang van het materiële wordt daarenboven in de hand gewerkt door de feitelijke macht van kapitaal en industrie op de ontwikkeling van onze stoffelijke welvaart en zelfs op de samenstelling van ons cultuurpatroon. De staat en de politici in de liberaal-democratuur dienen in hun beleid de financiële noden van het grootkapitaal en houdt slechts in bijkomende mate (en steeds minder) rekening met sociale, culturele en ecologische waarden. Voor het solidarisme dient –vanuit een solidaristisch mensbeeld- steeds het spirituele en geestelijke voorrang te krijgen op het stoffelijke. De staat heeft als geheel van gezagsorganen een dienende rol ten aanzien van de enkeling wiens levensopgave het is zichzelf te verwezenlijken in een op de anderen gerichte solidariteit.

De rol van de staat

Welke rol speelt de staat in een solidaristische maatschappij? De staat is de ordende macht en heeft als taak het algemeen welzijn te bevorderen. Hieruit volgt logischerwijs dat de staat geen buit mag zijn die verdeeld wordt tussen machts- en belangengroepen. Om dit te verhinderen is een sterke staat nodig. Om het algemeen welzijn te bevorderen moet de staat rechtszekerheid bieden, orde en gerechtigheid doen heersen. De liberale minimale staat ( de “nachtwakersstaat”) schiet in z’n opdracht ernstig te kort omdat hij de zwakkeren en de armen in feite zonder bescherming overlevert aan de willekeur van de machtigen en de rijken. Het algemeen welzijn kan dan ook slechts bevorderd worden indien de staat over de mogelijkheden beschikt om de openbare zedelijkheid strak in de hand te houden en individuele ontsporingen krachtdadig kan bijsturen, en daarenboven een rechtvaardige verdeling van de aardse goederen nastreeft. Er is in een gemeenschap geen sprake van algemeen welzijn indien corruptie, geweld, ontucht, parasitisme, uitbuiting,… ongemoeid worden gelaten. In het begin van de 21ste eeuw zien we dat de staat en z’n macht uitgehold worden. Het recht van de sterkste neemt dan ook toe, net als de gevallen van corruptie, uitbuiting, geweld,…

De staat kan het algemeen welzijn niet bevorderen via rechtszekerheid en zedelijkheid indien er gelijktijdig geen rechtvaardige verdeling onder alle gemeenschapsleden gezorgd wordt van een zo groot mogelijke welvaart. Deze welvaart omvat veel: kennis en cultuur, openbare en particuliere gezondheid, materiële rijkdom. Materiële zorgen zijn overigens een beletsel voor deugd en cultuur. Daarom is het één van de belangrijkste taken van de overheid om het particulier initiatief op dit terrein nauwkeurig te volgen en in te grijpen telkens aan de vereisten van het algemeen welzijn in de reeds beschreven betekenis niet wordt voldaan.

De solidaristische sociale ethiek

Uitgangspunt van het solidarisme is de mens niet als een op zichzelf levend individu, geen enkeling die slechts onderdeel is van een groter geheeld, maar wel de mens als persoon die “ik” en “wij” tegelijk is en de taak heeft zichzelf te verwezenlijken in een leven dat gericht is op de vreugde en de noden van anderen. Het solidarisme tracht welvaart en échte vrijheid tot stand te brengen door een beroep te doen op de volledige mens. Daarin ligt precies de ethische waarde ervan.

Geen enkele maatschappij, en zeker niet deze van de 21ste eeuw, kan bestaan zonder een vorm van structuur en organisatie. Onderwerping aan een stel wetten en reglementen zijn noodzakelijk om een stabiel leven te kunnen leiden. Het dwingend karakter hiervan is een gevolg van de menselijke natuur die de neiging heeft het laken eerst en vooral naar zich toe te willen halen, eventueel ten koste van de rechten van anderen. Persoonlijke vrijheid wordt niet enkel begrensd door de vrijheid van anderen, ze wordt er ook door bedreigd. Een hoogontwikkelde maatschappij zoals waarin we nu leven kan niet bestaan zonder dit arsenaal aan wetten, reglementen, besluiten,… met een dwingend karakter en een Staat die ze afdwingbaar kan maken als instelling. Deze dwingende maatschappij is evenwel niet de enige oorzaak van ongenoegen, verbittering en verzet. Veel meer leed en ellende werd veroorzaakt door ideologieën die de bevolking verleidden met onrealistische of verouderde theorieën. De twee meest karakteristieke voorbeelden zijn het marxistisch collectivisme en het liberaal kapitalisme.

Marxistische regimes steunen op de tanks en bajonetten terwijl kapitalistische regimes vooral steunen op een niet licht te doorbreken traditie van de gevestigde orde (die altijd een min of meer structureel geweld inhoudt) waardoor een minderheid de gang van zaken blijft bepalen, desnoods tegen de wil in van de meerderheid. De voornaamste gelijkenis tussen het marxistische communisme en het liberale kapitalisme is de vervreemding waartoe ze burgers brengen. In het liberaal-kapitalisme vervreemdt de burger van zijn werk, hij werkt niet meer voor zichzelf noch voor de zijnen, noch voor z’n volk. Hij werkt in de eerste plaats voor het systeem en de kapitaalbezitters. Door de hiërarchische opvattingen en structuren ontstaat een apathie, hij draagt weinig verantwoordelijkheid –het wordt hem geweigerd- en uiteindelijk stelt hij er ook geen belang meer in.

Het liberaal-kapitalisme voldoet niet meer aan de sociaal-ethische eisen die aan een hoogontwikkelde maatschappij in de 21ste eeuw kunnen en moeten gesteld worden. De individualistische maatschappijopvatting die eraan ten gronde ligt moeten we afwijzen als verouderd en ethisch verwerpelijk. Het filosofisch individualisme ontkent het werkelijke bestaan en de innerlijke samenhang van de gemeenschap. De maatschappij zou dan een slechts de som zijn van enkelingen die samenwerken op grond van nuttigheidsoverwegingen. Zelfs los van ethisch-filosofische overwegingen moet men vaststellen dat het individualisme niet heeft geleid tot een evenwichtige maatschappij waarin iedereen ten volle meetelt. Zonder de correcties die de arbeidersbeweging heeft aangebracht aan het kapitalisme, zou het resultaat enkel maar een junglemaatschappij zijn geweest waar het recht van de sterkste geldt. In de praktijk zou dit betekenen dat een minderheid profiteert van de inspanningen en het leed van een meerderheid.

Op sociaal-ethische gronden moeten we de liberaal-kapitalistische weg volledig afwijzen als onbruikbaar om een rechtvaardige maatschappij tot stand te brengen. Gelijke rechten en gelijke kansen tot ontwikkeling van ieders persoonlijke mogelijkheden zijn onbestaande, evenals de gelijke toegang tot welvaart en cultuur. De 19de eeuw betekende de opkomst van het moderne industriële kapitalisme en het onstaan van de marxistische tegenreactie. De 20ste eeuw heeft het marxisme de doodsteek bezorgd en heeft via sociaal-democratische weg correcties trachten aan te brengen in het kapitalistisch systeem. Deze komen meer en meer onder druk te staan in het begin van de 21ste eeuw. Het neocorporatistisch model dat na de Tweede Wereldoorlog in West-Europa ontstond, heeft nooit kunnen verhelpen dat de sociale politiek enkel op overwegingen van eigenbelang steunde. Men verleende tegemoetkomingen om de arbeiders uit de handen van de marxisten te houden. De samenwerking en het overleg was steeds duidelijk een dienst aan het wederzijds eigenbelang want steeds bleef men dezelfde vijandige broers. Het spreekt vanzelf dat dit evenmin overeenkomt met het begrip solidariteit in z’n solidaristische betekenis.

De solidariteitsgedachte is zowel in het liberaal-kapitalisme als in het marxisme een karikatuur gebleken: gegrondvest op een louter utilitaristische basis ten bate van het individu in de eerste en de ondergeschiktheid aan een verstikkend collectivisme in de tweede, kon en kan geen echte wisselwerking ontstaan tussen persoon, gemeenschap en maatschappij en kan derhalve geen ethische gemeenschap groeien. Beide stelsels voegen bij het keurslijf van een dwingende maatschappij de dwang van een niet-menselijke ideologie. Van werkelijke sociale ethiek is hier dan ook geen sprake. De solidaristische ethiek daarentegen betekent dat iedereen de gelegenheid krijgt zichzelf te verwezenlijken om als persoon tot maximale ontplooiing te komen. Hiertoe is het subsidiariteistbeginsel noodzakelijk. Het solidarisme is gebaseerd op een ethisch gemeenschapsstreven, dat niet op eigen voordeel uit is, maar ontstaat uit bezorgdheid om het welzijn van de anderen in het kader van het algemeen belang.

