Nieuw-Solidaristisch Alternatief!

Het identitair en revolutionair verzet! – Weg van de Wetstraat, op naar de Volksstaat!

Posts Tagged ‘verdinaso’

Alzo sprak…

Posted by drietand op 24 mei, 2008

Alles wat het liberalisme in Dietsland heeft ontbonden, zullen wij weer binden. Het volk aan zijn wezen, zijn grond en zijn staat; de ledematen van het volk aan het volksgeheel, aan het volkslichaam en aan zijn hoofd.

Joris van Severen (1934)

Advertenties

Posted in algemeen, citaten, vorming | Getagged: , , , | Leave a Comment »

Joris-Van-Severen-herdenking

Posted by voorhoede op 18 mei, 2008

Image Hosted by ImageShack.usZaterdag 17 mei 2008 – jaarmis te Male (Brugge)
Zondag 18 mei – Groet aan het graf te Abbeville

Programma
Zaterdag: 16.00 uur: Plechtige Gregoriaans gezongen H. Mis, met homilie, in de Abdijkapel van het Grafelijk Slot van Male, Pelderijnstraat 14, 8310 Sint-Kruis Brugge, ter nagedachtenis van Joris van Severen, zijn lotgenoten en al onze overledenen.

17.30 uur: Receptie, aangeboden door de Stichting Joris van Severen vzw.

Zondag: afspraak om 11.30 uur aan de toegang tot het kerkhof te Abbeville; aansluitend gezamenlijk bezoek aan het graf van Joris van Severen en Jan Rijckoort.
Lees de rest van dit artikel »

Posted in kalender | Getagged: , , , | Leave a Comment »

Citaat

Posted by reteip op 1 april, 2008

“De partijsyndicaten hebben de arbeiders uit hun verband met de volksgemeenschap gerukt, aldus de Natie verscheurd en ondermijnd en de uiteen gerukte volksdeelen onderling tegen hun eigen geestelijke en stoffelijke belangen opgezet, met het resultaat dat de arbeider twee keeren wordt uitgebuit. Eens door het kapitalistische productiesysteem en eens door de leiders der partij-syndikaten, “zijn”??? leiders!”

(Bron: Hier Dinaso!, 20 mei 1933)

 

Lees de rest van dit artikel »

Posted in citaten | Getagged: , , , , , , , | Leave a Comment »

De Vlaamse Beweging en Nederland

Posted by drietand op 21 november, 2007

A. Inleiding

1. Voor Nederlanders is de Vlaamse Beweging een vreemd fenomeen. Zij hebben als volk nooit zo voor hun eigenheid en eigen taal moeten vechten als de Vlamingen. Maar ook voor de Vlaamse Bewegers is de houding tegenover Rijks-Nederland steeds ambivalent geweest. Het is mijn bedoeling om hier een korte inleiding te geven, verwacht dus niet teveel historische details en feiten. Het onderwerp beslaat namelijk zoveel: honderden kleine verenigingen en politieke partijen; duizenden personen met de meest uiteenlopende opvattingen en achtergronden. Een algemeen beeld schetsen is dus al een hele opgave. Concreet wil ik beginnen met het verduidelijken van enkele veelgebruikte termen. Daarna volgt het eigenlijke onderwerp: de geschiedenis van de Vlaamse Beweging in relatie tot Rijks-Nederland – en dit tot aan de Tweede Wereldoorlog. Dit omdat de contacten tussen beide het meest intensief waren in die periode. Speciaal zal er ook ingegaan worden op een groep van Vlamingen die tijdens het interbellum in Nederland verbleef: de zogenaamde activisten.

2. Voor alle duidelijkheid is het interessant om eerst enkele termen nader toe te lichten:

a. Ten eerste: de term “Vlaamse Beweging”. Er moet op gewezen worden dat het concept “Vlaanderen” zeer recent is. “Vlaanderen” verwees historisch namelijk naar het Graafschap Vlaanderen (nu ongeveer de provincies Zeeuws-, West- en Oost-Vlaanderen en een deel van noord-Frankrijk). Pas tegen het einde van de 19de eeuw begon men het woord “Vlaanderen” te gebruiken voor het Nederlandstalige gedeelte in België. De invoering van dit concept zorgde voor een uniformisering van de Nederlandstalige provincies binnen België. De definitie van de term “Vlaamse Beweging” is nog wat diffuser. Het is een verzamelterm geworden voor honderden verenigingen en personen in België die op een of andere manier ijveren voor de culturele of politieke eigenheid van de Vlamingen. Dit is zeer verscheiden. Hendrik Concience, de schrijver van het bekende boek ‘De leeuw van Vlaanderen’, wordt tot de Vlaamse Beweging gerekend, hoewel het eigenlijk zijn bedoeling was het Belgisch nationaal gevoel te ondersteunen. Anderen – vandaag de dag de meerderheid – ijveren kortweg voor de vorming van een onafhankelijke Vlaamse staat. Iemand als Joris van Severen dan weer, streefde – na een aantal omwegen – naar een hereniging van België, Luxemburg en Nederland. Anderen streefden naar de vereniging van een onafhankelijk Vlaanderen met Rijks-Nederland. Iemand als Guido Gezelle tenslotte, moest van de verderfelijke Nederlands-protestantse invloed niet veel weten en pleitte voor de Vlaamse culturele volkseigenheid in een onafhankelijk België!

b. Een tweede term is: “Groot Nederland” of de “Groot-Nederlandse beweging”. Aanvankelijk was dit een vaag cultureel begrip dat duidde op de samenhorigheid tussen alle Nederlandstaligen. Vanaf de Eerste Wereldoorlog, en met steun van de Duitse bezetter, kreeg de term ook een politieke invulling: de vereniging van een zelfstandig Vlaanderen met Nederland. In deze politieke visie worden de Walen en Luxemburgers niet meer beschouwd als een onderdeel van de Verenigde Nederlanden.

c. Een derde opvatting is dan weer “Heel Nederland”, Heel-Nederlanders willen een hereniging van alle oude gebieden van de historische 17 Provinciën, dus met de Walen en Luxemburgers erbij.

d. Tenslotte nog iets over het woord “Dietsland”. Taalkundig is “Diets” een van de oudste termen en betekent het “volks”. Het heeft dezelfde stam als het woord Duits. Met het woord Dietsland wordt het hele Nederlandssprekende gebied bedoeld. Het probleem – telkens opnieuw – is wat de grenzen van dit Dietsland nu eigenlijk zijn. Voor Willem van Oranje was het het gebied van Luxemburg tot Friesland. Taal is moeilijk te vatten in staatsgrenzen: Fries is geen Nederlands en bovendien ligt een gedeelte van Friesland in Duitsland. In Frans-Vlaanderen wordt nauwelijks nog Vlaams of Nederlands gesproken. Het Waals verschilt ook grondig van het Frans, hoewel het meer en meer door het Frans verdrongen werd.

3. In het verleden werden deze voornoemde termen vaak door elkaar gebruikt. Velen uit de Vlaamse Beweging noemden zichzelf Groot-Nederlander, zonder dit nader te omschrijven. Eerder als een vaag cultureel ideaal, zonder politieke gevolgen. Om te lachen zegt men dan ook wel eens dat een “Groot-Nederlander” dit ideaal kiest omdat het geen moeite kost er zich voor in te zetten, want het is toch zo goed als onbereikbaar… Ook vandaag blijft de ambiguïteit bestaan: zo werd enige tijd geleden een manifest gepubliceerd dat pleit voor het voortzetten en beter uitwerken van de BENELUXakkoorden (het samenwerkingsverband tussen België, Nederland en Luxemburg). Enige tijd later verscheen ook het manifest van de Warande Groep dat pleitte voor Vlaamse onafhankelijkheid. Een aantal mensen ondertekende beide manifesten…

B. Geschiedenis VB-Rijksnederland

1. Nu komen we aan de kern van het overzicht: een historische schets van de verhouding tussen de Vlaamse Beweging en Rijksnederland. We beginnen deze geschiedenis in het “rampzalige” jaar 1830 – de Belgische revolutie. Zoals bekend ontstond die onder aansporing van Fransgezinde burgers. Liberale en katholieke Zuid-Nederlanders sloten een monsterverbond tegen Willem I. Volgens de Nederlandse historicus, en overtuigd Groot-Nederlander lag de oorzaak van de afscheuring echter bij Holland. Hij schreef dat de geschiedenis van de Nederlanden een treurspel is, waarvan het Dietse Zuiden het slachtoffer werd. “Holland met zijn opdringen van uitgeput protestantisme en onuitputtelijke pedanterie dwong Midden-en Zuid-Nederland tot een verweer tegen de Hollandse overheersing.” Ook de Nederlander Anton Van Duinkerken legde de schuld van de verdeeldheid in de Nederlanden bij de provincie Holland. Holland eiste haar eersterangsrol op, en offerde hiermee de eenheid op. In zijn typische stijl schreef hij: “Op dit zeer kleine schiereiland, het meest bevolkte, het meest welvarende, het meest platte en het meest waterige van Europa, heeft de Noord-Nederlandse beschaving zich (…) sterk samengetrokken, ten koste van de vrije ontwikkeling der andere gewesten. [Hierdoor] zijn niet alleen de Zuidelijke provincies van Rijks-Nederland belemmerd in hun natuurlijken groei (…) maar (…) werden bovendien de karaktereigenschappen van de geboren Hollander langzamerhand typisch voor den Rijks-Nederlander uit alle gewesten. (…) Voor de oppervlakkig toeziende buitenlander zijn wij zonder uitzondering ‘Hollanders’.” Het hoeft niet gezegd dat Van Duinkerken een fiere Noord-Brabander was en ik zal jullie zijn ander anti-hollands “racisme” besparen. [citaten uit Anton Van Duinkerken. Groot Nederland en wij.]

2. In België werd deze afscheuring niet door iedereen begroet. Jan Frans Willems, de bekende taalkundige, riep wanhopig uit: “Er zal geen Nederlandse natie meer bestaan!”. Vanaf 1839 konden alle Nederlands-gezinden de hoop wel opgeven om nog tot een politieke eenheid te komen. Nederland deed dan namelijk officieel afstand van het grondgebied in het Zuiden. Het politiek activisme verandert vanaf dan in een vaag cultureel stamgevoel. In welke maatschappelijke Belgische groepen bleef men Nederlandsgezind? Ik zie twee grote groepen – en vooral de eerste groep staat aan de basis van de Vlaamse Beweging: – de taalkundigen zoals Jan Frans Willems en romantici die droomden van de herenigde Nederlanden. Vaak ging het ook om onderwijzers die in de Nederlandse scholen van Willem I lesgaven. Zoals bekend werd het Nederlandstalig onderwijs in België teruggeschroefd. Alle administratie, het leger, het onderwijs, gerecht,… werd verfranst. – De tweede groep viel soms samen met de eerste categorie: een bepaalde economische elite die door de scheiding haar macht kwijtspeelde. Vooral in industriesteden als Gent en Antwerpen was dit het geval. Het gaat hierbij niet alleen om Nederlandstaligen, ook sommige Franstaligen hadden (en hebben) heimwee naar de tijd van het Verenigd Koninkrijk. In deze groep bevonden zich tevens heel wat vrijmetselaars. Zoals bekend had de zoon van Willem I hoge functies binnen de loge en was hij stimulator van heel wat Loges in de Zuidelijke Nederlanden. Voor deze vrijmetselaars bleef Noord-Nederland, en het huis van Oranje hét ideaal van vrijheid, broederlijkheid en anti-clericalisme. Dit ging uiteraard hand in hand met het protestantisme dat vaak in deze kringen beleden werd. Tot vandaag de dag blijft deze onderstroom aanwezig. Bekende voorbeelden zijn de oud-gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen, professor Herman Balthasar, oud-minister en burgemeester van Leuven Louis Tobback en TV- orakel Siegfried Bracke.