Wat betekent dit algemeen belang? Het gaat hier in de eerste plaats om een algemeen welzijn, die dus ruimer is dan de materiële welvaart. Het is een samenspel van materiële, culturele en ethische waarden, die door wederzijdse hulp van allen tot stand moet komen en die de persoonlijke vervolmaking van iedereen moeglijk moeten maken, waarbij individuele personen niet als geïsoleerde wezens maar wel als eng verbonden met de volksgemeenschap beschouwd dienen te worden. Dit moet uitmonden in een ethisch gemeenschapsgevoel, dat zal ontstaan wanneer iedereen zichzelf als persoon wil verwezenlijken in een leven voor de anderen. Dat een sterke staat hierbij ontsporingen vanwege de menselijke natuur bij individuen moet kunnen bijsturen is evident. Het hogere heeft evenwel steeds een aanvullende rol ten overstaan van het hiërarchisch ondergeschikte. Wat een persoon tot stand kan brengen, hoeft de gemeenschap niet in zijn plaats te doen.

Solidarisme en het katholiek sociaal gedachtengoed

We zullen ons hier beperken tot een toelichting over Heinrich Pesch en de encyclieken Rerum Novarum (1891), Quadragesima Anno (1931), de encyclieken Mater et Magistra (1961) en Populorum Progressio (1967) zijn van minder belang. De twee eerst genoemde zijn belangrijk geweest voor de ontwikkeling van het katholiek sociaal denken en voor de katholieke arbeidersbeweging. Ook priester Daens deed bijvoorbeeld beroep op Rerum Novarum. Het solidarisme tussen de twee wereldoorlogen was christelijk geïnspireerd. Het christelijke solidarisme start in 1854 met de sociale theorie die ontwikkeld werd door de jezuïet Heinrich Pesch, weergegeven in zijn werk ‘Liberalismus, Sozialismus und christliche Gesellschaftsordnung’ (Freiburg, 1896-1899,2dl). Z’n belangrijkste werk was ‘Lehrbuch der Nationalökonomie’ (Freiburg, 1905-1923, 5dl). Daarin brengt hij een afgeronde economische theorie, gebaseerd op een thomistische wijsbegeerte. Hij overleed in 1926 te Valkenburg, de nationaal-socialisten vernietigden zijn graf en z’n bibliotheek / archief. Hij had een zeer grote invloed op de pauselijke verklaringen omtrent de sociale kwesties alsook op de praktische programma’s van de West-Europese christen-democratie. Het werk van pesch werd voortgezet door de jezuïet Gustav Gundlach, die in hoog aanzien stond bij paus Pius XII en diens radiotoespraken mee beïnvloedde.

Pesch lag aan de basis van wat we een solidaristische school kunnen noemen die een sterke invloed had op de ontwikkeling van de kerkelijke sociale leer. In Duitsland behoorden tot de school oa: Oswald von Nell-Breuning, Gustav Gundlach, Wilhelm Schwer, Theodor Brauer, Goetz Briefs, Mgr. Joseph van der Velden, Paul Jostock,… In Vlaanderen was er een belangrijke invloed van het denken van Pesch te merken. Op de ACV-congressen in de jaren ’20 en ’30 werd meermaals naar Pesch verwezen alsook naar het Quadragesimo Anno, hoewel men aan katholieke zijde niet snel geneigd was het solidarisme te koppelen aan het corporatisme. Aan Vlaams-nationalistische zijde daarentegen werd het solidarisme wel gekoppeld aan corporatisme alhoewel klemtonen konden verschillen naargelang personen en organisaties. Het Verdinaso noemde zich uitdrukkelijk nationaal-solidaristisch, het VNV sprak van organisch-solidarisme en soms ook nationaal-solidarisme. Daarnaast verdedigden tal van bladen solidaristische visies en standpunten, waaronder het weekblad ‘Jong Dietsland’ met oa Victor Leemans, Odiel Spruytte, Ernest van der Hallen en het magazine ‘Dietbrand’ van Wies Moens.

De gelijkstelling solidarisme – corporatisme – fascisme zou na de Tweede Wereldoorlog een belangrijke hindernis zijn voor een heropleving van de solidaristische visie. Maar het gebeurde toch. In 1947 richtten Herman Todts en Frans van Mechelen (later BGJG-voorzitter) de Solidaristische Beweging op met als blad ‘Branding’, waaraan Manu Ruys meewerkte. In de allereerste Volksunie was er een stevige solidaristische inslag via mensen als Jules de Clercq, Wim Jorissen en Herman Todts. In 1967 stichtte het latere VU-parlementslid Joos Somers de Actiegroepen voor Democratisch Solidarisme, met als orgaan ‘De Nieuwe Weg’. Voorts bleven oud-Dinaso’s actief en als enigen bleven zij na 1945 vasthouden aan de corporatistische verbinding, bijvoorbeeld in de kring rond Maarten van Nierop die sinds 1969 het blad ‘Vrij Dietsland’ uitgaf, drie jaar later vervangen door ‘Speerpunt’. In 1970 had van Nierop de Dietse Solidaristische Beweging gesticht en korte tijd later ook het Verbond van Solidaristische Militanten.

De leer over privé-eigendom ontstond in de negentiende eeuw die werd gekenmerkt door zowel proletarische ellende als kapitalistische verwording. De katholieke kerk trachtte deze te overwinnen vanuit motieven als zielszorg, zelfbehoud en verantwoordelijkheidsbesef. In Rerum Novarum wordt door paus Leo XIII een pleidooi gevoerd voor een rechtvaardig arbeidersloon en wordt het eigendomsrecht verdedigd. Privé-eigendom is een natuurrecht, en wel om de volgende vier redenen: ten eerste omwille van de redelijke natuur van de mens (waardoor denken aan de toekomst mogelijk is), ten tweede door het recht op de vruchten van zijn arbeid, ten derde wordt verwezen naar het feit dat alle volkeren dit recht kennen en tenslotte is het voor het gezinshoofd belangrijk om zijn familie te kunnen voeden en om zijn kinderen iets te kunnen nalaten.

In het Quadragesimo Anno van paus Pius XI komen twee stellingen terug die betrekking hebben op de eigendomsleer.
* Over het dubbel karakter van het eigendomsrecht: deze is verschillend naar gelang het gaat om individuele belangen (het recht verbonden aan het zorgen voor zichzelf en het gezin) dan wel het algemeen belang (met betrekking tot de goederen die “door de Schepper” voor de gehele mensheid zijn bestemd).
* Over de bevoegdheid van de overheid inzake het particulier eigendom: in het kader van het privé-eigendom moet dus rekening gewonden met het eigen en het algemeen belang. Het is de staat die bevoegd is om in te grijpen om dit algemeen belang te garanderen alsook om te omschrijven wat de verplichtingen zijn t.a.v. het algemeen belang. De staat mag echter niet willekeurig te werk gaan en zijn bevoegdheid wordt beperkt door de natuurlijke rechten op privé-eigendom.

Verlossing uit het proletariaat

De katholieke sociale gedachte heeft in de slagzin ‘verlossing uit het proletariaat’ duidelijk weten te maken dat het haar niet ontbreekt aan menselijke bewogenheid en sociaal pathos. Na 1891 veranderde er veel, zowel in de structuur van de westerse maatschappij als in de positie van het proletariaat. Deze ontwikkeling werkte door in de katholieke leer.In de tijd dat Quadragesimo Anno verscheen (1931), werd de situatie van het proletariaat door het volgende gekenmerkt:

à Objectieve kenmerken:
* De bezitsloosheid en het geringe inkomen waardoor de arbeider gedwongen werd om op de arbeidsmarkt per contract zijn arbeidskracht te verkopen, wat hem in een situatie van aanhoudende dreiging van bestaansonzekerheid dwingt.
* De afhankelijkheid van de arbeider als gevolg van de bezitsloosheid en de positie op de arbeidsmarkt, zowel met betrekking tot aanneming en ontslag alsook binnen het bedrijf in verband met arbeidsdeling, mechanisatie en rationalisatie.