3. In bepaalde Belgische kringen bestond dus een vaag cultureel-Nederlands gevoel. In wat uitte zich dit nu? In het begin stelde dit niet zoveel voor – ik spreek over de periode tot 1850. Het ging vooral om taalkundige discussies, zoals de vorming van een uniforme spelling. Dit verliep niet altijd van een leien dakje. Vlaamse taalkundigen zoals Leo de Foere en later Guido Gezelle bekampten de ketterse en orangistische spelling uit het noorden die in 1844 bij wet aanvaard werd als de spelling om Belgische wetten te vertalen. Culturele “Vlaamse” tijdschriften verzorgden het contact met Nederland, maar omgekeerd was de interesse niet zo groot. Dit veranderde toen in de jaren 1840 de Nederlander Alberdingk Thijm en andere Nederlandse katholieken zich meer in Vlaanderen gingen interesseren. Dit leidde tot het ontstaan van taalcongressen waaraan Vlamingen en Nederlanders deelnamen. Ze vonden heel regelmatig plaats vanaf 1849 tot 1912. Niet altijd was de overeenstemming even sterk. In de jaren 1880 was er ronduit een crisis toen de West-Vlaamse taalparticularisten, met onder meer Guido Gezelle zich afzetten tegen de zogenaamde “verhollandsing” van het Nederlands. Voor Gezelle was de strijd voor het behoud van het Vlaams, tegen het Algemeen Nederlands zelfs belangrijker dan de strijd tegen de verfransing. Deze congressen brachten geen politieke winst, maar verstevigden wel het stambesef en de persoonlijke vriendschapsbanden tussen Noord en Zuid. Dit alles werd nog eens versterkt door de oprichting in 1893 van het Algemeen Nederlands Verbond door de Vlaming Hippoliet Meert. Het verbond telde verschillende afdelingen in Noord en Zuid, waaronder ook enkele studentenafdelingen.

4. Vanuit Vlaamse hoek waren er twee moeilijkheden met betrekking tot deze ontwikkeling. Enerzijds verwachtten de Vlamingen veel van Nederland, ook op politiek vlak. Zo bv. hulp in hun strijd voor de erkenning van het Nederlands in België als volwaardige ambtstaal. Zodra ze echter in politiek vaarwater kwamen, haakten de meeste Nederlanders echter af. Anderzijds bestond er ook een groot wantrouwen vanwege de katholieke Vlaamsgezinden. Dit lag aan het feit dat het vooral liberale flaminganten actief bezig waren met deze culturele contacten tussen Zuid en Noord. De katholieken vreesden op die manier een protestantisering van het Vlaamse volk.

5. Tot aan de Eerste Wereldoorlog bleef de Vlaamse Beweging grotendeels een zuiver culturele beweging, met Orangistische wortels. Hoe kon hieruit een politieke stroming groeien? Ik verduidelijk dit aan de hand van het triumviraat van de Vlaamse Beweging: Guido Gezelle, Hugo Verriest en Albrecht Rodenbach. Gezelle was leraar van Verriest, Verriest van Rodenbach. Via leraars zoals Gezelle kregen de leerlingen hun liefde voor de moedertaal mee. Het was de generatie van priester-leraar Verriest die dit theoretisch koppelde aan de sociale onderdrukking van de Vlamingen door de Franstaligen in België. En het was Rodenbachs generatie die zich ook daadwerkelijk ging inzetten voor de verheffing van het Vlaamse volk. Ietwat smalend werden ze door Guido Gezelle de ‘ruitenbrekers’ genoemd. Jaar na jaar groeide deze zogenaamde ‘Blauwvoeterie’ aan, vooral onder de studenten.

6. Uit deze ontwikkeling ontstonden in bijna alle scholen in Vlaanderen studentenbonden en een overkoepelende organisatie, het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond in 1903. We kunnen de jongeren die hierdoor beïnvloed werden sociologisch bestempelen als een “tussenelite”. Het was een generatie die van thuis uit vervuld was met een burgerlijke mentaliteit van opklimmen en emancipatie, gecombineerd met katholicisme en sociale bewogenheid. De meeste van deze jongeren stamden uit katholieke, kleinburgerlijke gezinnen. Ze liepen school in katholieke colleges waar dezelfde waarden doorgegeven werden en tevens een geest van idealisme, offervaardigheid en christelijke solidariteit heerste. Samen met de wil om in de maatschappij ‘ergens’ te geraken, heerste bij hen ook een sterk Vlaams zelfbewustzijn. Deze twee doeleinden gingen hand in hand, de messianistische strijd die zij voerden voor vervlaamsing zou er immers toe leiden dat ook zij er het eerst de vruchten van zouden plukken. Een Vlaamse elite, te onderscheiden in een hoge elite die bijvoorbeeld Vlaamse ministers en professoren kon leveren, en een lagere elite van ambtenaren, juristen, en onderwijzers,… Vanuit deze elite werden dus ook de eerste politieke eisen geformuleerd: meer rechten voor de Vlamingen. Dit proces kwam langzaam op gang en al voor de Eerste Wereldoorlog werden een aantal eisen ingewilligd.

7. De Eerste Wereldoorlog zou echter als katalysator gaan werken. Voor een groot deel van de Vlaamse studenten was de oorlog een dam: zij werden belet om aan hun carrière verder te werken en moesten bv. aan het front gaan vechten. Aan het front vormden zij een elite, de frontbeweging genoemd. De universiteitsstudenten kwamen misschien voor het eerst in aanraking met het gewone Vlaamse volk. Ze namen dan ook allerlei initiatieven om deze frontsoldaten bewust te maken van de Vlaamse eisen. Andere Vlamingen leefden onder de Duitse bezetting in België. Een deel van de jonge Vlaamse elite zag dit echter als een kans om op een versnelde wijze hun idealen te verwezenlijken. Deze ‘activisten’ grepen de door Duitsland georchestreerde kans met beide handen aan. De Duitsers speelden het spel handig: ze zorgden voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit. Ze gaven de Vlaamse activisten een eigen parlement: de Raad van Vlaanderen, echter nauwelijks democratisch gelegitimeerd. Er kwamen ook eigen Vlaamse ministeries. Vlaamsgezinde ambtenaren werden opeens op ministerposten gekatapulteerd. Gezien hun idealisme een buitenkansje en bovendien ook voor hun eigenbelang goed!

8. Ook in Nederland zorgde de Eerste Wereldoorlog voor een verandering in de houding tegenover Vlaanderen. De aanval op het neutrale België werd door de Nederlandse publieke opinie als een schande ervaren. Duizenden Belgen vluchtten naar Nederland en werden daar goed opgevangen. Afdelingen van het Algemeen Nederlands Verbond toonden zich zeer hulpbereid. Als een gevolg van de collaboratie van de activisten met de Duitse bezetter, kwamen in de Belgische pers (die nu in Frankrijk uitgegeven werd, waar ook de Belgische regering verbleef) meer en meer anti-Vlaamse tendensen op. Daarin werden alle Vlamingen afgeschilderd als pro-Duits. De naar Nederland gevluchte Vlamingen gingen hier tegenin door enkele eigen dagbladen uit te geven. Een eerste was in 1915 “De Vlaamsche Stem”, waaraan onder meer Cyriel Buysse, René De Clercq en Frans Van Cauwelaert meewerkten. Opvallend was dat men in het blad ook de collaborerende activisten veroordeelde. Langzaamaan zou het blad echter radicaliseren – bij het vernemen van de wantoestanden die aan het front heersten. Vlaamse soldaten, die 80% van het Belgische leger uitmaakten, werden er door de Franstalige officieren voortdurend vernederd. De radicalisering van de Vlaamsche Stem wordt totaal als Frans van Cauwelaert afhaakt en de historicus Gerretson erbij komt. Binnen het ANV laten ook de studentenafdelingen hun gematigdheid varen. Zo waren een aantal leden aanwezig op de opening van de vernederlandste Gentse universiteit. De in Nederland uitgegeven Vlaamse pers kwam meer en meer in activistisch vaarwater. Voorbeelden hiervan zijn “Dietsche Stemmen”, “De Toorts” en de “Dietsche Bond”. Vanuit Nederland werd de activistische hulporganisatie Volksopbeuring intensief gesteund, ook door prominenten als de aartsbisschop van Utrecht. Nederlanders toonden meer en meer begrip voor de Vlaamse Zaak, zelfs Abraham Kuyper pleitte voor meer autonomie voor de Vlamingen, binnen een federaal België. Gerretson, dominee Nieuwenhuis en anderen steunden actief de meest radicale activisten die zich verenigd hadden in “Jong Vlaanderen”.

9. Het moet gezegd worden dat de activisten door de Duitsers aan het lijntje gehouden werden. Zij hadden weinig of niets in de pap te brokken en hun Raad van Vlaanderen was een schijnvertoning. Zij werden handige marionetten in de Duitse propaganda. In deze zin probeerden de Duitsers ook de activisten te gebruiken om achter het front invloed uit te oefenen bij de Vlaamse soldaten. Heel wat leden van de frontbeweging waren ook pro-activistisch. Ook in de krijgsgevangenenkampen in Duitsland, waar Vlaamse soldaten zaten werd er activistische propaganda gevoerd. In 1918 keerden de krijgskansen. Een commissie van de Raad van Vlaanderen bereidde daarom de vlucht van de activisten naar Nederland en Duitsland voor. De Belgische regering in Frankrijk had immers met strenge straffen gedreigd voor iedereen die samenwerkte met de Duitse bezetter. In november 1918, bij het einde van de oorlog, waren de meeste activisten en hun familieleden al de grens over gevlucht. Degenen die bleven, zoals de bekende dr. August Borms, werden opgepakt. Velen werden ook door het gepeupel mishandeld, hun huizen werden geplunderd enz. Een en ander valt te vergelijken met wat na de Tweede Wereldoorlog gebeurde, zij het in ergere mate.

10. Een paar honderd activisten vluchtten naar Nederland. Er vormden zich echte activistenkolonies, bekende voorbeelden zijn Utrecht en Den Haag. Nederland was niet alleen omwille van de taal een vanzelfsprekende keuze. Zoals ik eerder gezegd heb, was het activisme in belangrijke mate ook een Nederlands product. Bovendien was de publieke opinie in Nederland relatief pro-Duits tijdens de oorlog. De Duitsers hadden met hun propaganda hier handig op ingespeeld. Zo werd de Nieuwe Rotterdamse Courant door hen gesubsidieerd. De houding van de Nederlanders tegenover de Vlaamse Beweging en de idealistische activisten zou nog verbeteren. Tijdens de vredesconferentie in Versailles eiste België – totaal absurd – namelijk de gebieden Nederlands Limburg en Zeeuws-Vlaanderen van Nederland op. Voor vele Nederlanders was het duidelijk dat België slechts een satellietstaat van Frankrijk was. Daarom werden de Vlamingen ook onderdrukt. Deze bedreiging kon ook alleen maar stoppen wanneer de Vlamingen hun recht kregen in België. Dit was onder meer de opvatting van de bekende Groot-Nederlanders Carel Gerretson en Pieter Geyl. In de eerste maanden en jaren was het de activisten er uiteraard om te doen een nieuw bestaan op te bouwen. Sommigen slaagden hier zeer goed in en kregen leidinggevende functies in het maatschappelijke leven. Een aantal werden bijvoorbeeld journalist bij belangrijke kranten. Anderen – zoals Dr. Depla met zijn vele kinderen – kwamen echter in bittere armoede terecht. De activisten probeerden elkaar onderling te steunen en daarom werd ook het Vlaams Comité opgericht, de officiële opvolger van de Raad van Vlaanderen. Ze beschouwden zichzelf dus een beetje als de uitgeweken regering van het Vlaamse volk. Het Vlaams Comité begon met het uitgeven van brochures om de houding van de activisten tijdens de oorlog te verdedigen. Het is ook in deze kringen dat er voor het eerst een hevig anti-belgicisme opkomt. Groot-Nederland werd voor de meeste activisten een politiek ideaalbeeld. Ik zeg wel ideaalbeeld, want in praktijk was men vaak voorstander van een federalistisch België (wat pas in de jaren 1970 zal verwezenlijkt worden). Het is ook niet zo dat de activisten één blok vormden. Vaak was er persoonlijke onenigheid. Mensen als Josué De Decker en priester Robrecht de Smet, met hun tijdschrift Vlaanderen waren radicaal anti-Belgisch, ook tegen een gefederaliseerd België. De groep rond het blad Vlaanderen ageerde tegen de Vlaams-nationale Frontpartij in Vlaanderen en noemde Pieter Geyl ronduit een neobelgicist.