Quadragesimo Anno ziet een aantal mogelijke oplossingen voor deze problemen:
* Bestaanszekerheid door aandeel in het bezit. De arbeider moet een eigen huis, een spaarbankboekje en een aandeel in de bedrijfswinst met op termijn aandeelhoudersrechten hebben, om zijn gezin te kunnen onderhouden en zijn kinderen iets te kunnen nalaten.
* Bestrijding van de armoede door werkloosheid via verschaffen van werkgelegenheid.
* Ontwikkeling van het arbeidsrecht om zekerheid te verschaffen met een arbeidscontract (op collectieve basis).
* Medezeggenschap in de bedrijven (dit als praktische eis en principiële beschouwingswijze: arbeid niet als doel maar als middel in de eeuwige bestemming).
* Uitbouw van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie.

à Subjectieve kenmerken:
* Het proletarische ressentiment: wrok tegenover zijn maatschappelijke situatie van afhankelijkheid, bestaansonzekerheid en onmondigheid, tegenover het als minderwaardig beschouwd worden alsook tegenover het als nummer behandeld worden.
* Het bewustzijn van de arbeiders: de wrok omgezet in een strijdbare wil om de eigen situatie en de maatschappij waar zij een gevolg van was te veranderen (de christelijke sociale leer moet deze strijdbaarheid leiding geven).

Hier ziet het Quadragesimo Anno de oplossing in sociaal-pedagogische en culturele arbeid: de arbeider moet deel krijgen aan de cultuur.

N.b. het uitgangspunt dat geldt voor alle sociale, politieke en culturele problemen is vanuit godsdienstig gezichtspunt: de mens is een schepsel Gods, dus tot persoonlijk leven geschapen. Zijn bestemming ligt in de bovennatuur (de hemelse zaligheid) en heel het aardse natuurlijke leven wordt geleid door die bovennatuur.

Het solidarisme heeft in het kader van de katholieke sociale leer een metafysisch-religieuze oorsprong en achtergrond. In dit kader wordt gesproken van een solidaristische wereldbeschouwing, in die zin dat het niet zozeer op subjectieve gevoelens berust, maar een objectief stelsel wil zijn dat niet alleen voor katholieke maar voor alle mensen met gezond verstand aanvaardbaar wordt geacht. In de encyclieken wordt niet zozeer over solidarisme gesproken, maar wel over de verhouding tussen kapitaal en arbeid.

Volgens paus Leo XIII (Rerum Novarum) komt de rijkdom der staten uit niets anders voort dan uit de werkzaamheid der arbeiders. De voorwaarden voor alle goederenproduktie zijn de natuur met haar schatten en het natuurrecht van het privé-eigendom. Hieruit zou kunnen volgen dat arbeidsloos inkomen (rentenieren) moreel veroordeeld moet worden, maar dit vindt de paus niet. Integendeel, de arbeidsprestatie van de een en het kapitaal van de ander moeten samenwerken. Deze samenwerking moet onder de norm der sociale rechtvaardigheid verlopen, en niet alleen tussen individuen plaatsvinden maar vooral tussen sociale groepen. Dit houdt dus niet zozeer een afwijzing van het kapitalistische stelsel in, maar wel een afwijzing van zijn uitwassen. Uit het aansporen tot samenwerking tussen kapitaal en arbeid volgt ook een expliciete afwijzing van de klassenstrijd.

De verhouding solidarisme – corporatisme

De ervaring heeft geleerd dat zowel voor- als tegenstanders nood hebben aan enige klaarheid omtrent de verhouding solidarisme – corporatisme. Het corporatisme is een bijzondere vorm van het subsidiarisme, maar het is er niet de enige vorm van. Solidarisme veronderstelt geenszins dus automatisch ook corporatisme. Men kan het subsidiariteitsbeginsel ook onder andere vormen ten uitvoer brengen. Zie hierover: Georg Wildmann, ‘Personalismus, Solidarismus und Gesellschaft’, p.127 alsook Anton Rauscher, ‘Subsidiaritätsprinzip und berufsständische Ordnung’, p.139 Quadragessimo Anno sprak zich uitdrukkelijk uit pro corporatisme. Ook Pesch maakte die verbinding, maar dat is zeker niet noodzakelijk om van solidarisme te kunnen spreken.

Corporatieve ordening

Quadragesimo Anno stelt dat het principe van corporatieve ordening moet worden uitgewerkt in een maatschappelijke organisatie die de klassenstrijd uitschakelt. De corporaties worden bedoeld als bedrijfs- en beroepsgroepen, waarbij mensen niet ingedeeld worden volgens de plaats die zij op de arbeidsmarkt innemen, maar volgens de verschillende functies die ze verrichten. Een corporatie is een gemeenschap: een organisatie op basis van onderlinge verbondenheid of gemeenschapsgevoel en de leden behoren het belang van de gehele bedrijfstak voor ogen te houden. (Aanvankelijk was er onder de katholieken een vrij sterke stroming die deze corporatieve ordening niet alleen op het economisch leven maar ook op het politieke leven wou toepassen.)

Daarnaast hangt de katholieke kerk ook het beginsel der subsidiariteit aan: datgene wat door lagere gemeenschappen van ondergeschikte rang kan worden verricht moet aan hun worden toegekend; het staatsgezag moet datgene op zich nemen wat deze kleineren niet kunnen en de staat waakt in het algemeen belang voor ontoelaatbare grensoverschrijding van de lagere gemeenschappen.

In Mater et Magistra wordt ook aandacht geschonken aan de socialisering van het privé-eigendom: privé-eigendom als aspect van persoonlijke ontplooiing maar ook als aspect van een goed geordende samenleving. Daarnaast moet er in het kader van het eisen van een rechtvaardig loon aandacht worden geschonken aan betaling naar behoefte en prestatie maar ook aan de nationale economie. Nieuw in deze encycliek is vooral dat er wordt ingegaan op vraagstukken m.b.t. de verhouding tussen productiesectoren (denk aan het afnemend belang van de landbouw) en de problemen van de ontwikkelingslanden. In deze encycliek wordt ook staatstussenkomst met sociale en economische zaken verdedigd alsook wordt er met nadruk gepleit voor een samenwerking op velerlei gebied tussen katholieken en niet-katholieken.

Eigendom

De solidaristische visie op eigendom vindt haar oorsprong in de visie op de totale mens en het natuurrecht. Ook hier geldt dat de mens als levenstaak heeft zichzelf te verwezenlijken in een bestaan dat gericht is op de noden van anderen. Het solidarisme verdedigt dan ook zeer duidelijk het recht op private eigendom voor zowel verbruiksgoederen als productiegoederen. Dit recht op privaat bezit stamt uit het natuurrecht. Elke mens is gerechtigd om aardse goederen in volle persoonlijke eigendom te verwerven. Welke concrete vormen dit eigendomsrecht in de praktijk aanneemt, is van secundair belang. Van wezenlijk belang is, dat het persoonlijk recht om eigendom te verwerven en te behouden onaantastbaar is. Het eigendomsrecht bevat naast het recht op verbruiksgoederen dus ook het recht om productiegoederen in eigen bezit te hebben. Dit draagt bij aan de waarborg van recht op bestaanszekerheid alsook het recht op arbeid.

Recht op private eigendom is evenwel geen absoluut of onbelast recht. Vanuit solidaristisch oogpunt bestaat er immers geen absoluut en plichten-vrij eigendomsrecht. Bezit is nooit en nergens het hoogste doel van de mens. Niet enkel is eigendom geen doel op zichzelf, het mag ook geen middel zijn tot uitsluitend persoonlijke voldoening. Heinrich Pesch verwoordde private eigendom als volgt: “(…)in wezen een middel om op geordende wijze en in dienst van het individueel, het familiaal en het nationaal welzijn, het bestaan van de mensen veilig te stellen.” Dit stelt dus grenzen aan het verwerven en gebruiken van eigendom. Rechten en plichten maken hier een onscheidbaar geheel. De solidariteitsgedachte leert dat niemand eigendom uitsluitend voor zichzelf kan hebben, vooral niet wanneer hij over meer beschikt dan strikt gesproken noodzakelijk is voor hemzelf en de zijnen. Zoals iedereen tot plicht heeft zichzelf en zijn talenten ten dienste van anderen te stellen, zo ook rust op iedereen de sociale plicht om zijn bezit zoveel mogelijk als gemeenschapsgoed te beschouwen. Zodoende zal bezit niet verworden tot macht over anderen, maar strekken tot hulp en bijstand, tot aanvulling van wat anderen niet hebben. Eigendom is dienst! Dienst aan elke mens afzonderlijk, dienst aan de gemeenschap in haar geheel.