11. Vanuit het Vlaams Comité en andere oud-activistenverenigingen werden pogingen ondernomen om invloed uit te oefenen op de Vlaamse Beweging. De beweging had zich in Vlaanderen relatief goed hersteld na de oorlog, meer nog ze was sterker geworden en vormde nu een reële politieke macht. De oud-frontsoldaten vormden een eigen partij, de Frontpartij. Ook hebben zij van in het begin het activisme verdedigd en de activisten als idealisten voorgesteld. Trouwens, een groot deel van de Vlaamse bevolking was die mening toegedaan. Het is natuurlijk goed te verstaan dat de ballingen hun greep op de Vlaamse Beweging wilden behouden. Tijdens de oorlog waren ze er de leiders van geweest. Binnen de Vlaamse Beweging was het moeilijk om tot eenheid te komen. Een van de grootste discussies draaide rond het “Godsvredeprincipe”. Dit principe ontstond aan het front. Hiermee bedoelde men dat de strijd voor Vlaamse zelfstandigheid voorging op de onderlinge tegenstelling (bijvoorbeeld tussen katholieken, liberalen en socialisten). Vanaf ongeveer 1925 kwam dit principe meer en meer onder druk te staan door de opflakkerende tegenstellingen tussen katholieken en vrijzinnigen. Velen ijverden voor een zuiver katholieke Vlaams-nationalistische partij. De Frontpartij verbrokkelde op deze manier in allerlei min of meer geografisch bepaalde fracties waarvan enkel de Antwerpse Frontpartij zich nog aan het godsvredeprincipe hield. Vooral in West-Vlaanderen, onder leiding van Joris van Severen en Jeroom Leuridan, ging men een radicalere en rechts-katholieke koers varen. Om de eenheid te herstellen werden er vanaf 1926 pogingen ondernomen om een overkoepelend, leidinggevend orgaan (Directorium) op te richten. Al van in het begin werden ook de ‘bannelingen’, die de verbrokkeling met lede ogen aanschouwd hadden, hierbij betrokken. De oud-activisten konden ook gemakkelijk invloed uitoefenen omdat ze zich in de jaren na de oorlog sterker georganiseerd hadden, onder meer in het Verbond van Vlaams-Hollandse Verenigingen. Zij verdedigden een tussenliggend standpunt: om de Antwerpse vrijzinnigen niet buiten te sluiten, moest het katholieksolidaristisch programma waarvan de andere groepen voorstander van waren zodanig geformuleerd worden dat de vrijzinnigen er geen probleem mee zouden hebben. Toch liep dit niet uit op een akkoord. Na enkele jaren onderhandelen, trokken de bannelingen zich in 1928 terug.

12. Tot hier de interne aangelegenheden van de Flaminganten. De bannelingen speelden ook een rol in de Nederlandse politiek. We hebben al gezien dat de Nederlandse opinie anti-Belgisch was, naar aanleiding van de Belgische annexatieplannen na de oorlog. Voor de bannelingen was dit uiteraard leuk. En ze deden er alles aan om nog meer olie op het vuur te gooien. Toen in 1925 het Belgisch-Nederlands Verdrag ondertekend werd, een verdrag dat het gebruik van de Schelde regelde, zorgden zij samen met de Groot-Nederlanders voor oppositie vanuit Nederland. Volgens hen zou het Verdrag de positie van Nederland verzwakken, want het liet toe dat Belgische oorlogsschepen gebruik maakten van de Schelde. En dit terwijl België militair met Frankrijk was verbonden. Dit ageren had tot gevolg dat er tot aan de Tweede Wereldoorlog geen oplossing kwam voor de kwestie. Een tweede keer veroorzaakten ze opschudding in Nederland en België door de publicatie van het zogenaamde geheim Belgisch-Frans militair akkoord van 1920. De Vlaams-nationalist Ward Hermans publiceerde dit in in 1929 in het Utrechts Dagblad. Het is eigenlijk een spannend verhaal. De documenten waren namelijk vals en maakten onderdeel uit van een val. Ze waren namelijk opgesteld door de Belgische geheime dienst om na te gaan in hoe ver de Duitse staatsveiligheid kon infiltreren. Via een vreemde weg zijn die in de handen van de al even vreemde Ward Hermans beland. publiceren in het Utrechtsch Dagblad van 23 februari 1929 (Utrechtse documenten). Toen uitkwam dat de documenten vals waren, was de verontwaardiging dan ook groot.

13. Natuurlijk wilden vele bannelingen niet eeuwig in Nederland blijven. Terugkeren naar België was echter onmogelijk, want daar waren ze bij verstek veroordeeld. Sommigen ter dood – hoewel geen enkel doodvonnis werd uitgevoerd. Anderen riskeerden tot 20 jaar gevangenisstraf. Vanaf 1926 komt een gestructureerde internationale amnestieactie op gang. Het was de oud-activist Jules Spincemaille die een petitie starte. Die zou een debat over amnestie in het Belgische parlement moeten uitlokken. Aangezien het inefficiënt zou zijn de organisatie te laten leiden door ex-activisten, dacht Spincemaille eraan die taak aan Nederlanders toe te vertrouwen. Die bleven echter terughoudend. Uiteindelijk werd beslist dat petitie door zeven ‘onbesproken’ Vlamingen aan het Belgisch parlement zou gegeven worden. Dit gebeurde op 8 februari 1928, een symbolische dag want Borms – de oud-leider van de activisten – begon die dag zijn tiende gevangenisjaar. Het manifest kreeg de steun van een 200-tal bekende internationale figuren waaronder de communist Romain Rolland, Frederik van Eeden, Jan Toorop, Dokter Vogel, William Butler Yeats enz. Het manifest had een grote weerslag in de pers, zeker in België en Nederland. Politiek leidde het tot een nieuw amnestiedebat in de kamer. Op 6 december 1928 bereikte men na een lang debat een compromis, de zogenaamde ‘uitdovingswet’. Drie dagen later kwam alles nog eens in een stroomversnelling door de Bormsverkiezing. Borms werd die dag, hoewel hij in de gevangenis zat door een overgrote meerderheid verkozen bij een verkiezing in Antwerpen. Na het van kracht worden van de uitdovingswet werden de gevangenen vrijgelaten en konden de ‘ballingen’ naar België terugkeren. Al bij al was deze ‘clementiewet’, hoewel dus geen echte ‘amnestiewet’, een opsteker voor de radicale Vlaams-nationalisten en dit werd gesymboliseerd door de vrijlating van Borms op 17 januari 1929.

14. Eenmaal terug in België, bleef men natuurlijk contacten onderhouden met Nederland. Sommige activisten wilden zelfs niet terugkeren zolang België nog bestond – en zijn dan uiteraard ook nooit teruggekeerd. Ik heb tot nu toe vooral de nadruk gelegd op de rol die de oud-activisten gespeeld hebben in de relatie tussen Nederland en de Vlaamse Beweging. Uiteraard bleven er ook rechtstreekse contacten bestaan, zoals door het Diesch Studenten Verbond (dat jarenlang studentencongressen organiseerde met Vlamingen en Nederlanders) of de Dietsche Bond. Wie de briefwisseling van Pieter Geyl en Gerretson (die is grotendeels gepubliceerd) kent, weet hoeveel contacten zij hadden met de meest uiteenlopende Vlamingen. Niet onmiddellijk door nationale motieven geïnspireerd was de belangstelling voor Vlaanderen die tot uiting kwam in de kring rondom Carlos van Sante, dominicaan en lector in Nijmegen. Studenten uit die kring traden toe tot het Verdinaso van Joris van Severen. Verwant met de integralistische katholieken uit de Van Sante-kring waren ook de medewerkers van het tijdschrift Aristo van Wouter Lutkie, een sterk Latijnsgerichte groep, die sceptisch stond tegenover de Groot-Nederlandse gedachte en de nieuwe marsrichting van het Verdinaso (het aanvaarden van de Belgische staat als een onderdeel van het Heel-Nederlands geheel) toejuichte. Duidelijker uitgesproken was de sympathie voor de Vlaamse taalstrijd in Vrijdag, het weekblad van Jan Derks. Afwijzend tegenover de nieuwe marsrichting van het Verdinaso stond Arnold Meijer, de leider van het Zwart Front/Nationaal Front.

15. Bij wijze van voorbeeld wil ik hier nog even de geschiedenis van het eerste echte Vlaams-nationalistische dagblad De Schelde vertellen.. Reeds lang circuleerden er bij de oud-activisten plannen om een eigen radicaal Vlaamse krant te stichten. De Schelde was een Vlaamse krant, uitgegeven te Antwerpen en stond op de rand van het faillissement. Eind 1928 werd in Utrecht een stichting opgericht, onder voorzitterschap van Gerretson en Van Es. Zij zamelden geld in bij de hoge financiële klasse – onder meer te situeren bij de havenbaronnen van Rotterdam. Beheerder werd de oud-activist Jules Spincemaille. Zij kochten de krant op en stelden een nieuwe redactie samen, met als hoofdredacteur Herman Vos. Vos was een gematigd Vlaams-nationalist waarin de meeste Vlaams-nationalistische groeperingen zich konden vinden. Het is veelzeggend dat het kapitaal van de krant uit Nederland kwam. Anders dan in België bestond er dus een rijke elite die voordelen zag in het propageren van Groot-Nederlandse en Vlaams-nationalistische ideeën. In 1932 kwam het blad in een financiële crisis die gepaard ging met politieke moeilijkheden. Hoofdredacteur Herman Vos stapte over naar de socialistische partij, de Belgische Werklieden Partij (BWP). Het pas opgerichte Vlaams Nationaal Verbond (VNV) poogde voortdurend meer greep op het dagblad te krijgen. Hun aanbod om de krant op te kopen werd echter afgewezen. Tenslotte kwam een van de medewerkers, Herman Van Puymbrouck met een eigen initiatief. Hij zamelde geld in en kocht de krant over – terwijl hij hoofdredacteur werd. Politiek wilde hij een democratische lijn volgen, tegen de fascistische stromingen in. Ook tegen het katholiek solidarisme zou hij zich als vrijzinnige blijven verzetten. Verder wou hij van het blad een echt leidinggevend orgaan maken. De krant zou bovendien enkel voor het Antwerpse publiek dienen. De Nederlanders gingen akkoord met het voorstel, maar trokken zich terug uit het project. De Schelde bleef niet lang haar eigen koers varen. In 1934 sloot hoofdredacteur Van Puymbrouck zich aan bij het VNV. De partij kreeg de krant volledig in handen en vormde haar in 1936 om in het partijblad Volk en Staat. De Nederlanders en oud-activisten zijn er dus niet in geslaagd om de Vlaams-nationale beweging tot eenheid te brengen, noch door de besprekingen met de verschillende groeperingen, noch door het Vlaams-nationaal dagblad.

16. Het einde van De Schelde als democratisch Vlaams-nationalistisch dagblad, was ook tekenend voor de verhoudingen tussen de Vlaamse Beweging en Nederland. Vele verenigingen in Zuid en Noord raakten in een malaise door de opkomst van het autoritaire gedachtegoed. Vele waardevolle contacten werden op die manier verbroken. In Nederland probeerde de NSB te infiltreren in de bestaande Dietse verenigingen. De meer autoritaire verenigingen probeerden de banden wel enigszins te herstellen. Zo stichtte het Verdinaso ook in Nederland afdelingen. Ook tussen VNV en NSB of Zwart Front ontstonden er contacten. Het was echter de sombere internationale toestand die België en Nederland nader tot elkaar brachten. De opzegging van het Frans-Belgisch Militair Akkoord en de zelfstandigheidspolitiek van koning Leopold III werden in het Noorden aangevoeld als een ruggensteun voor de veiligheid van Nederland. Vlaams-belgicistische kringen lanceerden het idee van een Belgisch-Nederlands defensief militair akkoord, terwijl de Verdinasoleiding pleitte voor een economische unie. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog getuigden de officiële bezoeken van Leopold III aan Nederland en van koningin Wilhelmina aan België van een groeiende vriendschap in de verhouding tussen de beide staten, zoals dat sinds 1830 nog niet het geval was geweest.

17. De Tweede Wereldoorlog maakte voorlopig een eind aan de betrekkingen tussen Vlaanderen en Nederland. Op enkele collaboratiepublicaties na kwamen nauwelijks kranten en tijdschriften van over de grens. Ook voor persoonlijke contacten bleef die hermetisch gesloten. Groot-Nederlandse politieke actie stuitte op het onverbiddelijk verzet van het Duitse bezetters. Zo is het veelzeggend dat er in Vlaanderen zoiets bestond als het Diets verzet. Het waren kleine groepjes jongeren die binnen of aan de rand van het VNV tegen de wijze van collaboreren streden. Het gaat om groepjes als Nederland Eén!, het Dietsch Eedverbond en het Dietsch Studenten Keurfront. Het VNV was met het optreden van deze groepjes niet ingenomen en infiltreerde er zelfs in met spionnen. In 1944 leidde de situatie tot openlijke dissidentie. Deze groepjes gaven enkele clandestiene pamfletten en bladen uit, en sommige leden van Nederland Eén! kregen last met de Duitse politie. Ook bestonden er echte Diets-gezinde verzetsorganisaties, waarin nogal wat oud-leden van het Verdinaso actief waren. De collaboratie van de Vlaams-nationalisten sloeg een diepe kloof tussen de Vlaamse Beweging en de openbare mening in Nederland, waar op collaboratie nog een groter taboe rust dan in Vlaanderen. De toenadering na de oorlog zou dan ook vanwege de regeringen komen. Zo kwamen er overeenkomsten over de spelling van het Nederlands, een monetair akkoord en een douaneovereenkomst. Dit leidde in 1960 tot de vorming van een economische unie.

C. Besluit

1. We kunnen besluitend zeggen dat de actieve belangstelling voor de V.B. in de periode tussen de beide wereldoorlogen tot een kleine maar actieve en intellectueel hoogstaande groep beperkt gebleven is. Het bestaan echter van een volwaardige Nederlandse beschaving en het groeiende besef van de culturele eenheid van het Nederlandse taalgebied zijn voor de steeds sterker wordende V.B. en voor de ontwikkeling van het gedachtegoed een sterke steun geweest.

Edg. B. De Wolf

Posted in Uncategorized | Getagged: , , , | Leave a Comment »

De wortels van het Solidarisme

Posted by drietand op 16 november, 2007

Inleiding

“Ik ben solidarist”. (Eerste minister Leo Tindemans, 13 december 1977, in de Kamer van volksvertegenwoordigers)

Aan het begin van de 21ste eeuw merken we meer en meer een diepgaande crisis in de Europese samenlevingen die overgeleverd worden aan een wild turbokapitalisme. Liberaliseringen, globalisering, herstructureringen, outsourcing, vrije handel, te hoge loonkosten, flexibiliteit,… Het zijn stuk voor stuk dogma’s waar de maatschappij dagelijks verder mee vergiftigd wordt tot iedereen concurrent is van iedereen, tot de happy few alle rijkdom in handen hebben ten koste van massale legers armen of werknemers die bij de minste tegenslag onder de armoedegrens tuimelen. Er is nochtans een andere weg, een alternatieve weg. Er is de weg van het solidarisme: de harmonie tussen het persoonlijke en het gemeenschappelijke.

Het solidarisme is gebaseerd op een respect voor alle levende wezens in een harmonieuze, organische inderdependentie. Dit omvat:
1. generationele solidariteit
2. streekgebonden en familiale solidariteit
3. solidariteit tussen gezonden en zieken
4. solidariteit tussen producenten en consumenten
5.solidariteit tussen werkgevers en werknemers
6. solidariteit tussen rijk en arm
7. solidariteit ten aanzien van het geheel van de biosfeer, de natuurlijke leefomgeving van het volk en de toekomstige generaties.

Solidarisme kan niet opgevat worden als een door het individu vrijwillig te aanvaarden of te kiezen houding. Dit zou in strijd zijn met de organische opvatting van de (volks-)gemeenschap en het weloverwogen evenwicht tussen individu en gemeenschap. Doel is een evenwicht tussen enerzijds de volledige ontplooiing en ontwikkeling van de individuele persoon en anderzijds de waarborg van welvaart en welzijn voor de ganse volksgemeenschap. De mens is van nature een sociaal wezen en de gemeenschap is een organisch geheel dat wortelt in die sociale natuur. In deze zin wordt het begrip solidarisme gebruikt. De delen van de kosmos moeten samenwerken en niet onderling strijden. Hierin ligt een welbegrepen interpretatie van sociaal-Darwinisme: samenwerking om tot betere resultaten te komen. De solidaire verbondenheid van mens en gemeenschap is de grondzuil van alle vormen van mens-zijn.

Adam Ferguson wees er in zijn ‘Essay on the History of Civil Society’ (1767) reeds op hoe door de differentiërende arbeidsverdeling een saamhorigheid of solidariteit tussen allen die met verschillende bekwaamheden en functies in het ene arbeidsproces betrokken zijn. De solidariteit als kernbegrip verwierf haar plaats in de sociologie door Emile Durkheim (1858-1917). Voorts is het solidariteitsbegrip schatplichtig in z’n ontwikkeling aan de socialistische theoreticus Pierre Leroux (1797-1871) die er een ethische betekenis aan meegaf. Daarnaast speelde ook de Franse economist Charles Gidé (1847-1932) een belangrijke rol omwille van zijn werk over de coöperatieve gedachte. In Frankrijk ontstond een solidaristische gemeenschapsleer, die tot aan de Eerste Wereldoorlog als het ware de mythe van de Derde Republiek is geweest, de voornaamste woordvoerder ervan was Léon Bourgeois.

Economie en gemeenschap

De feitelijke greep van grote ondernemingen op de nationale en internationale markt, de invloed van het binnenlands en het buitenlands grootkapitaal op de ontwikkeling van onze materiële welvaart valt nauwelijks te overschatten. De politieke wereld is machteloos en heeft zich sinds 30 jaar uitgeleverd aan de neoliberale ideologie en haar dogma’s. Financiële machtsconcentraties worden bevorderd of gesteund. Er is de bijna éénzijdige dienstbaarheid van de gemeenschap die het bedrijfsleven geld, infrastructuur en scholing ter beschikking stelt zonder voldoende waarborgen voor wederdiensten op lange termijn, enz… Het zijn allen aspecten van een scheef- en dooreengegroeide private economische macht en het algemeen welzijn. De staat krijgt enkel nog de taken toebedeeld die de vrije kapitalistische markt niet kan of niet wil op zich nemen, en wordt als een lastpost beschouwd. De gemeenschap wordt hier als dienstbaar gehouden aan private economische belangen. Het solidarisme stelt dat het net andersom moet zijn.

Onze materiële welvaart is uitgegroeid tot een allesoverheersende woekerplant die al het overige, het spirituele, al het menselijke dreigt te vernietigen. De voorrang van het materiële wordt daarenboven in de hand gewerkt door de feitelijke macht van kapitaal en industrie op de ontwikkeling van onze stoffelijke welvaart en zelfs op de samenstelling van ons cultuurpatroon. De staat en de politici in de liberaal-democratuur dienen in hun beleid de financiële noden van het grootkapitaal en houdt slechts in bijkomende mate (en steeds minder) rekening met sociale, culturele en ecologische waarden. Voor het solidarisme dient –vanuit een solidaristisch mensbeeld- steeds het spirituele en geestelijke voorrang te krijgen op het stoffelijke. De staat heeft als geheel van gezagsorganen een dienende rol ten aanzien van de enkeling wiens levensopgave het is zichzelf te verwezenlijken in een op de anderen gerichte solidariteit.

De rol van de staat

Welke rol speelt de staat in een solidaristische maatschappij? De staat is de ordende macht en heeft als taak het algemeen welzijn te bevorderen. Hieruit volgt logischerwijs dat de staat geen buit mag zijn die verdeeld wordt tussen machts- en belangengroepen. Om dit te verhinderen is een sterke staat nodig. Om het algemeen welzijn te bevorderen moet de staat rechtszekerheid bieden, orde en gerechtigheid doen heersen. De liberale minimale staat ( de “nachtwakersstaat”) schiet in z’n opdracht ernstig te kort omdat hij de zwakkeren en de armen in feite zonder bescherming overlevert aan de willekeur van de machtigen en de rijken. Het algemeen welzijn kan dan ook slechts bevorderd worden indien de staat over de mogelijkheden beschikt om de openbare zedelijkheid strak in de hand te houden en individuele ontsporingen krachtdadig kan bijsturen, en daarenboven een rechtvaardige verdeling van de aardse goederen nastreeft. Er is in een gemeenschap geen sprake van algemeen welzijn indien corruptie, geweld, ontucht, parasitisme, uitbuiting,… ongemoeid worden gelaten. In het begin van de 21ste eeuw zien we dat de staat en z’n macht uitgehold worden. Het recht van de sterkste neemt dan ook toe, net als de gevallen van corruptie, uitbuiting, geweld,…

De staat kan het algemeen welzijn niet bevorderen via rechtszekerheid en zedelijkheid indien er gelijktijdig geen rechtvaardige verdeling onder alle gemeenschapsleden gezorgd wordt van een zo groot mogelijke welvaart. Deze welvaart omvat veel: kennis en cultuur, openbare en particuliere gezondheid, materiële rijkdom. Materiële zorgen zijn overigens een beletsel voor deugd en cultuur. Daarom is het één van de belangrijkste taken van de overheid om het particulier initiatief op dit terrein nauwkeurig te volgen en in te grijpen telkens aan de vereisten van het algemeen welzijn in de reeds beschreven betekenis niet wordt voldaan.

De solidaristische sociale ethiek

Uitgangspunt van het solidarisme is de mens niet als een op zichzelf levend individu, geen enkeling die slechts onderdeel is van een groter geheeld, maar wel de mens als persoon die “ik” en “wij” tegelijk is en de taak heeft zichzelf te verwezenlijken in een leven dat gericht is op de vreugde en de noden van anderen. Het solidarisme tracht welvaart en échte vrijheid tot stand te brengen door een beroep te doen op de volledige mens. Daarin ligt precies de ethische waarde ervan.

Geen enkele maatschappij, en zeker niet deze van de 21ste eeuw, kan bestaan zonder een vorm van structuur en organisatie. Onderwerping aan een stel wetten en reglementen zijn noodzakelijk om een stabiel leven te kunnen leiden. Het dwingend karakter hiervan is een gevolg van de menselijke natuur die de neiging heeft het laken eerst en vooral naar zich toe te willen halen, eventueel ten koste van de rechten van anderen. Persoonlijke vrijheid wordt niet enkel begrensd door de vrijheid van anderen, ze wordt er ook door bedreigd. Een hoogontwikkelde maatschappij zoals waarin we nu leven kan niet bestaan zonder dit arsenaal aan wetten, reglementen, besluiten,… met een dwingend karakter en een Staat die ze afdwingbaar kan maken als instelling. Deze dwingende maatschappij is evenwel niet de enige oorzaak van ongenoegen, verbittering en verzet. Veel meer leed en ellende werd veroorzaakt door ideologieën die de bevolking verleidden met onrealistische of verouderde theorieën. De twee meest karakteristieke voorbeelden zijn het marxistisch collectivisme en het liberaal kapitalisme.

Marxistische regimes steunen op de tanks en bajonetten terwijl kapitalistische regimes vooral steunen op een niet licht te doorbreken traditie van de gevestigde orde (die altijd een min of meer structureel geweld inhoudt) waardoor een minderheid de gang van zaken blijft bepalen, desnoods tegen de wil in van de meerderheid. De voornaamste gelijkenis tussen het marxistische communisme en het liberale kapitalisme is de vervreemding waartoe ze burgers brengen. In het liberaal-kapitalisme vervreemdt de burger van zijn werk, hij werkt niet meer voor zichzelf noch voor de zijnen, noch voor z’n volk. Hij werkt in de eerste plaats voor het systeem en de kapitaalbezitters. Door de hiërarchische opvattingen en structuren ontstaat een apathie, hij draagt weinig verantwoordelijkheid –het wordt hem geweigerd- en uiteindelijk stelt hij er ook geen belang meer in.

Het liberaal-kapitalisme voldoet niet meer aan de sociaal-ethische eisen die aan een hoogontwikkelde maatschappij in de 21ste eeuw kunnen en moeten gesteld worden. De individualistische maatschappijopvatting die eraan ten gronde ligt moeten we afwijzen als verouderd en ethisch verwerpelijk. Het filosofisch individualisme ontkent het werkelijke bestaan en de innerlijke samenhang van de gemeenschap. De maatschappij zou dan een slechts de som zijn van enkelingen die samenwerken op grond van nuttigheidsoverwegingen. Zelfs los van ethisch-filosofische overwegingen moet men vaststellen dat het individualisme niet heeft geleid tot een evenwichtige maatschappij waarin iedereen ten volle meetelt. Zonder de correcties die de arbeidersbeweging heeft aangebracht aan het kapitalisme, zou het resultaat enkel maar een junglemaatschappij zijn geweest waar het recht van de sterkste geldt. In de praktijk zou dit betekenen dat een minderheid profiteert van de inspanningen en het leed van een meerderheid.