De bedrijfsgemeenschap

Werknemers staan ongeveer de helft van hun bewust-beleefde uren af aan hun werkgever. De avonduren, weekends (of vervangdagen) hebben ze voor zichzelf. Voor de rest zijn ze werknemer waarbij hij/zij in afhankelijkheid leeft van derden. Uiteraard beschermd door allerlei wetten en reglementen, maar nog steeds in afhankelijkheid. Werkgevers kopen tegen een bepaald bedrag per uur / maand de lichamelijke en/of intellectuele bekwaamheden van hun personeel. Het arbeidscontract is dan ook in wezen een koopcontract. De mens staat NIET in het contract, aan de ene kant staat de koper en aan de andere kant de dagloner, poetsvrouw, leraar, ingenieur, metselaar, chauffeur,… Dit soort arbeidscontract wordt vanuit een solidaristische opvatting over de mens als persoon onvoorwaardelijk verworpen!

De beginselen waarop hedendaagse arbeidscontracten steunen, stammen uit het verleden, uit de vorige eeuw. Het verkeerde eraan is dat men menselijke arbeid rangschikt onder de louter economische objecten die bijgevolg onderwerp kunnen zijn van louter koop- of huurcontracten. Dergelijke contracten bestaan uit een partij die het kapitaal aanbrengt en een andere partij die handen- en/of geestesarbeid aanbrengt. Het tot stand komen van deze transacties zijn gebaseerd op vraag en aanbod, de kopende partij tracht dan ook de laagst mogelijke prijs te bekomen waartegen het goed op de markt te verkrijgen is. De werkgever wordt steeds beschouwd als de koper of huurder en hij bepaalt dus wat hij wil hebben en geven. De partijen zijn in realiteit dus niet gelijk. Voorts wordt die ongelijkheid nog versterkt door het economisch overwicht van de werkgever. Doorheen de decennia in de 20ste eeuw werd voor de werknemers heel wat ten gunste gewijzigd, maar de grondhouding is nog steeds dezelfde zoals eerder geschetst. En net die grondhouding is vanuit solidaristische oogpunt verwerpelijk. Hierin is het solidarisme zondermeer revolutionair.

Er dient te worden uitgegaan van de volledige mens, de unieke vervlechting van geest en stof, van ik-gerichtheid en wij-gerichtheid. “Zijn” en “handelen” zijn in elke menselijke activiteit onafscheidelijk! Menselijke arbeid is nooit los te maken van de menselijke persoon en blijft daarom steeds delen in de waardigheid die aan de menselijke persoon eigen is. Menselijke arbeid kan nooit koopwaar zijn omdat hij als onafscheidelijk verbonden met de menselijke persoon steeds van hogere orde blijft! Het arbeidscontract dient dan ook een contract te zijn met een heel eigen karakter, op menselijk niveau en niet louter uit de economische sfeer. Het resultaat van deze moet het samengaan en samenwerken zijn van gelijkwaardige partners in het bedrijf, dat zodoende een werkelijke “bedrijfsgemeenschap” zal kunnen zijn. De solidaristische bedrijfsgemeenschap is onverenigbaar met de “dienstverhuring” van werknemer tegenover werkgever. Deze dienstverhuring belet immers dat een bedrijf wordt wat het zou moeten zijn: een menselijke gemeenschap waarin de arbeid bijdraagt én tot de verrijking van iedere persoonlijkheid én tot de bloei van de hele onderneming als onderdeel van de volksnationale economie. Dit betekent geenszins dat iedereen in een onderneming elkaars gelijken zouden zijn, het is en blijft een organisatie en dus is een hiërarchische structuur nodig om efficiënt te kunnen werken.

De bestaande ondernemingsstructuur wordt niet enkel verworpen omwille van het solidaristisch mensbeeld maar ook vanwege de solidaristische visie op eigendom. Eigendom is zoals eerder gesteld geen absoluut en onbelast recht. Niemand kan eigendom uitsluitend voor zichzelf hebben. Wat men is, is men immers ook voor de anderen. Wat men kan, kan men ook voor de anderen. Wat men heeft, heeft men ook voor de anderen. Op iedereen rust de sociale plicht zijn bezit, waar mogelijk, als gemeenschapsgoed te aanzien. Deze plicht geldt ook voor de eigenaars van de ondernemingen. Zij moeten hun eigendommen zodanig aanwenden dat dat de algemene welvaart van de volksgemeenschap, én bovendien hun eigendommen zodanig beheren dat de persoonlijkheid van de werknemers er tot ontplooiing in kan komen. En dat kan enkel als arbeid en kapitaal beschouwd worden als de gezamenlijke inbreng in iets –het bedrijf- dat dus ook gezamenlijk dient beheerd en uitgebouwd te worden! Eigendom en kapitaal-bezit is geen rechtvaardigingsgrond voor macht over anderen, er is geen enkele grond aanwezig om te stellen dat kapitaal macht zou geven over wie slechts z’n arbeid inbrengt. Rijkdom verwerven op basis van andermans inspanningen heeft nooit een rechtvaardigingsgrond. Deze visie brent evenwel op geen enkel moment in het gedrang dat een rechtvaardige vergoeding voor genomen risico’s nodig is.

Economische planning: een noodzaak!

We leven in een vanuit industrieel en commercieel oogpunt hoogontwikkelde maatschappij. De materiële kanten van onze welvaart overwoekeren de geestelijke inhoud ervan. De materiële welvaart is uitgegroeid tot een alles overheersende woekerplant die al het overige, al het geestelijke en menselijke dreigt te verstikken. De voorrang van het materiële wordt versterkt door de macht van kapitaal en industrie op de ontwikkeling van onze stoffelijke welvaart en zelfs de samenstelling van ons cultuurpatroon. De hedendaagse overheid richt haar beleid in de liberale maatschappij dan ook op de financiële noden van het grootkapitaal en houdt slechts in bijkomende en beperkte mate rekening met sociale en culturele waarden. Dit is in absolute tegenspraak met de solidaristische visie die een voorrang wil zien van het geestelijke en het menselijke op het stoffelijke en het bijkomstige. De wildgroei van de roofdierkapitalistische economie buiten de controle van de overheid moet dan ook vervangen worden door een gepland economisch beleid als onderdeel van het algemeen politiek beleid van de gemeenschap in de haar toegeëigende organen.

De vraag is dan: welke planeconomie willen we? We verwerpen de kapitalistische uitbuitingseconomie maar evenzeer de centraal-geleide planeconomie naar marxistisch model. De planning moet aan een aantal voorwaarden voldoen:

1. Het plan moet imperatief zijn, d.w.z. bindend voor alle personen, ondernemingen, overheidsinstellingen,… die erbij betrokken zijn.
2. De vastgelegde opties en beleidskeuzes in het plan moeten het weten en willen weerspiegelen van minstens een meerderheid van alle betrokkenen. De besluitvorming moet gebeuren via inspraak en raadpleging van iedereen die nadien betrokken is bij de uitvoering van de genomen beslissingen of er de gevolgen van zal ondergaan.
3. De keuzes en opties in het plan mogen niet in tegenspraak zijn met andere, meer fundamentele beginselen van het solidarisme en de gemeenschapsopbouw: geen bedreiging van de privé-eigendom, eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel.
4. Een planning moet steeds het algemeen belang dienen. Meer welvaart vandaag en morgen voor iedereen. De overheid moet het evenwicht tussen de pressie- en belangengroepen garanderen.