Op sociaal-ethische gronden moeten we de liberaal-kapitalistische weg volledig afwijzen als onbruikbaar om een rechtvaardige maatschappij tot stand te brengen. Gelijke rechten en gelijke kansen tot ontwikkeling van ieders persoonlijke mogelijkheden zijn onbestaande, evenals de gelijke toegang tot welvaart en cultuur. De 19de eeuw betekende de opkomst van het moderne industriële kapitalisme en het onstaan van de marxistische tegenreactie. De 20ste eeuw heeft het marxisme de doodsteek bezorgd en heeft via sociaal-democratische weg correcties trachten aan te brengen in het kapitalistisch systeem. Deze komen meer en meer onder druk te staan in het begin van de 21ste eeuw. Het neocorporatistisch model dat na de Tweede Wereldoorlog in West-Europa ontstond, heeft nooit kunnen verhelpen dat de sociale politiek enkel op overwegingen van eigenbelang steunde. Men verleende tegemoetkomingen om de arbeiders uit de handen van de marxisten te houden. De samenwerking en het overleg was steeds duidelijk een dienst aan het wederzijds eigenbelang want steeds bleef men dezelfde vijandige broers. Het spreekt vanzelf dat dit evenmin overeenkomt met het begrip solidariteit in z’n solidaristische betekenis.

De solidariteitsgedachte is zowel in het liberaal-kapitalisme als in het marxisme een karikatuur gebleken: gegrondvest op een louter utilitaristische basis ten bate van het individu in de eerste en de ondergeschiktheid aan een verstikkend collectivisme in de tweede, kon en kan geen echte wisselwerking ontstaan tussen persoon, gemeenschap en maatschappij en kan derhalve geen ethische gemeenschap groeien. Beide stelsels voegen bij het keurslijf van een dwingende maatschappij de dwang van een niet-menselijke ideologie. Van werkelijke sociale ethiek is hier dan ook geen sprake. De solidaristische ethiek daarentegen betekent dat iedereen de gelegenheid krijgt zichzelf te verwezenlijken om als persoon tot maximale ontplooiing te komen. Hiertoe is het subsidiariteistbeginsel noodzakelijk. Het solidarisme is gebaseerd op een ethisch gemeenschapsstreven, dat niet op eigen voordeel uit is, maar ontstaat uit bezorgdheid om het welzijn van de anderen in het kader van het algemeen belang.

Wat betekent dit algemeen belang? Het gaat hier in de eerste plaats om een algemeen welzijn, die dus ruimer is dan de materiële welvaart. Het is een samenspel van materiële, culturele en ethische waarden, die door wederzijdse hulp van allen tot stand moet komen en die de persoonlijke vervolmaking van iedereen moeglijk moeten maken, waarbij individuele personen niet als geïsoleerde wezens maar wel als eng verbonden met de volksgemeenschap beschouwd dienen te worden. Dit moet uitmonden in een ethisch gemeenschapsgevoel, dat zal ontstaan wanneer iedereen zichzelf als persoon wil verwezenlijken in een leven voor de anderen. Dat een sterke staat hierbij ontsporingen vanwege de menselijke natuur bij individuen moet kunnen bijsturen is evident. Het hogere heeft evenwel steeds een aanvullende rol ten overstaan van het hiërarchisch ondergeschikte. Wat een persoon tot stand kan brengen, hoeft de gemeenschap niet in zijn plaats te doen.

Solidarisme en het katholiek sociaal gedachtengoed

We zullen ons hier beperken tot een toelichting over Heinrich Pesch en de encyclieken Rerum Novarum (1891), Quadragesima Anno (1931), de encyclieken Mater et Magistra (1961) en Populorum Progressio (1967) zijn van minder belang. De twee eerst genoemde zijn belangrijk geweest voor de ontwikkeling van het katholiek sociaal denken en voor de katholieke arbeidersbeweging. Ook priester Daens deed bijvoorbeeld beroep op Rerum Novarum. Het solidarisme tussen de twee wereldoorlogen was christelijk geïnspireerd. Het christelijke solidarisme start in 1854 met de sociale theorie die ontwikkeld werd door de jezuïet Heinrich Pesch, weergegeven in zijn werk ‘Liberalismus, Sozialismus und christliche Gesellschaftsordnung’ (Freiburg, 1896-1899,2dl). Z’n belangrijkste werk was ‘Lehrbuch der Nationalökonomie’ (Freiburg, 1905-1923, 5dl). Daarin brengt hij een afgeronde economische theorie, gebaseerd op een thomistische wijsbegeerte. Hij overleed in 1926 te Valkenburg, de nationaal-socialisten vernietigden zijn graf en z’n bibliotheek / archief. Hij had een zeer grote invloed op de pauselijke verklaringen omtrent de sociale kwesties alsook op de praktische programma’s van de West-Europese christen-democratie. Het werk van pesch werd voortgezet door de jezuïet Gustav Gundlach, die in hoog aanzien stond bij paus Pius XII en diens radiotoespraken mee beïnvloedde.

Pesch lag aan de basis van wat we een solidaristische school kunnen noemen die een sterke invloed had op de ontwikkeling van de kerkelijke sociale leer. In Duitsland behoorden tot de school oa: Oswald von Nell-Breuning, Gustav Gundlach, Wilhelm Schwer, Theodor Brauer, Goetz Briefs, Mgr. Joseph van der Velden, Paul Jostock,… In Vlaanderen was er een belangrijke invloed van het denken van Pesch te merken. Op de ACV-congressen in de jaren ’20 en ’30 werd meermaals naar Pesch verwezen alsook naar het Quadragesimo Anno, hoewel men aan katholieke zijde niet snel geneigd was het solidarisme te koppelen aan het corporatisme. Aan Vlaams-nationalistische zijde daarentegen werd het solidarisme wel gekoppeld aan corporatisme alhoewel klemtonen konden verschillen naargelang personen en organisaties. Het Verdinaso noemde zich uitdrukkelijk nationaal-solidaristisch, het VNV sprak van organisch-solidarisme en soms ook nationaal-solidarisme. Daarnaast verdedigden tal van bladen solidaristische visies en standpunten, waaronder het weekblad ‘Jong Dietsland’ met oa Victor Leemans, Odiel Spruytte, Ernest van der Hallen en het magazine ‘Dietbrand’ van Wies Moens.

De gelijkstelling solidarisme – corporatisme – fascisme zou na de Tweede Wereldoorlog een belangrijke hindernis zijn voor een heropleving van de solidaristische visie. Maar het gebeurde toch. In 1947 richtten Herman Todts en Frans van Mechelen (later BGJG-voorzitter) de Solidaristische Beweging op met als blad ‘Branding’, waaraan Manu Ruys meewerkte. In de allereerste Volksunie was er een stevige solidaristische inslag via mensen als Jules de Clercq, Wim Jorissen en Herman Todts. In 1967 stichtte het latere VU-parlementslid Joos Somers de Actiegroepen voor Democratisch Solidarisme, met als orgaan ‘De Nieuwe Weg’. Voorts bleven oud-Dinaso’s actief en als enigen bleven zij na 1945 vasthouden aan de corporatistische verbinding, bijvoorbeeld in de kring rond Maarten van Nierop die sinds 1969 het blad ‘Vrij Dietsland’ uitgaf, drie jaar later vervangen door ‘Speerpunt’. In 1970 had van Nierop de Dietse Solidaristische Beweging gesticht en korte tijd later ook het Verbond van Solidaristische Militanten.

De leer over privé-eigendom ontstond in de negentiende eeuw die werd gekenmerkt door zowel proletarische ellende als kapitalistische verwording. De katholieke kerk trachtte deze te overwinnen vanuit motieven als zielszorg, zelfbehoud en verantwoordelijkheidsbesef. In Rerum Novarum wordt door paus Leo XIII een pleidooi gevoerd voor een rechtvaardig arbeidersloon en wordt het eigendomsrecht verdedigd. Privé-eigendom is een natuurrecht, en wel om de volgende vier redenen: ten eerste omwille van de redelijke natuur van de mens (waardoor denken aan de toekomst mogelijk is), ten tweede door het recht op de vruchten van zijn arbeid, ten derde wordt verwezen naar het feit dat alle volkeren dit recht kennen en tenslotte is het voor het gezinshoofd belangrijk om zijn familie te kunnen voeden en om zijn kinderen iets te kunnen nalaten.

In het Quadragesimo Anno van paus Pius XI komen twee stellingen terug die betrekking hebben op de eigendomsleer.
* Over het dubbel karakter van het eigendomsrecht: deze is verschillend naar gelang het gaat om individuele belangen (het recht verbonden aan het zorgen voor zichzelf en het gezin) dan wel het algemeen belang (met betrekking tot de goederen die “door de Schepper” voor de gehele mensheid zijn bestemd).
* Over de bevoegdheid van de overheid inzake het particulier eigendom: in het kader van het privé-eigendom moet dus rekening gewonden met het eigen en het algemeen belang. Het is de staat die bevoegd is om in te grijpen om dit algemeen belang te garanderen alsook om te omschrijven wat de verplichtingen zijn t.a.v. het algemeen belang. De staat mag echter niet willekeurig te werk gaan en zijn bevoegdheid wordt beperkt door de natuurlijke rechten op privé-eigendom.

Verlossing uit het proletariaat

De katholieke sociale gedachte heeft in de slagzin ‘verlossing uit het proletariaat’ duidelijk weten te maken dat het haar niet ontbreekt aan menselijke bewogenheid en sociaal pathos. Na 1891 veranderde er veel, zowel in de structuur van de westerse maatschappij als in de positie van het proletariaat. Deze ontwikkeling werkte door in de katholieke leer.In de tijd dat Quadragesimo Anno verscheen (1931), werd de situatie van het proletariaat door het volgende gekenmerkt:

à Objectieve kenmerken:
* De bezitsloosheid en het geringe inkomen waardoor de arbeider gedwongen werd om op de arbeidsmarkt per contract zijn arbeidskracht te verkopen, wat hem in een situatie van aanhoudende dreiging van bestaansonzekerheid dwingt.
* De afhankelijkheid van de arbeider als gevolg van de bezitsloosheid en de positie op de arbeidsmarkt, zowel met betrekking tot aanneming en ontslag alsook binnen het bedrijf in verband met arbeidsdeling, mechanisatie en rationalisatie.

Quadragesimo Anno ziet een aantal mogelijke oplossingen voor deze problemen:
* Bestaanszekerheid door aandeel in het bezit. De arbeider moet een eigen huis, een spaarbankboekje en een aandeel in de bedrijfswinst met op termijn aandeelhoudersrechten hebben, om zijn gezin te kunnen onderhouden en zijn kinderen iets te kunnen nalaten.
* Bestrijding van de armoede door werkloosheid via verschaffen van werkgelegenheid.
* Ontwikkeling van het arbeidsrecht om zekerheid te verschaffen met een arbeidscontract (op collectieve basis).
* Medezeggenschap in de bedrijven (dit als praktische eis en principiële beschouwingswijze: arbeid niet als doel maar als middel in de eeuwige bestemming).
* Uitbouw van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie.

à Subjectieve kenmerken:
* Het proletarische ressentiment: wrok tegenover zijn maatschappelijke situatie van afhankelijkheid, bestaansonzekerheid en onmondigheid, tegenover het als minderwaardig beschouwd worden alsook tegenover het als nummer behandeld worden.
* Het bewustzijn van de arbeiders: de wrok omgezet in een strijdbare wil om de eigen situatie en de maatschappij waar zij een gevolg van was te veranderen (de christelijke sociale leer moet deze strijdbaarheid leiding geven).

Hier ziet het Quadragesimo Anno de oplossing in sociaal-pedagogische en culturele arbeid: de arbeider moet deel krijgen aan de cultuur.

N.b. het uitgangspunt dat geldt voor alle sociale, politieke en culturele problemen is vanuit godsdienstig gezichtspunt: de mens is een schepsel Gods, dus tot persoonlijk leven geschapen. Zijn bestemming ligt in de bovennatuur (de hemelse zaligheid) en heel het aardse natuurlijke leven wordt geleid door die bovennatuur.

Het solidarisme heeft in het kader van de katholieke sociale leer een metafysisch-religieuze oorsprong en achtergrond. In dit kader wordt gesproken van een solidaristische wereldbeschouwing, in die zin dat het niet zozeer op subjectieve gevoelens berust, maar een objectief stelsel wil zijn dat niet alleen voor katholieke maar voor alle mensen met gezond verstand aanvaardbaar wordt geacht. In de encyclieken wordt niet zozeer over solidarisme gesproken, maar wel over de verhouding tussen kapitaal en arbeid.

Volgens paus Leo XIII (Rerum Novarum) komt de rijkdom der staten uit niets anders voort dan uit de werkzaamheid der arbeiders. De voorwaarden voor alle goederenproduktie zijn de natuur met haar schatten en het natuurrecht van het privé-eigendom. Hieruit zou kunnen volgen dat arbeidsloos inkomen (rentenieren) moreel veroordeeld moet worden, maar dit vindt de paus niet. Integendeel, de arbeidsprestatie van de een en het kapitaal van de ander moeten samenwerken. Deze samenwerking moet onder de norm der sociale rechtvaardigheid verlopen, en niet alleen tussen individuen plaatsvinden maar vooral tussen sociale groepen. Dit houdt dus niet zozeer een afwijzing van het kapitalistische stelsel in, maar wel een afwijzing van zijn uitwassen. Uit het aansporen tot samenwerking tussen kapitaal en arbeid volgt ook een expliciete afwijzing van de klassenstrijd.

De verhouding solidarisme – corporatisme

De ervaring heeft geleerd dat zowel voor- als tegenstanders nood hebben aan enige klaarheid omtrent de verhouding solidarisme – corporatisme. Het corporatisme is een bijzondere vorm van het subsidiarisme, maar het is er niet de enige vorm van. Solidarisme veronderstelt geenszins dus automatisch ook corporatisme. Men kan het subsidiariteitsbeginsel ook onder andere vormen ten uitvoer brengen. Zie hierover: Georg Wildmann, ‘Personalismus, Solidarismus und Gesellschaft’, p.127 alsook Anton Rauscher, ‘Subsidiaritätsprinzip und berufsständische Ordnung’, p.139 Quadragessimo Anno sprak zich uitdrukkelijk uit pro corporatisme. Ook Pesch maakte die verbinding, maar dat is zeker niet noodzakelijk om van solidarisme te kunnen spreken.

Corporatieve ordening

Quadragesimo Anno stelt dat het principe van corporatieve ordening moet worden uitgewerkt in een maatschappelijke organisatie die de klassenstrijd uitschakelt. De corporaties worden bedoeld als bedrijfs- en beroepsgroepen, waarbij mensen niet ingedeeld worden volgens de plaats die zij op de arbeidsmarkt innemen, maar volgens de verschillende functies die ze verrichten. Een corporatie is een gemeenschap: een organisatie op basis van onderlinge verbondenheid of gemeenschapsgevoel en de leden behoren het belang van de gehele bedrijfstak voor ogen te houden. (Aanvankelijk was er onder de katholieken een vrij sterke stroming die deze corporatieve ordening niet alleen op het economisch leven maar ook op het politieke leven wou toepassen.)

Daarnaast hangt de katholieke kerk ook het beginsel der subsidiariteit aan: datgene wat door lagere gemeenschappen van ondergeschikte rang kan worden verricht moet aan hun worden toegekend; het staatsgezag moet datgene op zich nemen wat deze kleineren niet kunnen en de staat waakt in het algemeen belang voor ontoelaatbare grensoverschrijding van de lagere gemeenschappen.

In Mater et Magistra wordt ook aandacht geschonken aan de socialisering van het privé-eigendom: privé-eigendom als aspect van persoonlijke ontplooiing maar ook als aspect van een goed geordende samenleving. Daarnaast moet er in het kader van het eisen van een rechtvaardig loon aandacht worden geschonken aan betaling naar behoefte en prestatie maar ook aan de nationale economie. Nieuw in deze encycliek is vooral dat er wordt ingegaan op vraagstukken m.b.t. de verhouding tussen productiesectoren (denk aan het afnemend belang van de landbouw) en de problemen van de ontwikkelingslanden. In deze encycliek wordt ook staatstussenkomst met sociale en economische zaken verdedigd alsook wordt er met nadruk gepleit voor een samenwerking op velerlei gebied tussen katholieken en niet-katholieken.

Eigendom

De solidaristische visie op eigendom vindt haar oorsprong in de visie op de totale mens en het natuurrecht. Ook hier geldt dat de mens als levenstaak heeft zichzelf te verwezenlijken in een bestaan dat gericht is op de noden van anderen. Het solidarisme verdedigt dan ook zeer duidelijk het recht op private eigendom voor zowel verbruiksgoederen als productiegoederen. Dit recht op privaat bezit stamt uit het natuurrecht. Elke mens is gerechtigd om aardse goederen in volle persoonlijke eigendom te verwerven. Welke concrete vormen dit eigendomsrecht in de praktijk aanneemt, is van secundair belang. Van wezenlijk belang is, dat het persoonlijk recht om eigendom te verwerven en te behouden onaantastbaar is. Het eigendomsrecht bevat naast het recht op verbruiksgoederen dus ook het recht om productiegoederen in eigen bezit te hebben. Dit draagt bij aan de waarborg van recht op bestaanszekerheid alsook het recht op arbeid.

Recht op private eigendom is evenwel geen absoluut of onbelast recht. Vanuit solidaristisch oogpunt bestaat er immers geen absoluut en plichten-vrij eigendomsrecht. Bezit is nooit en nergens het hoogste doel van de mens. Niet enkel is eigendom geen doel op zichzelf, het mag ook geen middel zijn tot uitsluitend persoonlijke voldoening. Heinrich Pesch verwoordde private eigendom als volgt: “(…)in wezen een middel om op geordende wijze en in dienst van het individueel, het familiaal en het nationaal welzijn, het bestaan van de mensen veilig te stellen.” Dit stelt dus grenzen aan het verwerven en gebruiken van eigendom. Rechten en plichten maken hier een onscheidbaar geheel. De solidariteitsgedachte leert dat niemand eigendom uitsluitend voor zichzelf kan hebben, vooral niet wanneer hij over meer beschikt dan strikt gesproken noodzakelijk is voor hemzelf en de zijnen. Zoals iedereen tot plicht heeft zichzelf en zijn talenten ten dienste van anderen te stellen, zo ook rust op iedereen de sociale plicht om zijn bezit zoveel mogelijk als gemeenschapsgoed te beschouwen. Zodoende zal bezit niet verworden tot macht over anderen, maar strekken tot hulp en bijstand, tot aanvulling van wat anderen niet hebben. Eigendom is dienst! Dienst aan elke mens afzonderlijk, dienst aan de gemeenschap in haar geheel.

De bedrijfsgemeenschap

Werknemers staan ongeveer de helft van hun bewust-beleefde uren af aan hun werkgever. De avonduren, weekends (of vervangdagen) hebben ze voor zichzelf. Voor de rest zijn ze werknemer waarbij hij/zij in afhankelijkheid leeft van derden. Uiteraard beschermd door allerlei wetten en reglementen, maar nog steeds in afhankelijkheid. Werkgevers kopen tegen een bepaald bedrag per uur / maand de lichamelijke en/of intellectuele bekwaamheden van hun personeel. Het arbeidscontract is dan ook in wezen een koopcontract. De mens staat NIET in het contract, aan de ene kant staat de koper en aan de andere kant de dagloner, poetsvrouw, leraar, ingenieur, metselaar, chauffeur,… Dit soort arbeidscontract wordt vanuit een solidaristische opvatting over de mens als persoon onvoorwaardelijk verworpen!

De beginselen waarop hedendaagse arbeidscontracten steunen, stammen uit het verleden, uit de vorige eeuw. Het verkeerde eraan is dat men menselijke arbeid rangschikt onder de louter economische objecten die bijgevolg onderwerp kunnen zijn van louter koop- of huurcontracten. Dergelijke contracten bestaan uit een partij die het kapitaal aanbrengt en een andere partij die handen- en/of geestesarbeid aanbrengt. Het tot stand komen van deze transacties zijn gebaseerd op vraag en aanbod, de kopende partij tracht dan ook de laagst mogelijke prijs te bekomen waartegen het goed op de markt te verkrijgen is. De werkgever wordt steeds beschouwd als de koper of huurder en hij bepaalt dus wat hij wil hebben en geven. De partijen zijn in realiteit dus niet gelijk. Voorts wordt die ongelijkheid nog versterkt door het economisch overwicht van de werkgever. Doorheen de decennia in de 20ste eeuw werd voor de werknemers heel wat ten gunste gewijzigd, maar de grondhouding is nog steeds dezelfde zoals eerder geschetst. En net die grondhouding is vanuit solidaristische oogpunt verwerpelijk. Hierin is het solidarisme zondermeer revolutionair.

Er dient te worden uitgegaan van de volledige mens, de unieke vervlechting van geest en stof, van ik-gerichtheid en wij-gerichtheid. “Zijn” en “handelen” zijn in elke menselijke activiteit onafscheidelijk! Menselijke arbeid is nooit los te maken van de menselijke persoon en blijft daarom steeds delen in de waardigheid die aan de menselijke persoon eigen is. Menselijke arbeid kan nooit koopwaar zijn omdat hij als onafscheidelijk verbonden met de menselijke persoon steeds van hogere orde blijft! Het arbeidscontract dient dan ook een contract te zijn met een heel eigen karakter, op menselijk niveau en niet louter uit de economische sfeer. Het resultaat van deze moet het samengaan en samenwerken zijn van gelijkwaardige partners in het bedrijf, dat zodoende een werkelijke “bedrijfsgemeenschap” zal kunnen zijn. De solidaristische bedrijfsgemeenschap is onverenigbaar met de “dienstverhuring” van werknemer tegenover werkgever. Deze dienstverhuring belet immers dat een bedrijf wordt wat het zou moeten zijn: een menselijke gemeenschap waarin de arbeid bijdraagt én tot de verrijking van iedere persoonlijkheid én tot de bloei van de hele onderneming als onderdeel van de volksnationale economie. Dit betekent geenszins dat iedereen in een onderneming elkaars gelijken zouden zijn, het is en blijft een organisatie en dus is een hiërarchische structuur nodig om efficiënt te kunnen werken.

De bestaande ondernemingsstructuur wordt niet enkel verworpen omwille van het solidaristisch mensbeeld maar ook vanwege de solidaristische visie op eigendom. Eigendom is zoals eerder gesteld geen absoluut en onbelast recht. Niemand kan eigendom uitsluitend voor zichzelf hebben. Wat men is, is men immers ook voor de anderen. Wat men kan, kan men ook voor de anderen. Wat men heeft, heeft men ook voor de anderen. Op iedereen rust de sociale plicht zijn bezit, waar mogelijk, als gemeenschapsgoed te aanzien. Deze plicht geldt ook voor de eigenaars van de ondernemingen. Zij moeten hun eigendommen zodanig aanwenden dat dat de algemene welvaart van de volksgemeenschap, én bovendien hun eigendommen zodanig beheren dat de persoonlijkheid van de werknemers er tot ontplooiing in kan komen. En dat kan enkel als arbeid en kapitaal beschouwd worden als de gezamenlijke inbreng in iets –het bedrijf- dat dus ook gezamenlijk dient beheerd en uitgebouwd te worden! Eigendom en kapitaal-bezit is geen rechtvaardigingsgrond voor macht over anderen, er is geen enkele grond aanwezig om te stellen dat kapitaal macht zou geven over wie slechts z’n arbeid inbrengt. Rijkdom verwerven op basis van andermans inspanningen heeft nooit een rechtvaardigingsgrond. Deze visie brent evenwel op geen enkel moment in het gedrang dat een rechtvaardige vergoeding voor genomen risico’s nodig is.

Economische planning: een noodzaak!