In dezelfde geest moeten we benadrukken dat het aan de gemeenschap toekomt om de elementaire nutsvoorzieningen te verschaffen aan de bevolking. Het kan geenszins de bedoeling zijn om private winst na te streven op de gas- en electricteitsvoorziening, op de drinkwaterverdeling,… Nationalisatie van deze bedrijven dringt zich dan ook op. De staat moet hier via een verstandig beleid een financiële break-even situatie nastreven waarbij de dienstlevering aan de bevolking steeds op de eerste plaats komt. Het is ondertussen voldoende gebleken dat liberalisering en “ont-staatsen” van de nutssectoren geenszins leidt tot betere en goedkopere dienstverlening, wel integendeel.

Leon Bourgeois

“(…) la notion d’un devoir à observer par tout homme vis-à-vis de ses semblables”.

Eén van de belangrijkste theoretici van het solidarisme was ongetwijfeld de Franse politicus, vrijmetselaar en nobelprijswinnaar Leon Bourgeois. In 1896 publiceerde hij een reeks artikels in ‘La Nouvelle Revue’ die hij nadien bundelde in zijn werk ‘La Solidarité’. Hij volmaakte dit werk in 1902-1903 met ‘Esquisse d’une philosophie de la solidarité’ en ‘Applications sociales de la solidarité’ (een oeuvre van debatverslagen aan de School voor Hogere Sociale Studies). Deze drie werken vormen de basis van zijn visie op solidarisme. Bourgeois ging ervan uit dat er onvermijdelijke en noodzakelijke solidariteiten bestaan als gevolg van de arbeidsdeling, erfelijkheid, geschiedenis, wat ertoe leidt dat iedereen afhankelijk is van anderen zowel in het verleden als in het heden en meer in het algemeen van de maatschappij die ze vormen. Hij zei daarover: “L’homme ne devient pas seulement au cours de sa vie débiteur de ses contemporains ; dès sa naissance, il est un obligé. L’homme naît débiteur de l’association humaine.” Dit idee van de “sociale schuld” maakte de hoeksteen uit van zijn solidarisme. Bijgevolg moesten op sociaal vlak allerlei initiatieven dit idee van de “sociale schuld” weerspiegelen, oa via gratis onderwijs in alle graden en niveaus omdat kennis een collectief geod is waar iedereen toegang tot verdient, voorts een bestaansminimum voor iedereen en een bescherming tegen risisco’s in het leven op basis van werderkerigheid. Voor Bourgeois werd dit alles in een gelaïciseerde moraal geplaatst die de vrijheid voor alle personen moest garanderen die de nationale gemeenschap vormden.

Het denken van Bourgeois, en dus ook zijn visie op solidarisme, was uitdrukkelijk rationalistisch, positivistisch, wetenschappelijk getint en kadert eveneens in de rijke Franse socialistische traditie waar het marxisme niet steeds zondermeer aanvaard werd. Leon Bourgeois schreef : “Le bonheur, le mieux-être ne seront pas réalisés par les lois mais par la science, c’est d’elle qu’il faut attendre et espérer l’accroissement du bonheur ; C’est elle la grande révolutionnaire dont la marche est si ardue et si rapide que l’utopie d’aujourd’hui sera la réalité de demain.” Voor hem was de sociale kwestie een mogelijk onderwerp voor wetenschap, zonder er het denken en de Wil van een persoon te willen ontkennen of onderschatten. Bourgeois vond het individualisme voorbijgestreefd en nefast. Tegenover de leer van Rousseau (contrat social) stelt Bourgeois een organische visie, de “achteraf gesloten overeenkomst” tussen de mensen, daar waar ze spontaan met elkaar in relatie treden of samenwerken, zonder dat vooraf de “voorwaarden” werden overeengekomen. Die “voorwaarden” zijn immers in cultuur en gebruiken impliciet aanwezige afspraken.

Ondanks de biologische structuur van de maatschappij, speelt de Wil een fundamentele en essentiële rol. Zo ontstaat er een wisselwerking tussen de mens en zijn milieu waarbij de ene de andere limiteert. Bourgeois verklaart: “j’ai dit et répété assez souvent que je ne prétends point niveler les conditions. Je me borne à réclamer la suppression de l’inégalité et de l’injustice d’autant qu’elles sont l’œuvre des hommes eux-mêmes. Les inégalités fatales de la nature suffiront toujours à rendre impossible le nivellement que certains redoutent” (Essai p.92). In een ander werk stelt hij: “Il est vrai de dire que les lois morales qui s’imposent à l’individu ne peuvent être recherchées en dehors des conditions générales de la vie en société. Elles ne peuvent se découvrir par l’étude de la personne humaine considérée dans son isolement physique, mais dans la réalité de ses rapports avec son milieu, son temps, la race d’où elle sort et la postérité qui sortira d’elle..”. (Solidarité p.83). De opdracht van de mens en zijn Wil ligt hierin, bij te sturen wat bestaat. “Le propre de l’homme, c’est non pas de se révolter contre les lois de la nature mais de s’en servir, de les plier à son usage, de choisir parmi les moyens ceux qui le mèneront à ces fins. Il asservit les lois, la nature et par-là conquiert sa propre liberté… ” schreef Bourgeois (Essai p. 10). Kortom, de kennis van het determinisme is het fundament van de persoonlijke vrijheid en zijn handelingsmogelijkheden. Vrijheid betekent: worden wat je bent. Op sociaal vlak betekent dit: onrechtvaardigheid wegwerken.

Voor Bourgeois was de solidariteit (in z’n solidaristische betekenis) enerzijds een fundering van een sociale filosofie en anderzijds een visie en strategie op zowel nationaal als internationaal vlak. Solidariteit karakteriseerde volgens hem als feit het menselijke leven. Aan de basis daarvan ligt een organische visie op het leven: het levende wezen is bepaald door de solidariteit van biologische functies die verschillende delen van één lichaam aan elkaar linkt. Dit is een idee die teruggaat tot de Oudheid. Het evenwicht dat een permanent en levend wezen bereikt komt er door de vereniging van alle delen en functies in één gemeenschappelijke inspanning, het is deze vereniging die de succesvoorwaarde vormt in de strijd om leven en bestaan (Essai p.3). Dit fenomeen wordt op het sociale leven toegepast, waarbij solidariteit bestaat in tijd en ruimte. De arbeidsverdeling en de coördinatie van arbeidsinspanningen zijn uitingen van die solidariteit via diensten die men aan elkaar verleent in eenzelfde tijdperk alsook tussen verschillende tijdperken. Bourgeois schrijft daarover: “Celui qui a inventé la charrue, laboure invisible à côté du laboureur … ” L’objet de la science sociale est précisément de constater cette solidarité entre les générations (Essai p. 7).

Slotbeschouwing

Zowel de pauselijke encyclieken als de visie van Leon Bourgeois kunnen in de 21ste eeuw niet meer als basis dienen voor een volledig uitgewerkt en praktisch toepasbaar solidarisme. Het zijn hoogstens waardevolle historische feiten. Enkele kenmerken kunnen behouden blijven en zullen altijd de kern van het solidarisme blijven uitmaken, maar het solidarisme van Bourgeois heeft bijvoorbeeld haar eigen meester nauwelijks of niet overleefd. Uit het komen en gaan van de verschillende soorten en invullingen van het solidarisme doorheen de tijden, alsook dat het nog nooit in de praktijk werd gebracht, hebben sommigen (niet in het minst tegenstanders van liberale en marxistische signatuur) verkeerdelijk de conclusie getrokken dat solidarisme niet meer kan bestaan. Tijdens het interbellum was het solidarisme ontegensprekelijk christelijk geïnspireerd. Dit neemt niet weg dat het solidarisme voor zowel gelovigen als ongelovigen, zowel voor christenen, heidenen als atheïsten een stelsel en een visie kan betekenen waarin men zich kan thuisvoelen. Solidarisme kan ook op niet-religieuze gronden berusten. Het was geenszins de bedoeling om de lezer een kant-en-klare doctrine of een afgerond denkkader aan te bieden. Het solidarisme past immers niet in de modernistische ideologieën met hun gesloten systemen en dogma’s. Veeleer gaat het om de schets van een levenshouding, waarbij een historische achtergrond wordt geboden alsook een aantal principes uit het solidarisme die ontegensprekelijk er kerngedachten in vormen. De vaagheid omtrent solidarisme zorgt er spijtiggenoeg voor dat sommigen die zich solidarist noemen zelfs deze kerngedachten overboord gooien, wat nooit de bedoeling kan zijn voor wie het solidarisme écht genegen is.