We leven in een vanuit industrieel en commercieel oogpunt hoogontwikkelde maatschappij. De materiële kanten van onze welvaart overwoekeren de geestelijke inhoud ervan. De materiële welvaart is uitgegroeid tot een alles overheersende woekerplant die al het overige, al het geestelijke en menselijke dreigt te verstikken. De voorrang van het materiële wordt versterkt door de macht van kapitaal en industrie op de ontwikkeling van onze stoffelijke welvaart en zelfs de samenstelling van ons cultuurpatroon. De hedendaagse overheid richt haar beleid in de liberale maatschappij dan ook op de financiële noden van het grootkapitaal en houdt slechts in bijkomende en beperkte mate rekening met sociale en culturele waarden. Dit is in absolute tegenspraak met de solidaristische visie die een voorrang wil zien van het geestelijke en het menselijke op het stoffelijke en het bijkomstige. De wildgroei van de roofdierkapitalistische economie buiten de controle van de overheid moet dan ook vervangen worden door een gepland economisch beleid als onderdeel van het algemeen politiek beleid van de gemeenschap in de haar toegeëigende organen.

De vraag is dan: welke planeconomie willen we? We verwerpen de kapitalistische uitbuitingseconomie maar evenzeer de centraal-geleide planeconomie naar marxistisch model. De planning moet aan een aantal voorwaarden voldoen:

1. Het plan moet imperatief zijn, d.w.z. bindend voor alle personen, ondernemingen, overheidsinstellingen,… die erbij betrokken zijn.
2. De vastgelegde opties en beleidskeuzes in het plan moeten het weten en willen weerspiegelen van minstens een meerderheid van alle betrokkenen. De besluitvorming moet gebeuren via inspraak en raadpleging van iedereen die nadien betrokken is bij de uitvoering van de genomen beslissingen of er de gevolgen van zal ondergaan.
3. De keuzes en opties in het plan mogen niet in tegenspraak zijn met andere, meer fundamentele beginselen van het solidarisme en de gemeenschapsopbouw: geen bedreiging van de privé-eigendom, eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel.
4. Een planning moet steeds het algemeen belang dienen. Meer welvaart vandaag en morgen voor iedereen. De overheid moet het evenwicht tussen de pressie- en belangengroepen garanderen.

In dezelfde geest moeten we benadrukken dat het aan de gemeenschap toekomt om de elementaire nutsvoorzieningen te verschaffen aan de bevolking. Het kan geenszins de bedoeling zijn om private winst na te streven op de gas- en electricteitsvoorziening, op de drinkwaterverdeling,… Nationalisatie van deze bedrijven dringt zich dan ook op. De staat moet hier via een verstandig beleid een financiële break-even situatie nastreven waarbij de dienstlevering aan de bevolking steeds op de eerste plaats komt. Het is ondertussen voldoende gebleken dat liberalisering en “ont-staatsen” van de nutssectoren geenszins leidt tot betere en goedkopere dienstverlening, wel integendeel.

Leon Bourgeois

“(…) la notion d’un devoir à observer par tout homme vis-à-vis de ses semblables”.

Eén van de belangrijkste theoretici van het solidarisme was ongetwijfeld de Franse politicus, vrijmetselaar en nobelprijswinnaar Leon Bourgeois. In 1896 publiceerde hij een reeks artikels in ‘La Nouvelle Revue’ die hij nadien bundelde in zijn werk ‘La Solidarité’. Hij volmaakte dit werk in 1902-1903 met ‘Esquisse d’une philosophie de la solidarité’ en ‘Applications sociales de la solidarité’ (een oeuvre van debatverslagen aan de School voor Hogere Sociale Studies). Deze drie werken vormen de basis van zijn visie op solidarisme. Bourgeois ging ervan uit dat er onvermijdelijke en noodzakelijke solidariteiten bestaan als gevolg van de arbeidsdeling, erfelijkheid, geschiedenis, wat ertoe leidt dat iedereen afhankelijk is van anderen zowel in het verleden als in het heden en meer in het algemeen van de maatschappij die ze vormen. Hij zei daarover: “L’homme ne devient pas seulement au cours de sa vie débiteur de ses contemporains ; dès sa naissance, il est un obligé. L’homme naît débiteur de l’association humaine.” Dit idee van de “sociale schuld” maakte de hoeksteen uit van zijn solidarisme. Bijgevolg moesten op sociaal vlak allerlei initiatieven dit idee van de “sociale schuld” weerspiegelen, oa via gratis onderwijs in alle graden en niveaus omdat kennis een collectief geod is waar iedereen toegang tot verdient, voorts een bestaansminimum voor iedereen en een bescherming tegen risisco’s in het leven op basis van werderkerigheid. Voor Bourgeois werd dit alles in een gelaïciseerde moraal geplaatst die de vrijheid voor alle personen moest garanderen die de nationale gemeenschap vormden.

Het denken van Bourgeois, en dus ook zijn visie op solidarisme, was uitdrukkelijk rationalistisch, positivistisch, wetenschappelijk getint en kadert eveneens in de rijke Franse socialistische traditie waar het marxisme niet steeds zondermeer aanvaard werd. Leon Bourgeois schreef : “Le bonheur, le mieux-être ne seront pas réalisés par les lois mais par la science, c’est d’elle qu’il faut attendre et espérer l’accroissement du bonheur ; C’est elle la grande révolutionnaire dont la marche est si ardue et si rapide que l’utopie d’aujourd’hui sera la réalité de demain.” Voor hem was de sociale kwestie een mogelijk onderwerp voor wetenschap, zonder er het denken en de Wil van een persoon te willen ontkennen of onderschatten. Bourgeois vond het individualisme voorbijgestreefd en nefast. Tegenover de leer van Rousseau (contrat social) stelt Bourgeois een organische visie, de “achteraf gesloten overeenkomst” tussen de mensen, daar waar ze spontaan met elkaar in relatie treden of samenwerken, zonder dat vooraf de “voorwaarden” werden overeengekomen. Die “voorwaarden” zijn immers in cultuur en gebruiken impliciet aanwezige afspraken.

Ondanks de biologische structuur van de maatschappij, speelt de Wil een fundamentele en essentiële rol. Zo ontstaat er een wisselwerking tussen de mens en zijn milieu waarbij de ene de andere limiteert. Bourgeois verklaart: “j’ai dit et répété assez souvent que je ne prétends point niveler les conditions. Je me borne à réclamer la suppression de l’inégalité et de l’injustice d’autant qu’elles sont l’œuvre des hommes eux-mêmes. Les inégalités fatales de la nature suffiront toujours à rendre impossible le nivellement que certains redoutent” (Essai p.92). In een ander werk stelt hij: “Il est vrai de dire que les lois morales qui s’imposent à l’individu ne peuvent être recherchées en dehors des conditions générales de la vie en société. Elles ne peuvent se découvrir par l’étude de la personne humaine considérée dans son isolement physique, mais dans la réalité de ses rapports avec son milieu, son temps, la race d’où elle sort et la postérité qui sortira d’elle..”. (Solidarité p.83). De opdracht van de mens en zijn Wil ligt hierin, bij te sturen wat bestaat. “Le propre de l’homme, c’est non pas de se révolter contre les lois de la nature mais de s’en servir, de les plier à son usage, de choisir parmi les moyens ceux qui le mèneront à ces fins. Il asservit les lois, la nature et par-là conquiert sa propre liberté… ” schreef Bourgeois (Essai p. 10). Kortom, de kennis van het determinisme is het fundament van de persoonlijke vrijheid en zijn handelingsmogelijkheden. Vrijheid betekent: worden wat je bent. Op sociaal vlak betekent dit: onrechtvaardigheid wegwerken.

Voor Bourgeois was de solidariteit (in z’n solidaristische betekenis) enerzijds een fundering van een sociale filosofie en anderzijds een visie en strategie op zowel nationaal als internationaal vlak. Solidariteit karakteriseerde volgens hem als feit het menselijke leven. Aan de basis daarvan ligt een organische visie op het leven: het levende wezen is bepaald door de solidariteit van biologische functies die verschillende delen van één lichaam aan elkaar linkt. Dit is een idee die teruggaat tot de Oudheid. Het evenwicht dat een permanent en levend wezen bereikt komt er door de vereniging van alle delen en functies in één gemeenschappelijke inspanning, het is deze vereniging die de succesvoorwaarde vormt in de strijd om leven en bestaan (Essai p.3). Dit fenomeen wordt op het sociale leven toegepast, waarbij solidariteit bestaat in tijd en ruimte. De arbeidsverdeling en de coördinatie van arbeidsinspanningen zijn uitingen van die solidariteit via diensten die men aan elkaar verleent in eenzelfde tijdperk alsook tussen verschillende tijdperken. Bourgeois schrijft daarover: “Celui qui a inventé la charrue, laboure invisible à côté du laboureur … ” L’objet de la science sociale est précisément de constater cette solidarité entre les générations (Essai p. 7).

Slotbeschouwing

Zowel de pauselijke encyclieken als de visie van Leon Bourgeois kunnen in de 21ste eeuw niet meer als basis dienen voor een volledig uitgewerkt en praktisch toepasbaar solidarisme. Het zijn hoogstens waardevolle historische feiten. Enkele kenmerken kunnen behouden blijven en zullen altijd de kern van het solidarisme blijven uitmaken, maar het solidarisme van Bourgeois heeft bijvoorbeeld haar eigen meester nauwelijks of niet overleefd. Uit het komen en gaan van de verschillende soorten en invullingen van het solidarisme doorheen de tijden, alsook dat het nog nooit in de praktijk werd gebracht, hebben sommigen (niet in het minst tegenstanders van liberale en marxistische signatuur) verkeerdelijk de conclusie getrokken dat solidarisme niet meer kan bestaan. Tijdens het interbellum was het solidarisme ontegensprekelijk christelijk geïnspireerd. Dit neemt niet weg dat het solidarisme voor zowel gelovigen als ongelovigen, zowel voor christenen, heidenen als atheïsten een stelsel en een visie kan betekenen waarin men zich kan thuisvoelen. Solidarisme kan ook op niet-religieuze gronden berusten. Het was geenszins de bedoeling om de lezer een kant-en-klare doctrine of een afgerond denkkader aan te bieden. Het solidarisme past immers niet in de modernistische ideologieën met hun gesloten systemen en dogma’s. Veeleer gaat het om de schets van een levenshouding, waarbij een historische achtergrond wordt geboden alsook een aantal principes uit het solidarisme die ontegensprekelijk er kerngedachten in vormen. De vaagheid omtrent solidarisme zorgt er spijtiggenoeg voor dat sommigen die zich solidarist noemen zelfs deze kerngedachten overboord gooien, wat nooit de bedoeling kan zijn voor wie het solidarisme écht genegen is.

Otto Ruwaerd

Bronnen:

(aut. onbekend), Dietsland-Europa aug. 1975, pp.22-25 (biografie Pesch)
Bourgeois, L., ’Essai d’une philosophie de la solidarité’. Uitg. Alcan, Paris, 1902
Cobbaut, W., “De onderneming: een werkgemeenschap”. In: Dietsland-Europa , juli 1973, pp.18-21
Cobbaut, W., ‘Het solidaristische alternatief’. Uitgave van de werkgemeenschap Alternatief VZW, 1978
Cobbaut, W., ‘Werkgevers en werknemers – Verouderde begrippen’. In: Dietsland-Europa , juni 1973, pp.17-19
De Bruyne, A., ‘Joris Van Severen – Droom en daad’. Uitg. Oranje, Zulte, 1965
Delvo, E., ‘Democratie in stormtij. Democratisch socialisme in de jaren dertig’, Uitg. De Nederlandse Boekhandel, Kapellen, 1983
Delvo, E., ‘Sociale collaboratie – Pleidooi voor een volksnationale sociale politiek’, Uitg. De Nederlandse Boekhandel, Antwerpen – Amsterdam, 1975
Lambert, P., De coöperatieve doctrine. 1971
Rauscher, A., ‘Subsidiaritätsprinzip und berufsständische Ordnung in “Quadragesimo Anno”’, Aschendorffsche Verlangsbuchhandlung, Münster i. Westfalen, 1958
Utz, A. F., ‘Zwischen Neoliberalismus und Neomarxismus – Die Philosophie des dritten Weges’. Uitg. P. Hanstein , Köln, 1975
Van Gestel, C., ‘Kerk en sociale orde’, Leuven 1956, editie 2
Wildmann, G., ‘Personalismus, Solidarismus und Gesellschaft. Der ethische und ontologische Grundcharakter der Gesellschaftslehre der Kirche.’ Uitg. Herder, Wien, 1961

Posted in Uncategorized | Getagged: , , , , , , , , , , , , | Leave a Comment »

Verkiezingsfraude

Posted by drietand op 16 november, 2007

Het wordt steeds duidelijker dat zich overal ter wereld bij verkiezingen “onregelmatigheden” voordoen. Noem het maar fraude. Hoe kan het dat ook in Europa — de bakermat van deze vorm van zogenaamde democratie — zo’n fraude heerst? Het is een mythe dat enkel “bananenrepublieken” vatbaar zouden zijn voor grootschalige stemvervalsing. Integendeel: verkiezingsfraude is ook in de Westerse landen een systematisch gegeven. De vervalsing gebeurt niet sporadisch of lokaal. Niet enkele geïsoleerde individuen of gecorrumpeerde politieke partijen zijn ervoor verantwoordelijk. Het gaat om een interne uitholling van de waarden die ten grondslag liggen aan dit systeem. De Amerikaanse inlichtingendienst CIA heeft zelfs een afdeling die zich uitsluitend bezig houdt met het “bevorderen van democratische kandidaten en organisaties” in verkiezingen, vooral actief in Latijns-Amerika en Oost-Europa. Ex-CIA agent Philip Agee publiceerde hier reeds over, en haalde als voorbeelden ondermeer de inmenging in de Venezolaanse verkiezingen aan, ten nadele van de anti-Amerikaanse president Chavez.