Otto Ruwaerd

Bronnen:

(aut. onbekend), Dietsland-Europa aug. 1975, pp.22-25 (biografie Pesch)
Bourgeois, L., ’Essai d’une philosophie de la solidarité’. Uitg. Alcan, Paris, 1902
Cobbaut, W., “De onderneming: een werkgemeenschap”. In: Dietsland-Europa , juli 1973, pp.18-21
Cobbaut, W., ‘Het solidaristische alternatief’. Uitgave van de werkgemeenschap Alternatief VZW, 1978
Cobbaut, W., ‘Werkgevers en werknemers – Verouderde begrippen’. In: Dietsland-Europa , juni 1973, pp.17-19
De Bruyne, A., ‘Joris Van Severen – Droom en daad’. Uitg. Oranje, Zulte, 1965
Delvo, E., ‘Democratie in stormtij. Democratisch socialisme in de jaren dertig’, Uitg. De Nederlandse Boekhandel, Kapellen, 1983
Delvo, E., ‘Sociale collaboratie – Pleidooi voor een volksnationale sociale politiek’, Uitg. De Nederlandse Boekhandel, Antwerpen – Amsterdam, 1975
Lambert, P., De coöperatieve doctrine. 1971
Rauscher, A., ‘Subsidiaritätsprinzip und berufsständische Ordnung in “Quadragesimo Anno”’, Aschendorffsche Verlangsbuchhandlung, Münster i. Westfalen, 1958
Utz, A. F., ‘Zwischen Neoliberalismus und Neomarxismus – Die Philosophie des dritten Weges’. Uitg. P. Hanstein , Köln, 1975
Van Gestel, C., ‘Kerk en sociale orde’, Leuven 1956, editie 2
Wildmann, G., ‘Personalismus, Solidarismus und Gesellschaft. Der ethische und ontologische Grundcharakter der Gesellschaftslehre der Kirche.’ Uitg. Herder, Wien, 1961

Posted in Uncategorized | Getagged: , , , , , , , , , , , , | Leave a Comment »

De Vlaktaks: anti-solidaristisch!

Posted by drietand op 16 oktober, 2007

Sinds geruime tijd wordt het idee van de ‘Vlaktaks’ (flat tax) regelmatig opgerakeld in de media. Het idee om dit liberaal principe in de fiscaliteit in te voeren heeft de wind in de zeilen. Als solidaristen, sociaal-nationalisten, moeten we dit principe ten stelligste bestrijden. De reden is eenvoudig en duidelijk: de Vlaktaks is niet in overeenstemming te brengen met het basisprincipe van het solidaristisch, volksnationaal denken: dat de sterkste schouders in de volksgemeenschap ook de zwaarste lasten dragen omdat de gemeenschap er over dient te waken dat de zwakkere, de door de natuur of het lot misdeelde, de zieke,… niet het slachtoffer wordt van zijn mindere kansen of mogelijkheden. Voor ons dient de gemeenschap gebaseerd te zijn op een dienende samenwerking en solidariteit van allen, jong en oud, van alle geledingen, beroepen, standen,… welke in een volksgemeenschap leven en werken.

Wat is de Vlaktaks?

De Vlaktaks komt neer op de invoering van één belastingtarief, ongeacht het inkomen, en afschaffing van de aftrekposten: een proportioneel belastingstelsel. Het huidige belastingstelsel daarentegen is progressief. Het betekent dat er verschillende tarieven bestaan voor de personenbelasting, variërend volgens de hoogte van het inkomen. Bijvoorbeeld, voor de 10% armste gezinnen bedraagt de huidige aanslagvoet ongeveer 0,5% en dit loopt geleidelijk op tot bijna 31% voor de 10% rijkste gezinnen. De welvaart van de gezinnen en de overheidsinkomsten zijn bij de Vlaktaks nog afhankelijk van de hoogte van een eventuele belastingvrije som en het tarief van de Vlaktaks. Voorstanders stellen de Vlaktaks voor als een middel om de (para)fiscale druk op de lonen te doen dalen. De redenen die voorstanders van de invoering van de Vlaktaks aanhalen: minder fraude, minder administratie, meer economische groei waardoor extra jobcreatie.

In een solidaristische visie op belastingen dienen we uit te gaan van het principe dat de sterkste schouders in een volksgemeenschap ook de zwaarste lasten dragen. Bijgevolg komen we terecht in een belastingstelsel dat rekening houdt met de draagkracht van de belastingsplichtige. Wie een hoger inkomen verwerft moet relatief gezien ook meer belasting betalen. Het principe dat de sterkste schouders ook de zwaarste lasten moeten dragen wordt door voorstanders van de Vlaktaks uiteraard aangevallen. Publicist Jos Verhulst zegt hierover: “Het socialistische principe dat ‘de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen,’ is door en door corrupt. (…) De socialisten vinden dat wie meer verdient, niet alleen meer moet betalen, maar daar bovenop ook verhoudingsgewijs meer betalen. “Als je het beginsel dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen verlaat, ondergraaf je de beginselen van een rechtvaardige belasting,” zei Spirit-ondervoorzitter Stefan Walgraeve in De Morgen van 23 mei. “De sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen. Dat kan enkel met een progressief belastingssysteem,” aldus SP.A-fractieleidster Caroline Gennez in Knack.

Dit socialistische principe, dat zogenaamd moreel heet te zijn, is een typisch voorbeeld van moreel-zijn-op-andermans-kosten, en van valse, want met staatsgeweld afgedwongen ‘moraliteit’ (terwijl echte moraliteit per definitie enkel in vrijheid kan gedijen). Wanneer altruïstische en schoonklinkende motieven worden aangehaald om staatsinterventie te verantwoorden, is het altijd opletten geblazen.” [i]

Vanuit een liberaal oogpunt is deze kritiek perfect te begrijpen, het liberalisme erkent immers het belang van de gemeenschap niet en stelt het individu voorop, het individu dat concurreert met andere individuen. Het asociale karakter van het liberalisme komt hier al snel om de hoek kijken. Maar uiteraard wil niemand asociaal genoemd worden, dus hebben de voorstanders van de Vlaktaks een doekje voor het bloeden gevonden: heel wat Vlaktaks-profeten willen via het toepassen van de belastingvrije som – de eerste schijf van het inkomen die belastingvrij is- enige sociale rechtvaardigheid verzekeren. Niks meer dan een handig trucje om de aanvaarding van de Vlaktaks mogelijk te maken, maar dat geen enkele zekerheid biedt aan de laagste inkomens: de eenvoudige aanpassing van de tarief van de Vlaktaks en de belastingvrije som vormt dan immers het onderwerp van discussie en doelwit van de volgende liberale aanval.

In juni 2005 stelde men in een studie aan het Centrum voor Economische Studies van de K.U.L. dat bij de invoering van een vlaktaks van iets meer dan 21% zonder belastingvrije sommen, zonder aftrekposten, zonder belastingvermindering voor vervangingsinkomens, de inkomsten van de overheid weliswaar op peil zouden blijven maar dat de koopkracht van de 10% armste gezinnen met minstens 20% zou dalen! De belastingvrije som behouden kon volgens deze studie voor deze armste gezinnen hun koopkrachtverlies beperken, maar deed de overheidsinkomsten ernstig dalen. Het weekblad Trends berekende in april 2005 dat een vlaktaks van 25% en een belastingvrije som van 5000 euro per belastingsplichtig persoon de belastingopbrengst ongeveer even hoog zou zijn als met het huidige belastingsstelsel. Vooral de middenklasse zou in dat geval een gevoelig verlies van haar koopkracht zien. Bij gepensioneerden en uitkeringstrekkers zou het verlies aan koopkracht nog groter zijn. De hoge inkomens daarentegen zouden een flink inkomstenvoordeel doen. De Vlaktaks leidt volgens studies dus tot een grotere dualiteit: de rijken worden rijker, de armen worden armer en de middengroep wordt uitgedund en verdwijnt op termijn. Maar de voorstanders van de Vlaktaks zijn niet toevallig zeer dikwijls te vinden bij de hoge inkomens. De solidaristische wederkerigheid van rechten en plichten op sociaal-economisch vlak wordt hier dus verregaand ondermijnd: de sterkste schouders dragen al heel wat minder de zwaarste lasten.

Een veel gebruikt argument van de Vlaktaks-voorstanders is de vereenvoudiging en het doorzichtiger maken van het belastingssysteem. Het is juist te stellen dat het belastingssysteem zeer ingewikkeld is en een vereenvoudiging gepast zou zijn. Maar van een vereenvoudiging mag geen asociale afbraakpolitiek gemaakt worden. In die vereenvoudiging die Vlaktaks-voorstanders verkiezen zouden bijvoorbeeld heel wat aftrekposten verdwijnen zoals onkosten voor kinderoppas, pensioensparen, hypothecaire bouwleningen, dienstencheques, individuele levensverzekeringen, uitgaven voor energiebesparing,… Vooral de hoge inkomens gebruiken dergelijke aftrekposten maar dit betekent geenszins dat zij zondermeer afgeschaft kunnen worden. De vereenvoudiging zou alvast kunnen beginnen met het afschaffen van de veelvuldige zogenaamde “pestbelastingen”. Liberale voorstanders van de Vlaktaks willen via de invoering ervan de belastingsdruk op de arbeidsinkomsten verlagen. Minder belastingen betekenen automatisch minder inkomsten voor de overheid. Maar de overheidsuitgaven zullen en kunnen in de toekomst niet dalen, ondermeer als gevolg van de vergrijzende bevolking (pensioenen en gezondheidszorg). De komende 25 jaar zouden volgens het jaarrapport juni 2005 van de Studiecommissie voor de Vergrijzing de overheidsuitgaven met meer dan 3,5% van het Bruto Binnenlands Product stijgen!

Het is juist dat er een zware fiscale druk rust op de lonen. Het verlagen van de loonkosten is een stelling die in de politieke wereld opgang maakt, gepromoot vanuit liberale hoek. Ook hier moeten we stellen dat het om een vervalsing van het debat gaat. Voorstanders van de loonkost-verlaging pleiten vaak voor een verschuiving van de lasten op arbeid naar de lasten op verbruik, namelijk verhoging van de BTW en/of accijnzen. Een dergelijke verschuiving is ongewenst omdat ze opnieuw een uitholling zou betekenen van het principe dat de sterkste schouders in de volksgemeenschap ook de zwaarste lasten moeten dragen. Het is namelijk zo dat het vooral de lagere en middelgrote inkomens zijn die een relatief hoger deel van hun inkomen aan consumptie besteden. De eis tot verlaging van de loonkosten is vooral ingegeven door de gevolgen van de globaliseringspolitiek en het sinds de jaren ’80 ingezette beleid van liberaliseren van de markten. Daar moeten dan ook de mogelijke oplossingen gezocht worden: een koerswijziging, weg van het liberaliseren!

Overigens denken nogal wat voorstanders van de Vlaktaks dat wanneer de belastingdruk daalt en er een eenvoudiger belastingssysteem bestaat, de belastingsplichtigen eerder geneigd zullen zijn om al hun inkomsten aan te geven en zodoende de fraude te verlagen. Een leugen! De feiten tonen aan dat het fout is te denken dat er een verband bestaat tussen enerzijds het belastingstarief en anderzijds de fraude, of tussen enerzijds een ingewikkelde fiscale wetgeving en anderzijds fraude. Belastingen ontduiken doet men namelijk omdat men, reeds bij zichzelf de beslissing heeft genomen minder te willen betalen, waarna men naar wegen gaat zoeken om te kunnen ontduiken.

Wat kunnen we voorstellen?

1.

Opvoeren en verhogen van de effectiviteit van de strijd tegen sociale en fiscale fraude. Wie betrapt en veroordeeld wordt wegens fraude moet ondermeer zijn politieke rechten kunnen verliezen voor een periode. Wie fraudeert, steelt van de gemeenschap.

2.

Invoeren van een vermogensbelasting voor de grootste vermogens, gekoppeld aan een verbod om kapitaal over te brengen naar buiten de Europese grenzen. Hierop dienen zware straffen gezet te worden. Wie geld overbrengt naar buiten Europa, steelt van de gemeenschap.

3.

Protectionistische maatregelen op zowel Europees als Vlaams (of alle andere volkeren in Europa) niveau: afscherming van de Europese en/of Vlaamse markt voor producten die hier niet geproduceerd worden. Bedrijven die op de Europese markt verkopen, moeten ook in Europa produceren en mogen niet lijden onder concurrentievervalsing van bedrijven die produceren in landen en continenten met een zwakke sociale en ecologische wetgeving. De winst van deze Europese bedrijven zal bijgevolg kleiner zijn maar ze ondervinden niet langer concurrentie van bedrijven voor wie de lat niet even hoog ligt. De overheid kan ondertussen haar noodzakelijke inkomsten verder verkrijgen.

Het is evident, gelet op het proces van Europese eenmaking en het feit dat Europa –spijtiggenoeg niet politiek maar wel economisch ééngemaakt werd-, dat heel wat sociaal-economische maatregelen zich op het niveau van het Europese continent afspelen, en op het niveau van de Europese beschavingsgemeenschap in deze moeten genomen worden. Niet toevallig zijn de voorstanders van ondermeer de Vlaktaks vaak in het kamp te vinden van de tegenstanders van een sociaal Europa dat volkeren tegen elkaar wil uitspelen, overgoten met een Atlantistische saus. De Europese volkeren hebben en/of streven naar een zelfde niveau van sociale en ecologische bescherming. Dit niveau kan mits de politieke wil op een Europese consensus berusten, die verschilt van wat in het Verre Oosten geldt of wat in de Angelsaksische wereld wordt verkozen. Dat neemt niet weg dat ook in deze problematiek het subsidiariteitsprincipe moet gelden. Het zou onverstandig zijn als solidaristen om nog te redeneren in 19de eeuwse termen als natiestaat en nationaal belang ten koste of ten gunste van bepaalde Europese buurvolkeren, waarbij de natiestaten als instrumenten van het groot-kapitaal tegen elkaar opgezet worden. Niet toevallig pleiten libertaire voorstanders van het wilde kapitalisme voor kleine en zwakke overheden in een politiek niet ééngemaakt Europa van kleine volkeren om zo de kapitalistische economie vrijspel te geven.[ii] Tegenover het mondiale roofdierkapitalisme dat individualisme centraal stelt, moet het Europese volkssolidarisme geplaatst worden dat de sociale waardigheid en rechtvaardigheid voor alle volkeren van Europa garandeert. Dit betekent geenszins dat we akkoord kunnen gaan met de huidige EU-moloch die eveneens ten dienste staat van het groot-kapitaal en ondermeer het subsidiariteitsprincipe duidelijk niet erkent.

[i] VERHULST, Jos, De staat is geen Robin Hood. http://www.brusselsjournal.com/node/25

[ii] HOPPE, Hans-Hermann, Over centralisering en afscheiding. http://www.secessie.nu/pdf/20-3.pdf

Posted in Uncategorized | Getagged: , , , , , , , | Leave a Comment »

Een Solidaristisch Avondland?

Posted by drietand op 16 oktober, 2007

Ideologie of levenshouding

De Westerse ikzucht, bewust in de hand gewerkt door wie belang heeft bij een loutere verbruikersmaatschappij, moet worden vervangen door een solidaire levenshouding.

Klinkt dit eenvoudig, dan zal de uitwerking ervan allerminst eenvoudig blijken. Omdat moet worden opgeroeid tegen vastgeroeste ideologieën. Ook omdat opgelegde solidariteit in vele gevallen wordt misbruikt, om een gever-ontvanger-stroom in stand te houden, niet gekoppeld aan verantwoordelijkheid voor de ontvanger.

Het zal dus niet eenvoudig zijn om dergelijke automatismen (verworven rechten …) te wijzigen.

De gemeenschapsordenende staat werd tot nog toe steeds ingericht volgens vooropgestelde beginselen, zoals liberalisme-kapitalisme of socialisme-communisme. Hierbij werd een reeks principes naar voren geschoven, volgens dewelke dan de staat werd georganiseerd. De mens, de burger, moest zich maar aanpassen aan die beginselen, aan die staatsleer, en aan de daaruit voortvloeiende economische doctrines.

Veel beter ware het om de mens als norm te nemen, en niet langer de ideologie.