Verkiezingsfraude werd tussen 2004 en 2006 vastgesteld bij gemeenteraadsverkiezingen in het Engelse Lancashire, Birmingham, Bristol en diverse andere Engelse steden en dorpen. Naar het voorbeeld van de memorabele Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2000, blijken ook in Engeland stemmen via de post potentiëel het meest frauduleus te zijn. Meer daarover blijkt uit dit onderzoek van het Brits Hooggerechtshof — er wordt gesproken van genoeg fraude om een volledige verkiezing ‘te stelen’. Dat schijnt ook tot delen van de Britse regering door te dringen. Door de mazen van het medianet sijpelden namelijk ook berichten dat er fraude was gebeurd bij gemeenteraadsverkiezingen in Nederland. Vervalsingen spreiden als een plaag over heel het Europees continent. In 2004 spraken Roemeense NGO’s van een potentieel massieve verkiezingsfraude. Fraude in Europa bij verkiezingen blijkt systematisch te gebeuren. Iedereen herinnert zich nog het débacle in de Italiaanse parlementsverkiezingen van 2006, toen ongetelde stembiljetten bij het vuilnis belandden. Voormalig premier Berlusconi had toen stevig de teugels van de binnenlandse diensten in handen.

Net zoals in de Verenigde Staten stemmen ook de Vlamingen voornamelijk via computerstemmachines. De burgers krijgen magnetische kaarten die in de gleuf van de stemmachine moeten worden gestoken. De kaarten registreren de stemkeuze van de burger, die vervolgens de kaart weer uit de machine haalt en hem terugbrengt naar de lokale stembureaucomputer, die alle kaarten inslikt en schijnbaar hun resultaten op een floppy disk registreert. Na sluiting van het stembureau worden alle floppy disks van alle stembureaus dan gecentraliseerd in het lokale gemeentehuis om er achter gesloten gordijnen te worden ‘geprocedeerd’.

In de kleinere, landelijke streken waar met papier gestemd wordt, moeten stemresultaten per telefoon naar de (partijdige) centrale provinciegouverneur worden meegedeeld, die dan hun “correctheid verifieert” en het uiteindelijke resultaat aan de partijleden meedeelt. De keten van de stemoptelling is zo geperforeerd en ontransparant dat fraude simpelweg één van de onderdelen moet binnensijpelen om succesvol te zijn. België, kortom, is allerminst immuun voor stemvervalsing. De introductie van het automatisch stemmen doet daar weinig goed aan. Wat in het Belgisch stemhokje gebeurt is onomwonden boerenbedrog: het afdrukken van een individueel confirmatiebiljet met je stem op laat wellicht een sussende bedoeling achter bij de stemmer, maar is totaal irrelevant op controlegebied. Want het hart van de fraude gebeurt vermoedelijk daarna, op een andere plaats: daar waar de stemmen uit de stemcomputers verzameld, daadwerkelijk opgeteld en vervolgens meegedeeld worden (gewoonlijk in het gemeentehuis). Dit optelsysteem is opvallend vatbaar voor inmenging. Omdat dat systeem volledig losstaat van de eigenlijke stemcomputers: het speelt zich af achter gesloten schermen, buiten enige parlementaire controle.

Bij koninklijk besluit wordt de hele Belgische stemketen gecontroleerd door een bepaalde dienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Onder het mom van “veiligheid” wordt de stemoptelling helemaal onttrokken van extern, parlementair overzicht. Het totale gebrek aan transparantie, alsmede de partijdigheid van de verantwoordelijken van dat optelprocédé, kan men persoonlijk gewaarworden als toezichter tijdens de verkiezingen. Partijafgevaardigden worden soms niet toegelaten de telling te observeren: het was strikt verboden de kamers te betreden waar zich het telproces afspeelde. Waarom? Partijleden moesten op sommige plaatsen simpelweg wachten op een blad papier met de vermoedelijke resultaten op.

De aanwezige administratie, waaronder niet op zijn minst de hoofden van de telbureaus, zijn vaak om te beginnen zo ver verwijderd van enige neutraliteit als maar kan. Soms kraaien ze zelfs victorie bij het lezen van de resultaten van de partij van hun voorkeur. Soms ziet men partijsympathisanten als “neutrale” tellers aan het werk in het tellen van de stemmen. Zogenaamde telgetuigen, officieel door een partij afgevaardigd, blijken in de praktijk gewoon mee te werken in het tellen van de vele stembrieven! Een laatste hoop voor een partijgetuige om enige impact te hebben op het stemsysteem is dat hij zijn opmerkingen kan laten noteren in een officieel document dat door de partij, indien gewenst, kan gebruikt worden om protest aan te tekenen en een hertelling te vragen. Dit officiële document is het zogenaamde Proces-Verbaal. Het is reeds gebeurd dat de verantwoordelijke in een telbureau weigerde om het document op te maken, soms vanwege de druk door tellers die zo snel mogelijk naar huis willen. Deze verbazende weigeringen om het Proces-Verbaal op te stellen zijn niet enkel in overtreding met de correcte verkiezingsprocedure, het is kortweg frauduleus. Het PV is een fundamentele vereiste om de verkiezingsdag te legitimeren. Zonder het door de partijgetuige ondertekende document kan een politieke partij onregelmatigheden in de verkiezingsprocedure niet aanvechten.

Verkiezingen: oubollig en vals!

Het organiseren van verkiezingen (stemplicht of stemrecht speelt daarbij geen rol) wordt maar al te vaak voorgesteld als een noodzakelijke voorwaarde voor een democratie. Fout! Verkiezingen zijn net als het parlementarisme niets meer of minder dan een middel, een ideologisch gekleurd middel. Democratie moet losgekoppeld worden van begrippen als verkiezingen, parlement,… Regelmatig duikt het pleidooi op ter afschaffing van de stem- of opkomstplicht en de invoering van stemrecht. Hierdoor hoopt men alle zogenaamde proteststemmers en niet-geïnteresseerden weg te houden van de stembussen. Opnieuw moeten we er op wijzen dat dit geenszins een verbetering van democratie inhoudt.

Meningen zijn niet gelijk of gelijkwaardig! De mening van een persoon die enkel begaan is met zijn eigen materiële welvaart en rijkdom, desnoods ten koste van anderen, maar niks inhoudelijks van politiek afweet; wordt in het verkiezingssysteem als gelijkwaardig beoordeeld aan de mening van een persoon die aandacht heeft voor het algemeen belang en inhoudelijk politieke en sociaal-economische problematiek kent. Reeds bij het Verdinaso wees men op dit onzinnig karakter van stemrecht in de liberaal-democratie. Het verouderd taalgebruik verandert niks aan de waarde van de inhoud(*):

“Wat is die democratie, wat hebben wij daaraan? Wij hebben vooreerst en aan de basis: het politiek algemeen stemrecht. Zijt gij met mij akkoord dat dit onzedelijk is?

Onzedelijk:
dat de stem, dat de politieke waarde even groot is van den domme als van den wijze, van den jonggezel als van den man met vrouw en zeven kinderen, van den portier als van den man die goederen beheert en honderden te werk stelt, van den moreel hoogstaande als van den man aan lager wal?! Zijt gij met mij akkoord dat dit onzinnig is?

(…)

En dat spel dat men de goede lieden dus laat spelen, noemt men dan: het uiten van den wil des volks! Zijt gij het eens met mij, dat ge, om te willen, moet weten wàt, dat ge moet kennen, dat ge moet kunnen onderscheiden, vergelijken en oordeelen? Wat liggen de bedriegers dan in dit geval nog van een wil te praten??

(…)

Maar wacht, ze maken het nóg bonter! Zij spreken van een souvereinen wil. En dat wordt al een in-gemeene grap. Een souverein die niet weet waar hij staat, wat hij kan, wat hij mag, een souverein waarmee men draait als een tol! Ik kan er niet aan doen, maar telkenmale ik aan het spektakel denk van de gewetenlooze politiekers die daar het wierookvat van den souverein voor uwen gevel zwaaien, rijst mij het beeld voor de oogen van den zwakzinnige wien een troep verwatenen met plechtig misbaar van den “Keizer” geven…
Zoo hoonend, zoo bloedig beleedigend is per slot dat spel, dat men met u, gewaande, bespogen en bedrogen souvereinen speelt!

En wie mij dan nog tegensputtert:
Jamaar, wij geven onze souvereiniteit in vertrouwen af, aan bepaalde vertegenwoordigers, dien antwoord ik: men geeft niet wat men niet heeft.

(…)

En dan dit parlement!
Mij begeeft bijna de moed over dit kakelende en palaverende negerdorp, uit te weiden… De harde karwei van dit betoog noopt er mij nochtans toe een paar elementaire constataties te doen.
Ten eerste: Ondeskundige lieden zijn verplicht, deskundige deputé’s te kiezen.
Gevolg: in den regel stellen de ondeskundigen, ondeskundigen aan om deskundig te doen: dat gaat niet;
per malheur stellen de ondeskundigen toch een deskundige aan om deskundig te doen: maar die mag dan niet of hij wordt door zijn peters niet begrepen en er de eerstvolgende maal uitgeworpen. Triestig, hopeloos geval!
Ten tweede: En deze verzameling nu, vormt, wijzigt of ontbindt de regeeringsploeg: het uitvoerend gezag. En waar men u naar Gheel verwijzen zou, moest gij ter wille van den goeden gang van zaken beweren dat een schoolklas elke 6 maand van meester moet veranderen, een onderneming elke 5 maand van bestuurder en een legereenheid elke 4 maand van overste; daar wijzigt men per seizoen een ministeriebezetting hier of een ministeriebezetting daar, of gewoon de heele zaak “en bloc”. En wie vandaag begenadigd is de boeren uit hun nood te helpen, moet morgen maar begenadigd zijn de zwarten te beschaven. Allertriestigst, allerhopeloost geval!!
Ten derde: Eén beroep is werkelijk en wettelijk georganiseerd: de corporatie van de parlementariërs, die zelf haar eigen rechten en privilegieën heeft geschapen en verbeten met alle middelen des regimes verdedigt.
Ziedaar de Staat:
een collectiviteit van: ter zake veelal onbevoegden, van onverantwoordelijken, van alle waar gezag verbeurenden, van alle natuurlijke rechten aan de familiale en corporatieve gemeenschappen ontkennenden: de brutale, onwaardige, volksvernietigende dictatuur der souvereine parlementariërs. Catastrofaal geval!

(…)

En de wil van het volk?
Die verandert niet naar kleur of partij. Die spreekt niet uit een vierljaarlijksch stembiljet. Die is, die leeft over alle geslachten en alle eeuwen, éénig, één. En die luidt: arbeiden, menschwaardig arbeiden, menschwaardig leven, in rechtvaardigheid, in veiligheid, in grootheid, in sterke, natuurlijke, in eigen grond en wezen gewortelde ORDE!”

(* Uit: LE ROY, P., Orde in België. Uitgave van het Verbond van Dinaso-Corporaties, 48p.)

Posted in Uncategorized | Getagged: , , , , | Leave a Comment »