Mensen, ongelijk maar gelijkwaardig, vormen even zovele onvervangbare uniciteiten. De persoonlijkheid van de mens, en zijn organische samenstelling, moeten een uitgangspunt en een voorbeeld kunnen zijn voor een opbouw van de volksgemeenschappen volgens organische, persoonsgerichte normen.

Deze normen kunnen een tweesnijdend doeleinde nastreven. Het recht op volledige vrije ontplooiing van ieder mens in eigen cultuurbedding, samen met het respect voor de medemens én voor de volksgemeenschap door vrijwillige beperking.

Dergelijke normering stoelt zeker niet op een voorgeschreven ideologie, maar op een personalistische levenshouding of levensbeschouwing.

Wat is een volk?

De wetenschap, als systematisch begrijpen van de realiteit, leert dat groepen mensen zich onderscheiden van andere groepen, door groepsgemeenschappelijke kenmerken. Dit onderscheid wordt in de band gewerkt door cultuur, woonomgeving, taal en raskenmerken.

Om de Europese volkeren te definiëren zullen politieke en economische gewoonten, hogere filosofische overtuigingen, beleving van en uitdrukking door kunsten, culturele parameters vormen.
De woonomgeving binnen geschiedkundig verantwoorde of natuurlijke grenzen, zal een tweede aanwijzing zijn, samen met een eventueel samenhorigheidsgevoel.

Het spreekt vanzelf dat de taaleigenheid een zekere volksbepalende factor is.

Blijven de raskenmerken. Het oogt eigentijds om al diegenen die deze kenmerken willen zien, te beschuldigen van rassenhaat, en hen zelfs te bestraffen omdat zij niet blind zijn.

Laat me duidelijk zijn: wanneer onder racisme begrepen wordt het benadelen van een mens, op grond van uiterlijke kenmerken, dan is zulks verwerpelijk, en mensonvriendelijk.

Het ziende-blind ontkennen van volksbepalende aanwijsbare kenmerken, die, de mogelijkheid bieden iedereen in eigen cultuuromgeving te laten gedijen, straalt daarentegen niet bepaald werkelijkheidszin uit, en is volksonvriendelijk.

Anekdote: wie iets afweet van de anti-Vlaamse uitlatingen van Kardinaal Mercier, zal mij niet van sympathieën voor hem kunnen verdenken. Diegenen die echter menen dat elke aanvaarding van verschillen tussen mensen en mensengroepen, een onloochenbare vorm van rassenhaat is, werp ik graag een uitspraak van deze Kardinaal voor de voeten.

In een oproep tegen de toenmalige ‘drankplaag’ schreef Mercier: “dan verdwijnt die grofheid en ruwheid die nu zo vaak onze volksgewoonten onteren, en zullen de heerlijke rashoedanigheden van ons volk in al hun luister schitteren” .

Het hanteren van deze volksbepalende kenmerken, als objectieve normeringen, zal uitsluiten dat Staten, in een semantische vervalsing van het natiebegrip, de zogenaamde ‘wilsnatie’ opdringen aan volkeren.

De volksgemeenschap

Volkeren, samengesteld volgens geschiedkundig verantwoorde gegevens, en getoetst aan de volksbepalende normen, zijn net zoals de unieke mensen die de volkeren vormen, unieke en onvervangbare gemeenschappen.

Indien de Europese volksgemeenschappen organisch opgebouwd worden zullen zij natuurlijke entiteiten vormen, die eindelijk zichzelf kunnen besturen, binnen onaantastbare grenzen. Elk volk zal het eigen territorium moeten behoeden en beheren. De grenzen van het gebied zullen samenvallen met de volksgrenzen.

Niet het smeltkroesliefhebbende staatsnationalisme zal dit verwezenlijken. Enkel een volksnationale levenshouding kan dit nastreven.

De absoluutheid van het territorialiteitsbeginsel van de Europese volkeren, moet vastgelegd worden in inter-volkse afspraken. Betutteling vanwege een bovenideologie moet worden afgewezen.

Enkel indien een geweldloze toewijzing van twistgebieden onmogelijk blijkt (cfr. Zuid-Slavië), kan de meervolkerengemeenschap een regeling afdwingen. Waarbij kan worden vastgesteld dat de betwistingen over deelgebieden ontstonden nadat voogdstaten er een vermenging nastreefden, en door gestimuleerde massa-inwijking de tolerantiedrempel van het gastvolk overschreden.

Solidarisme

Drie grote pijlers zullen een solidaristische opbouw van het Europa der volkeren ondersteunen.

Personalisme: de volle vrijheid tot zelfontplooiing moet een onvervreemdbaar recht zijn, enkel vrijwillig beperkbaar wanneer het de ontplooiing van de gemeenschap kan belemmeren.

Subsidiariteit: wat de gemeenschap zelf kan, moet niet door een bovenniveau worden uitgevoerd. Soevereiniteit in eigen kring, of de theorie van het optimale beslissingsniveau.

Solidariteit: het herleiden van mensen tot universeel uitwisselbare wezens, met enkel een economische waarde, is tegenstrijdig aan echte solidariteit. Mensen zijn immers ongelijk, met eigen natuurlijke gaven, bekwaamheden en mogelijkheden. Zij kunnen binnen de grenzen van die eigen capaciteiten tot vrijwillige solidariteit worden aangezet.

Tegelijk waarborgt een echte solidariteit het gelijke toegangsrecht van ieder mens tot alle ontplooiingsnoodzakelijke middelen, in eigen cultuuromgeving, thuis!

Wie zich echt wil inzetten voor de gemeenschap, moet kunnen rekenen op gelijke waardering en eerbied, op gelijke startmogelijkheden.

Deze gelijke vertrekkansen voor elk lid van de volksgemeenschap moeten evenwel helemaal niet leiden tot gelijk aankomen. Hiermee zou enkel een nieuwe nivellering worden in het leven geroepen, en zou elke verrijkende competiviteit worden uitgebannen.

Verwerpelijke -ismen

Aanvaarding van dit ene -isme, het solidarisme, waarbinnen het persoonsrespect, het recht op bevoegdheidsbewaring, en de solidariteit worden gebundeld, maakt dat heel wat gangbare -ismen moeten afgewezen worden.

Materialisme, liberalisme, individualisme: de enkeling, uit louter ik-zuchtige gewinzucht, zou het recht hebben om zijn daden enkel te toetsen aan eigenbelang. Wat onafwendbaar moet leiden tot de heerschappij van geld over morele waarden: kapitalisme.

Communisme, collectivisme, internationalisme: de persoonlijke vrijheid, de identiteit wordt hierbij ontnomen, en vervangen door de verheerlijking van de technocratisch gestuurde werknemersmassa.

Dit kleurloze vervangen van de eigenheid door het volkerenontkennende multiraciale waanbeeld, wordt in de praktijk aangevuld met de onderwerping aan het profitariaat van een nomenclatura.

Ook geen afleiding van deze -ismen kan me bekoren. Nazisme, Titoïsme, Maoïsme, Castrisme, bereikten alle dezelfde eindmeet: het onderwerpen van unieke wezens aan staatsdirigisme en arbeidsslavernij, en de onderdrukking van geestelijke vrijheid. Al deze -ismen waren en zijn gericht op een opgelegde integratie van volkeren binnen kunstmatige staten.

Daarom wijs ik ook een nieuw europisme af. Een europisme dat de samenstellende volkeren in Europa zou herleiden tot een bureaucratisch gedirigeerde, afgestompte en kleurloze massa, kan onmogelijk een nastreefbaar einddoel zijn.

Ik trachtte, bewust zonder essentieverhullende uitweidingen, een denkrichting in te slaan die te lang als onbegaanbare derde weg werd verworpen door de oude politieke kaste.

En indien de verwezenlijking van solidaristische samenwerking tussen de Europese volkeren, de vorming van een nieuwe maatschappelijke en politieke elite noodzakelijk maakt, dan wordt het de hoogste tijd dat daartoe de aanzet wordt gegeven.

De klaarblijkelijke minusculiteit van de huidige Europese politieke spraakmakers, vormt trouwens een extra motivering voor het inslaan van nieuwe wegen…

Uit “Europa Barst?” door Wim Verreycken, Uitgeverij Tyr v.z.w., 1994.

Posted in Uncategorized | Getagged: , , , , , , , | Leave a Comment »